Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Den Haag, 17 maart 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21784Zaaknummer 24/7000
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 17 maart 2026
- Publicatiedatum
- 21 augustus 2026
- Zaaknummer
- 24/7000
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Pw
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op binnen acht weken na de verzending van deze proces-verbaal van uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van
mr. V.A. Paul, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7000
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de rechtbank van 17 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. J.E. de Glopper),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk, het college
(gemachtigden: mr. S. Martens en [gemachtigde])
Procesverloop
Bij besluit van 8 mei 2024 (het primaire besluit) heeft het college op grond van de Pw de over de periode van 31 oktober 2023 tot en met 31 december 2023 te veel verstrekte bijstand van € 2.899,75 (bruto) van [naam 1], mede van eiser teruggevorderd. Over de periode van 1 januari 2024 tot en met 30 april 2024 heeft het college een bedrag van € 4.878,56 teruggevorderd. Dat komt samen neer op een bedrag van € 7.778,31. Het gereserveerde vakantiegeld van [naam 1] € 301,14 heeft het college daarop in mindering gebracht zodat het terugvorderingsbedrag € 7.477,17 bedraagt.
Bij besluit van 11 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2026. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. S.J. Nijssen, in plaats van de gemachtigde. Tevens zijn verschenen
[naam 1], [naam 2] en [naam 3]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Na een korte schorsing heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college erkend dat het onderzoek naar de eventuele gezamenlijke huishouding tussen eiser en [naam 1] onvoldoende is geweest. De rechtbank is met het college van oordeel dat het totaal van de onderzoeksbevindingen, in onderlinge samenhang bezien, een ontoereikende grondslag voor het standpunt van het college vormt dat eiser in te beoordelen periode zijn hoofdverblijf op het (uitkerings-)adres van [naam 1] had. Dit is één van de voorwaarden voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding tussen eiser en [naam 1]. Het bestreden besluit kan daarom niet in stand blijven.
2. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat het besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf beslissingen over het bezwaar te nemen. Dit omdat de rechtbank over onvoldoende gegevens beschikt om zelf te voorzien in deze zaak en omdat het college ter zitting heeft medegedeeld nader onderzoek te willen doen. Eiser kan zich daarin vinden.
3. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor acht weken.
4. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden.
5. Bij uitspraak van heden inzake het beroep van [naam 1] (SGR 24/7153) is het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in deze samenhangende zaken.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op binnen acht weken na de verzending van deze proces-verbaal van uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van
mr. V.A. Paul, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.