Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Den Haag, 11 maart 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21746Zaaknummer 25/9368
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 11 maart 2026
- Publicatiedatum
- 21 augustus 2026
- Zaaknummer
- 25/9368
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Proces-verbaal, Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
vovo
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Daartoe overweegt hij het volgende.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter stelt vast dat bij brief van 29 september 2025 van de manager ambulant van [stichting 1] een beslissing is genomen tot het beëindigen van de opvang. Ter zitting is gesproken over de vraag wie in deze zaak nu eigenlijk het bevoegde gezag is op grond van de Wmo 2015. Van de kant van het college is uiteengezet dat in principe het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop bevoegd is omdat verzoeker binnen die gemeente woont, maar dat die bevoegdheid is gedelegeerd of gemandateerd aan het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn. Dat college heeft vervolgens de bevoegdheid om Wmo-voorzieningen toe te kennen gemandateerd aan [bedrijf 2]. Vervolgens heeft [bedrijf 2] een deel van de bevoegdheid verder gemandateerd aan verschillende uitvoeringsorganisaties, maar voor voorzieningen zoals maatschappelijke opvang is de bevoegdheid (aldus nog altijd het college) uiteindelijk belegd bij [stichting 2]. Dat laatste is de organisatie waar de medewerker die op de zitting als gemachtigde van het college optrad werkzaam is. Na de zitting heeft het college een aantal stukken opgestuurd om de hierboven geschetste overdracht van bevoegdheden te onderbouwen. De voorzieningenrechter zal er voorshands van uitgaan dat in ieder geval de brief van [bedrijf 2] van 19 december 2025 is aan te merken als een besluit tot intrekking van een eerder toegekende Wmo-voorziening – hoewel die toekenning klaarblijkelijk nooit op schrift is gesteld – en dat dit besluit in mandaat namens het bevoegde college is genomen. Omdat uit de brief van verzoeker van 30 december 2025 zonder meer blijkt dat hij het niet eens is met het besluit van 19 december 2025, houdt de voorzieningenrechter het ervoor dat in ieder geval tegen dat besluit een bezwaarprocedure loopt. Dit betekent dat het verzoek ontvankelijk is. Of de brief van [stichting 1] van 29 september 2025 al dan niet als besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht kan worden aangemerkt kan daarom vooralsnog in het midden blijven.
2. Een voorlopige voorziening kan worden getroffen, wanneer de belanghebbende daar een spoedeisend belang bij heeft. Onbetwist is dat zonder indicatie geen verblijf mogelijk is bij de lokale opvang van [stichting 1] waar verzoeker nu verblijft. Door de intrekking van het besluit tot toelating tot de maatschappelijke opvang dreigt daarom voor verzoeker beëindiging van zijn verblijf in de lokale opvang. [stichting 1] is kort daarna een procedure bij de civiele rechter begonnen om verzoeker uit de lokale opvang te verwijderen. Gezien het voorgaande is het spoedeisend belang gegeven.
3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
4. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat in dit geval het belang van het college bij beëindiging van de lokale opvang zwaarder weegt dan de belangen van verzoeker bij voortzetting daarvan. In het kader van die belangenafweging neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de door het college gestelde intimidatie en bedreigingen door verzoeker van medewerkers van [stichting 1] en het feit dat verzoeker zich, tegen de afspraken in, niet begeleidbaar opstelt, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende zijn onderbouwd. In het dossier zitten verschillende rapportages van incidenten waaruit naar voren komt dat verzoeker meermalen medewerkers van [stichting 1] en anderen heeft bedreigd, en dat daarvan ook aangifte is gedaan bij de politie. Daarnaast blijkt uit het dossier dat verzoeker een aantal malen schriftelijke waarschuwingen heeft gekregen. Dat de veiligheid van de medewerkers van [stichting 1] gebaat is bij beëindiging van de lokale opvang en voortzetting van de opvang bij de regionale opvang [bedrijf 1], waar verzoeker intramurale opvang kan krijgen en waar permanent toezicht aanwezig is, acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk. Dat verzoeker belang heeft bij voortzetting van de lokale opvang kan de voorzieningenrechter volgen, maar beëindiging daarvan betekent niet dat hij dakloos wordt, aangezien het college verzoeker een alternatief heeft geboden in de regionale opvang. Aan het feit dat verzoeker volgens eigen zeggen in de regionale opvang kan worden geconfronteerd met personen uit zijn verleden als drugsdealer kent de voorzieningenrechter geen doorslaggevend belang toe. Daarbij gaat hij ervan uit dat het feit dat in de [bedrijf 1] 24 uur per dag, zeven dagen per week sprake is van toezicht en dat de [bedrijf 1] volgens eigen zeggen goede contacten onderhoudt met de politie, voldoende waarborg is dat verzoekers veiligheid gegarandeerd is. Verzoeker heeft nog aangevoerd dat hij zijn twee honden niet kan meenemen naar de [bedrijf 1], maar dat belang weegt minder zwaar dan het belang van de veiligheid van de medewerkers van [stichting 1]. Overigens blijkt uit de huisregels van [stichting 1] dat honden ook bij de lokale opvang in principe niet welkom zijn. De voorzieningenrechter overweegt verder dat als het bezwaar gegrond wordt verklaard, de woonsituatie omkeerbaar is, omdat verzoeker dan in beginsel terug kan naar de lokale opvang van [stichting 1] in Zevenhoven, of een gelijkwaardige setting. Met inachtneming van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangenafweging thans in het voordeel van het college dient uit te vallen. Er bestaat daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. V.A. Paul, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
11 maart 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
De voorzieningenrechter is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/9368
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 maart 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker
(gemachtigde: mr. J. Sprakel),
en
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, het college
(gemachtigde: mr. B. Khairallah).
Procesverloop
Bij brief van 29 september 2025 heeft de manager ambulant van Stichting [stichting 1] aan verzoeker medegedeeld dat de lokale opvang bij [stichting 1] in Zevenhoven wordt overgezet naar de regionale opvang [bedrijf 1] te Leiden.
Verzoeker heeft tegen deze brief bezwaar gemaakt door bij het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop op 10 november 2025 een bezwaarschrift in te dienen.
Bij besluit van 19 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de directeur-bestuurder van [bedrijf 2] namens het college aan verzoeker medegedeeld dat het besluit tot toelating tot de maatschappelijke opvang van 10 november 2023 wordt ingetrokken.
Verzoeker heeft op 30 december 2025 aan het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop een brief gestuurd waarin hij reageert op het bestreden besluit. Hij heeft op dezelfde datum de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2026. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De voorzieningenrechter heeft de behandeling van het onderzoek ter zitting geschorst, om een gesprek mogelijk te maken tussen [bedrijf 2] en verzoeker waarin partijen mogelijk gezamenlijk een oplossing zouden kunnen vinden. Op 19 februari 2026 heeft de gemachtigde van het college per e-mail laten weten dat wordt afgezien van een gesprek. Daarna zijn er nog verschillende stukken gewisseld tussen partijen.
Omdat partijen desgevraagd niet te kennen hebben gegeven dat een nadere zitting nodig is, heeft de voorzieningenrechter vervolgens het onderzoek gesloten.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Daartoe overweegt hij het volgende.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter stelt vast dat bij brief van 29 september 2025 van de manager ambulant van [stichting 1] een beslissing is genomen tot het beëindigen van de opvang. Ter zitting is gesproken over de vraag wie in deze zaak nu eigenlijk het bevoegde gezag is op grond van de Wmo 2015. Van de kant van het college is uiteengezet dat in principe het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop bevoegd is omdat verzoeker binnen die gemeente woont, maar dat die bevoegdheid is gedelegeerd of gemandateerd aan het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn. Dat college heeft vervolgens de bevoegdheid om Wmo-voorzieningen toe te kennen gemandateerd aan [bedrijf 2]. Vervolgens heeft [bedrijf 2] een deel van de bevoegdheid verder gemandateerd aan verschillende uitvoeringsorganisaties, maar voor voorzieningen zoals maatschappelijke opvang is de bevoegdheid (aldus nog altijd het college) uiteindelijk belegd bij [stichting 2]. Dat laatste is de organisatie waar de medewerker die op de zitting als gemachtigde van het college optrad werkzaam is. Na de zitting heeft het college een aantal stukken opgestuurd om de hierboven geschetste overdracht van bevoegdheden te onderbouwen. De voorzieningenrechter zal er voorshands van uitgaan dat in ieder geval de brief van [bedrijf 2] van 19 december 2025 is aan te merken als een besluit tot intrekking van een eerder toegekende Wmo-voorziening – hoewel die toekenning klaarblijkelijk nooit op schrift is gesteld – en dat dit besluit in mandaat namens het bevoegde college is genomen. Omdat uit de brief van verzoeker van 30 december 2025 zonder meer blijkt dat hij het niet eens is met het besluit van 19 december 2025, houdt de voorzieningenrechter het ervoor dat in ieder geval tegen dat besluit een bezwaarprocedure loopt. Dit betekent dat het verzoek ontvankelijk is. Of de brief van [stichting 1] van 29 september 2025 al dan niet als besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht kan worden aangemerkt kan daarom vooralsnog in het midden blijven.
2. Een voorlopige voorziening kan worden getroffen, wanneer de belanghebbende daar een spoedeisend belang bij heeft. Onbetwist is dat zonder indicatie geen verblijf mogelijk is bij de lokale opvang van [stichting 1] waar verzoeker nu verblijft. Door de intrekking van het besluit tot toelating tot de maatschappelijke opvang dreigt daarom voor verzoeker beëindiging van zijn verblijf in de lokale opvang. [stichting 1] is kort daarna een procedure bij de civiele rechter begonnen om verzoeker uit de lokale opvang te verwijderen. Gezien het voorgaande is het spoedeisend belang gegeven.
3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
4. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat in dit geval het belang van het college bij beëindiging van de lokale opvang zwaarder weegt dan de belangen van verzoeker bij voortzetting daarvan. In het kader van die belangenafweging neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de door het college gestelde intimidatie en bedreigingen door verzoeker van medewerkers van [stichting 1] en het feit dat verzoeker zich, tegen de afspraken in, niet begeleidbaar opstelt, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende zijn onderbouwd. In het dossier zitten verschillende rapportages van incidenten waaruit naar voren komt dat verzoeker meermalen medewerkers van [stichting 1] en anderen heeft bedreigd, en dat daarvan ook aangifte is gedaan bij de politie. Daarnaast blijkt uit het dossier dat verzoeker een aantal malen schriftelijke waarschuwingen heeft gekregen. Dat de veiligheid van de medewerkers van [stichting 1] gebaat is bij beëindiging van de lokale opvang en voortzetting van de opvang bij de regionale opvang [bedrijf 1], waar verzoeker intramurale opvang kan krijgen en waar permanent toezicht aanwezig is, acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk. Dat verzoeker belang heeft bij voortzetting van de lokale opvang kan de voorzieningenrechter volgen, maar beëindiging daarvan betekent niet dat hij dakloos wordt, aangezien het college verzoeker een alternatief heeft geboden in de regionale opvang. Aan het feit dat verzoeker volgens eigen zeggen in de regionale opvang kan worden geconfronteerd met personen uit zijn verleden als drugsdealer kent de voorzieningenrechter geen doorslaggevend belang toe. Daarbij gaat hij ervan uit dat het feit dat in de [bedrijf 1] 24 uur per dag, zeven dagen per week sprake is van toezicht en dat de [bedrijf 1] volgens eigen zeggen goede contacten onderhoudt met de politie, voldoende waarborg is dat verzoekers veiligheid gegarandeerd is. Verzoeker heeft nog aangevoerd dat hij zijn twee honden niet kan meenemen naar de [bedrijf 1], maar dat belang weegt minder zwaar dan het belang van de veiligheid van de medewerkers van [stichting 1]. Overigens blijkt uit de huisregels van [stichting 1] dat honden ook bij de lokale opvang in principe niet welkom zijn. De voorzieningenrechter overweegt verder dat als het bezwaar gegrond wordt verklaard, de woonsituatie omkeerbaar is, omdat verzoeker dan in beginsel terug kan naar de lokale opvang van [stichting 1] in Zevenhoven, of een gelijkwaardige setting. Met inachtneming van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangenafweging thans in het voordeel van het college dient uit te vallen. Er bestaat daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. V.A. Paul, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
11 maart 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
De voorzieningenrechter is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.