Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Den Haag, 16 juli 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:21703Zaaknummer SGR 24/7677

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
21 augustus 2026
Zaaknummer
SGR 24/7677
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

WIA. Mate van arbeidsongeschikt per verschillende data. Kleine aanpassing van de FML leidt tot oordeel dat mediche beoordeling te kort is geschoten, maar omdat betrokkene met deze aanpassing de geduide functies kan verrichten, wordt het gebrek gepasseerd met artikel 6:22 van de Awb. Verder heeft de BAD gedurende de procedure de mate van arbeidsongeschikthieid gewijzigd nadat alsnog de reductiefactor is toegepast. Tot slot is de ingangdatum van de garantie-uitkering bij de beslissing op bezwaar ten onrechte gewijzigd.

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit I gegrond;

- vernietigt het besluit van 4 maart 2025 voor zover daarin de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 41,01%;

- herroept het primaire besluit 1 van 29 september 2023;

- bepaalt dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 2 november 2020 57,09% bedraagt en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit;

- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit 2 ongegrond;

- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit 3 gegrond;

- vernietigt het besluit van 4 maart 2025 voor zover het betreft de ingangsdatum van 31 oktober 2023;

- bepaalt de ingangsdatum van de garantie-uitkering op 31 oktober 2022 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van (3 x € 51,-=) € 153,- aan eiser moet vergoeden;

- veroordeelt verweerder tot betaling van (€ 1.868,- + € 1512,50 =) € 3.380,50 aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026.

griffierrechter

De griffier is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser], uit [woonplaats], eiser
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 24/7677, SGR 24/7685 en SGR 24/7689

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaken tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. D.E. de Hoop),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. J.S. de Vreeze).

Inleiding

Bij besluit van 29 september 2023 (primaire besluit 1) heeft verweerder aan eiser per 2 november 2020 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 50,79%.

Bij besluit van 3 oktober 2023 (primaire besluit 2) heeft verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per 29 september 2022 vastgesteld op 72,22%.

Bij besluit van 3 oktober 2023 (primaire besluit 3) heeft verweerder beslist dat eiser per 31 oktober 2022 recht heeft op een garantie-uitkering en dat daarom zijn WIA-maandloon wordt verhoogd.

Eiser heeft tegen deze primaire besluiten bezwaar gemaakt.

Eiser heeft op 17 september 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van beslissingen op de bezwaren.

Bij besluit van 4 maart 2025 (bestreden besluit 1) heeft verweerder het primaire besluit 1 gewijzigd en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 41,01%.

Bij een tweede besluit van 4 maart 2025 (bestreden besluit 2) heeft verweerder het primaire besluit 2 gewijzigd en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 76,57%.

Bij een derde besluit van 4 maart 2025 (bestreden besluit 3) heeft verweerder het door eiser tegen het primaire besluit 3 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard

Bij brieven van 7 april 2025, 25 november 2025 en 10 maart 2026 heeft eiser de gronden van de beroepen gericht tegen de bestreden besluiten 1 tot en met 3 ingediend.

Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift en daarbij rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van 8 juli 2025 en 23 januari 2026 en van de arbeidsdeskundige b&b van 22 juli 2025 en 29 januari 2026 overgelegd.

De rechtbank heeft de beroepen op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van zijn beroepen tegen het niet tijdig nemen van besluiten op zijn bezwaren, omdat hierop bij de bestreden besluiten inmiddels wel is beslist. Daarom zijn de beroepen gericht tegen het niet tijdig nemen van besluiten niet-ontvankelijk.

2. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), hebben de beroepen tegen het niet tijdig nemen van besluiten mede betrekking op de alsnog genomen besluiten.

3. Eiser is tot 1 april 2014 werkzaam geweest als teamleider schoonmaak voor 36,72 uur per week bij [bedrijf 1] B.V. Op 10 juni 2014 heeft eiser zich vanuit de Werkloosheidwet ziekgemeld. Per 7 juni 2016 is aan hem een WIA-uitkering toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 44,34%.Met ingang van 19 december 2016 is eiser als heftruckchauffeur voor 52,26 uur per week bij [bedrijf 2] B.V. (verder: [bedrijf 2]) gaan werken. Eisers WIA-uitkering is per 16 december 2018 beëindigd, op de grond dat eiser met dat werk een jaar lang meer heeft verdiend dan 65% van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Op 2 november 2020 heeft eiser zich ziekgemeld voor zijn werkzaamheden als heftruckchauffeur na een bedrijfsongeval (val van ladder). Eiser heeft op 19 juli 2022 verweerder verzocht om toekenning van een WIA-uitkering.

4. In verband met deze aanvraag heeft een arts verbonden aan verweerder onderzoek verricht. Zij heeft eiser op 27 juni 2023 medisch onderzocht en heeft medische informatie ingewonnen bij de behandelend sector. In haar rapport heeft deze arts vermeld dat bij de ziekmelding in november 2020 in grote lijnen dezelfde locomotore beperkingen aan de orde zijn als in 2016, echter anamnestisch verergerd na de val. Daardoor kan gesproken worden van (deels) dezelfde ziekteoorzaak als ten tijde van de eerdere beoordeling in 2016, waardoor er per datum ziekmelding van 2 november 2020 een belastbaarheid aangegeven dient te worden. Gelet op de dossiergegevens en de gegevens van de behandelend sector zijn er naar de mening van de arts per 2 november 2020 beperkingen vast te stellen voor fysiek zware inspanning, min of meer conform de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) uit 2016. Deze FML houdt reeds in ruime mate rekening met rug/been/knieklachten, astma en armklachten (inclusief een hefbeperking). Mede door de aggraverende presentatie met pijngedrag zijn volgens de arts verdere beperkingen moeilijk te objectiveren. Bovendien ervoer eiser in 2016 reeds veel klachten op grond waarvan hij zich volledig arbeidsongeschikt achtte, maar heeft hij laten zien dat hij daarmee fulltime kon werken. Volledigheidshalve wordt vanwege eisers astma een beperking gesteld voor werken in een omgeving met stof, rook, gassen en prikkelende dampen die verder gaat dan het normale dagelijks functioneren en voor hitte. Daarnaast is eiser beperkt voor beroepsmatige verkeersdeelname onder andere vanwege het gebruik van tramadol en de plots optredende rechterbeenkrampen. Eveneens is eiser hierdoor beperkt voor (andere) werkzaamheden met verhoogd persoonlijk risico zoals werken op hoogte. De in 2016 gestelde beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren komen te vervallen bij het ontbreken van aanwijzingen voor het bestaan van evidente psychopathologie. Volgens de arts worden arbitrair per 29 september 2022 (de datum van de brief van de orthopedisch chirurg) respectievelijk 27 juni 2023 (datum onderzoek) aanvullende beperkingen gesteld op grond van been/knieklachten. Op deze datum is namelijk sprake van geobjectiveerde quadricepsatrofie, die eerder niet werd beschreven in de brieven van de neuroloog en pijnspecialist. Rekening houdend met een (vermoedelijk) mediaal meniscusletsel links en verminderde krachtfunctie van het bovenbeen kunnen er sterkere beperkingen worden gesteld voor lang staan, lang lopen, traplopen, frequent knielen/hurken en dragen. Er bestaat geen aanleiding voor het aannemen van een urenbeperking, aldus de arts. De arts heeft de beperkingen per 2 november 2020 en per 29 september 2022 vastgelegd in twee aparte FML-en.

5.1.

De arbeidsdeskundige heeft vervolgens aan de hand van de FML geldend per 2 november 2020 drie functies geduid, te weten de functies lader, losser (sbc-code: 111220), assemblagemedewerker besturingskasten en panelen (sbc-code: 267071) en monteur printplaten (sbc-code: 267051). Eiser wordt voor deze functies met inachtneming van zijn beperkingen geschikt geacht. Met deze functies kan eiser volgens de arbeidsdeskundige een loon verdienen dat afgezet tegen zijn maatmanloon van teamleider schoonmaak een verlies aan verdiencapaciteit oplevert van 50,79%. Als reservefuncties zijn geduid de functie kassamedewerker, caissière (sbc-code: 317030) en productiemedewerker industrie (sbc-code: 111180).

5.2

De arbeidsdeskundige heeft ook aan de hand van de FML geldend per 29 september 2022 functies geduid waarvoor eiser naar zijn mening geschikt is te achten. Dat zijn de functies administratief medewerker, document scannen (sbc-code: 315133), medewerker binderij, grafisch nabewerker (sbc-code: 268030) en productiemedewerker industrie (sbc-code: 111180). Met deze functies kan eiser een loon verdienen dat, afgezet tegen zijn maatmanloon van teamleider schoonmaak, een verlies aan verdiencapaciteit oplevert van 72,22%. Als reservefunctie is geduid de functie kassamedewerker, caissière (sbc-code: 317030).

5.3.

De arbeidsdeskundige heeft in het kader van een eventueel recht op garantie-uitkering een aparte arbeidskundige beoordeling gemaakt per einde wachttijd, 31 oktober 2022. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen als maatmaninkomen de inkomsten vanuit de werkzaamheden bij [bedrijf 2]. Dit maatmanloon afgezet tegen het loon van de geduide functies levert per die datum een mate van arbeidsongeschiktheid op van meer dan 35%.

6. Verweerder heeft bij het primaire besluit 1 de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per 2 november 2020 vastgesteld op 50,79%, bij het primaire besluit 2 de mate van arbeidsongeschiktheid per 29 september 2022 vastgesteld op 72,22% en bij het primaire besluit 3 het WIA-maandloon per 31 oktober 2022 verhoogd, gebaseerd op het loon dat eiser verdiende bij [bedrijf 2].

7. Naar aanleiding van de door eiser tegen de primaire besluiten gemaakte bezwaren heeft de verzekeringsarts b&b onderzoek verricht. Hij heeft daarbij eiser medisch onderzocht op 3 december 2024 en dossierstudie verricht. De verzekeringsarts b&b heeft bij zijn onderzoek in het bijzonder gekeken naar de schouders, de beide ellebogen, de polsen/handen, de rug en de knieën. Ook heeft hij eiser psychisch onderzocht. De verzekeringsarts b&b heeft geconcludeerd dat de primaire arts een goed beeld heeft kunnen vormen van de medische situatie en dat in bezwaar niets naar voren is gebracht of overgelegd wat wijst op andere of meer beperkende problematiek. Bij eigen onderzoek komt de verzekeringsarts b&b tot vergelijkbare bevindingen als de primaire arts. Eiser is weliswaar inmiddels geopereerd aan de linkerarm, maar toename van de klachten werd pas na de data in geding gemeld en daarnaast heeft de primaire arts rekening gehouden met deze klachten. Verder is wel enige discrepantie tussen wat eiser qua ernst uit en wat objectief vastgesteld kan worden. Medisch objectief bezien zijn de afwijkingen relatief beperkt en staan ze aan het uitvoeren van fysiek niet te zware arbeid niet in de weg. Wat betreft de psychische klachten heeft de verzekeringsarts b&b opgemerkt dat bij het primaire onderzoek psychopathologie niet kon worden vastgesteld en dat de huisarts in de brief van 10 juli 2023 ook geen melding van duidelijk beperkende pathologie heeft gemaakt. In bezwaar is er geen reden daar anders over te denken, aldus de verzekeringsarts b&b.

8. De arbeidsdeskundige b&b heeft in haar rapport vermeld dat, anders dan de primaire arbeidsdeskundige heeft vastgesteld, de maatman van eiser de functie van heftruckchauffeur in een omvang van 52,26 uur per week is. Voorts is de arbeidsdeskundige b&b van mening dat eiser onverminderd geschikt is te achten voor alle geduide functies, behalve de reservefunctie van kassamedewerker, zowel per 2 november 2020 als per 29 september 2022. De wijziging van de maatman heeft tot gevolg dat van een ander maatmanloon moet worden uitgegaan en dit betekent dat eisers mate van arbeidsongeschiktheid per 2 november 2020 41,01% en per 29 september 2022 76,57% bedraagt.

9. Verweerder heeft bij de bestreden besluiten 1 en 2 de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per 2 november 2020 gewijzigd naar 41,01% en per 29 september 2022 gewijzigd naar 76,57%. Voorts heeft verweerder bij bestreden besluit 3 zich op het standpunt gesteld dat eiser vanaf 31 oktober 2023 recht heeft op een garantie-uitkering, omdat per die datum eisers maandloon op basis van het laatst door hem verrichte werk bij [bedrijf 2] hoger is dan het WIA-maandloon dat voor eiser gold bij herleving zijn WIA-uitkering. Verweerder heeft hierbij verwezen naar de rapporten van de verzekeringsarts b&b en de arbeidsdeskundige b&b.

Niet onderzocht door geregistreerde verzekeringsarts

10.1.

Eiser stelt dat hij op 27 juni 2023 medisch is onderzocht door een arts, maar dat deze arts geen verzekeringsarts is. Het rapport van de arts is weliswaar geaccordeerd door een verzekeringsarts, maar die heeft hem niet onderzocht. Daarmee is het medisch onderzoek onzorgvuldig geweest.

10.2

Dit betoog slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Gebleken is dat eiser na zijn bezwaar medisch is onderzocht door de verzekeringsarts b&b. Daarmee is het gebrek dat het primaire onderzoek niet door een geregistreerde verzekeringsarts is uitgevoerd hersteld. Het medisch onderzoek is dan ook zorgvuldig geweest.

De belastbaarheid en beperkingen per 2 november 2020 en 29 september 2022 in de bestreden besluiten 1 en 2

11. Eiser voert aan dat zowel per 2 november 2020 als 29 september 2022 ten onrechte geen beperkingen zijn gesteld als gevolg van zijn klachten aan de pols en handen, met tintelingen in zijn vingers. Hij is in november 2024 geopereerd aan de linkerpols en elleboog. Dit heeft tot vermindering van de klachten geleid, maar ten tijde van de datum in geding had hij veel last van zijn polsen en handen. Eind oktober 2022 heeft de neuroloog voor deze klachten medicatie voorgeschreven en geadviseerd om braces te dragen om beknelling te voorkomen. Volgens eiser moet er vanwege deze klachten in de FML beperkingen worden vastgesteld op de aspecten hand- en vingergebruik (4.3), werken met toetsenbord en/of muis (4.4) en schroefbewegingen met hand en arm (4.6).

Ter onderbouwing heeft eiser een rapport van een door hem ingeschakelde medisch adviseur, verzekeringsarts [verzekeringsarts 1], werkzaam bij Triage overgelegd. [verzekeringsarts 1] concludeert in zijn rapport dat eiser als gevolg van zijn klachten aan de polsen, handen en elleboog meer beperkt is in zijn belastbaarheid. Het gaat daarbij om de items frequent reiken tijdens het werk (4.8), werken met toetsenbord en/of muis (4.4), schroefbewegingen maken met hand en arm (4.6) en repetitieve hand/vingerbewegingen (4.3.8). Volgens [verzekeringsarts 1] was ten tijde van de data in geding sprake van een tenniselleboog. Dit blijkt uit het rapport van 18 maart 2016 van de verzekeringsarts [verzekeringsarts 2], waarin wordt opgetekend dat eiser een soort van tenniselleboog links had en bij lichamelijk onderzoek er bevindingen waren passend bij beginnende epicondylitis lateralis. Ook in het rapport van 14 augustus 2023 van de verzekeringsarts [verzekeringsarts 3] werd anamnestisch een tennisarm opgetekend en bij het lichamelijk onderzoek pijnprovocatie ter hoogte van de laterale epicondyl links. Ten aanzien van het carpaal tunnel syndroom (CTS) stelt [verzekeringsarts 1] verder dat eiser inmiddels ook weer linkerhand klachten blijkt te ervaren, die op basis van de onderzoeksbevindingen passend zijn bij een recidief CTS, ook rechts. CTS geeft deels dezelfde beperkingen, zoals repetitieve bewegingen of krachtig gebruik van de handen. Tot slot concludeert hij dat er geen bijkomende beperkingen gelden wat betreft de psychische belastbaarheid en dat voor een urenbeperking geen aanknopingspunten zijn.

12.1.

De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts b&b in reactie op het rapport van [verzekeringsarts 1] afdoende heeft gemotiveerd dat er geen reden is om voor de data in geding beperkingen aan te nemen op de items frequent reiken tijdens het werk, werken met toetsenbord en/of muis, schroefbewegingen maken met hand en arm en repetitieve hand- en vingerbewegingen. De ingreep aan de elleboog vond pas eind 2024, ruim na de data in geding plaats. Voordien waren de aanwijzingen voor een tenniselleboog gering. Er is geen enkele medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat de diagnose daadwerkelijk gesteld is. Ook de bevindingen bij de lichamelijke onderzoeken bij het Uwv wezen nimmer op een duidelijk beperkend elleboogprobleem. De verzekeringsarts b&b heeft daarom geen aanleiding om lichte polsbewegingen bij werken met toetsenbord en muis als te belastend aan te merken. Ten aanzien van de CTS blijkt uit de brief van de neuroloog van 20 oktober 2022 dat eiser in verband met tintelingen in de tenen en armen door de huisarts was verwezen, maar dat het onderzoek bij de neuroloog geen afwijkingen liet zien en dat een CTS niet kon worden bevestigd. Daarmee is er naar het oordeel van de rechtbank geen objectivering van CTS-klachten. [verzekeringsarts 1] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat eiser meer beperkt is verwezen naar de rapporten van de (verzekerings)artsen [verzekeringsarts 2] en [verzekeringsarts 3] van 22 maart 2016 respectievelijk 14 augustus 2023. Deze rapporten geven de rechtbank geen aanleiding te concluderen dat er eerder wel sprake was van geobjectiveerde elleboogklachten en CTS. [verzekeringsarts 2] geeft in zijn rapport weliswaar aan dat eiser elleboogklachten heeft, maar dit betreft slechts de anamnese en niet een diagnose die door [verzekeringsarts 2] is gesteld. Deze door eiser genoemde klachten hebben destijds ook niet geleid tot beperkingen hiervoor in de FML van 18 maart 2016. In het rapport van primaire arts [verzekeringsarts 3] wordt weliswaar als bevinding bij het lichamelijk onderzoek pijnprovocatie vermeld, maar dit betreft een medisch onderzoek ruim na de data in geding en geeft onvoldoende aanleiding voor de conclusie dat op de data in geding sprake was van een tenniselleboog.

12.2

De verzekeringsarts b&b heeft in het rapport van [verzekeringsarts 1] aanleiding gezien alsnog een lichte beperking aan te nemen ten aanzien van het maken van schroefbewegingen (4.6). De rechtbank stelt vast dat zowel in de FML van 2 november 2020 als die van 29 september 2022 op dit item geen beperking is aangenomen, zodat op dit punt de medische beoordeling te kort is geschoten en de bestreden besluiten 1 en 2 een motiveringsgebrek kennen.

12.3.

Eiser voert voorts aan dat gezien zijn klachten ook rekening moet worden gehouden met afwisseling van houding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts b&b afdoende gemotiveerd dat de FML in enige afwisseling van houding voorziet, dat er geen specifieke aandoening van het bewegingsapparaat is en dat het niet nodig is om afwisseling van houding nader vast te leggen.

12.4.

Eiser heeft zijn stelling dat een urenbeperking is geïndiceerd vanwege energetische beperkingen en preventieve gronden ter zitting laten vallen.

Arbeidskundige gronden ten aanzien van de bestreden besluiten 1 en 2

13.1.

Eiser voert voorts aan dat met betrekking tot de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 2 november 2020 verweerder ten onrechte de reductiefactor niet heeft aangepast als gevolg van de wijziging van de maatman.

13.2.

De rechtbank stelt vast dat de arbeidskundige b&b in beroep heeft erkend dat de reductiefactor ten onrechte niet is toegepast. Met inachtneming van de maatmanomvang van 52,26 uur per week bedraagt de mate van arbeidsongeschiktheid per 2 november 2020 57,09%. Nu over de toe te passen reductiefactor geen geschil bestaat, ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien en eisers mate van arbeidsongeschiktheid per die datum te bepalen op 57,09%.

14.1.

Met betrekking tot de mate van arbeidsongeschiktheid per 29 september 2022 heeft eiser gesteld dat hij ongeschikt is om de geduide functie van administratief medewerker (sbc-code: 315133) te verrichten omdat in deze functie computervaardigheden en typevaardigheden zijn vereist en hij hierover niet beschikt. Ook moeten in deze functie Nederlandse teksten worden geschreven. Deze vaardigheid bezit hij evenmin.

14.2.

De rechtbank overweegt dat eiser basisonderwijs heeft afgerond en enkele jaren LTS heeft gevolgd. Daarmee beschikt hij over opleidingsniveau 2. Blijkens de arbeidsmogelijkhedenlijst geldt voor de functie van administratief medewerker opleidingsniveau 2, getuigschrift basisonderwijs en eventueel meerdere jaren vervolgonderwijs zonder diploma of andere opleidingen op dit niveau. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet eiser hier aan. Verder is inhoudelijk gebleken dat het in deze functie gaat om eenvoudige taken, namelijk het intikken van een onderwerpregel en het invoeren van een adres in een computer. Daar moet eiser gezien zijn opleiding toe in staat zijn.

15. De arbeidsdeskundige b&b heeft naar aanleiding van de conclusie van de verzekeringsarts b&b dat eiser licht beperkt is ten aanzien van het maken van schroefbewegingen beoordeeld of de geduide functies nog passend zijn. Haar conclusie is dat alle functies per 2 november 2020 en per 29 september 2022 met inachtneming van deze extra beperking geschikt zijn te achten.

16. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser geschikt is te achten voor de geduide functies per 2 november 20202 en per 29 september 2022. Met het loon dat eiser met die functies kan verdienen is zijn mate van arbeidsongeschiktheid per 2 november 2020 en 29 september 2022 correct vastgesteld op 57,09% respectievelijk 76,57%.

Bestreden besluit 3

17.1.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser recht heeft op een garantie-uitkering omdat zijn WIA-maandloon op basis van het laatst verrichte werk bij [bedrijf 2] hoger is dan het WIA-maandloon dat voor hem gold bij herleving van zijn WIA-uitkering. Bij het primaire besluit heeft verweerder de ingangsdatum hiervoor vastgesteld op 31 oktober 2022. Bij het bestreden besluit 3 heeft verweerder 31 oktober 2023 als ingangsdatum genomen.

17.2.

De rechtbank stelt vast dat verweerder op de zitting heeft erkend dat in bezwaar ten onrechte een arbeidskundige heroverweging per 31 oktober 2022 heeft plaatsgevonden en dat ten onrechte een arbeidsongeschiktheidspercentage in bestreden besluit 3 is opgenomen.

17.3.

Eiser voert aan dat de ingangsdatum bij het bestreden besluit 3 onjuist is vastgesteld op 31 oktober 2023. Dit moet 31 oktober 2022 zijn. Verweerder heeft erkend dat de datum in de beslissing op bezwaar onjuist is en dat 31 oktober 2022 de juiste datum is. Nu partijen het er over eens zijn dat de ingangsdatum 31 oktober 2022 moet zijn, ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien door deze datum als ingangsdatum vast te stellen.

Conclusie en gevolgen

18.1.

Het beroep gericht tegen bestreden besluit 1 is gegrond voorzover dit ziet op de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid. Het bestreden besluit 1 wordt vernietigd in zoverre. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb neemt de rechtbank nu zelf een beslissing en bepaalt zij dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 2 november 2020 57,09% bedraagt. Voorts is in de FML ten onrechte geen beperking opgenomen op het punt van schroefbeweging, zodat het bestreden besluit op dit punt een gebrek kent. Echter, nu eiser met inachtneming van deze beperking de geduide functies kan verrichten en niet aannemelijk is dat eiser door het gebrek is benadeeld, ziet de rechtbank aanleiding met toepassing van 6:22 van de Awb dit gebrek te passeren.

18.2.

Het beroep gericht tegen bestreden besluit 2 is ongegrond. Ook ten aanzien van dit besluit geldt dat dit gebrekkig tot stand is gekomen omdat in de FML ten onrechte geen beperking is opgenomen op het punt van schroefbeweging. Omdat eiser niettemin de geduide functies kan verrichten en door het gebrek niet is benadeeld, ziet de rechtbank ook hier aanleiding met toepassing van 6:22 van de Awb dit gebrek te passeren. Verweerder moet wel het griffierecht aan eiser vergoeden.

18.3.

Het beroep gericht tegen bestreden besluit 3 is gegrond voorzover dit ziet op de ingangsdatum. Het bestreden besluit 3 wordt daarom vernietigd. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb neemt de rechtbank nu zelf een beslissing en bepaalt zij dat de ingangsdatum van de garantie-uitkering wordt vastgesteld op 31 oktober 2022.

19.1

Omdat het beroep tegen de bestreden besluiten 1 en 3 gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.

19.2.

Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft één beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

19.3.

Eiser heeft een nota overlegd van de door hem ingeschakelde [verzekeringsarts 1], een bedrag van € 1.512,50. Deze nota dient door verweerder te worden vergoed, nu dit rapport aanleiding is geweest om een extra beperking op het punt van schroefbeweging in de FML aan te nemen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit I gegrond;

- vernietigt het besluit van 4 maart 2025 voor zover daarin de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 41,01%;

- herroept het primaire besluit 1 van 29 september 2023;

- bepaalt dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 2 november 2020 57,09% bedraagt en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit;

- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit 2 ongegrond;

- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit 3 gegrond;

- vernietigt het besluit van 4 maart 2025 voor zover het betreft de ingangsdatum van 31 oktober 2023;

- bepaalt de ingangsdatum van de garantie-uitkering op 31 oktober 2022 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van (3 x € 51,-=) € 153,- aan eiser moet vergoeden;

- veroordeelt verweerder tot betaling van (€ 1.868,- + € 1512,50 =) € 3.380,50 aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026.

griffierrechter

De griffier is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.