Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 30 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21696Zaaknummer NL26.38829 & NL26.38830
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 30 juli 2026
- Publicatiedatum
- 4 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL26.38829 & NL26.38830
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
mondelinge uitspraak, AMB-verordening, Duitsland, zorgvuldigheid procedure, toetsingskader artikel 43, eerste lid, van de AMB-verordening, beroep ongegrond, voorlopige voorziening afgewezen.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep in de zaak met nummer NL26.38829 ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek in de zaak met nummer NL26.38830 niet-ontvankelijk.
Overwegingen
1. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026[_a05aa938-99c4-4b0f-84bf-f4576cb23793] gelden de regels die zijn neergelegd in de AMB-verordening.[_ba95166d-0dbb-459b-a3d9-d7a7b1684f7a] Die regels zijn voor eiser van toepassing, omdat hij zijn asielaanvraag op 13 juni 2026 heeft ingediend.
2. Op grond van de AMB-verordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.[_c7915224-565c-4262-97d3-1f38924a979e] In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 18 juni 2026 een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 24 juni 2026 op grond van artikel 13 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 aanvaard.
3. Eiser voert daartegen aan dat verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel een beslissing heeft genomen op de asielaanvraag van eiser. De start van de behandeling van asielaanvragen vanaf 12 juni 2026 verliep zeer moeizaam. Er was sprake van een storing als gevolg waarvan aan asielzoekers geen uitnodiging is verstrekt over het verloop van de procedure. Eiser heeft hierdoor geen kans gehad om zich te laten voorlichten of zijn bezwaren kenbaar te maken. Het is onduidelijk of de brief van verweerder van 17 juni 2026, waarin eiser de gelegenheid krijgt te reageren op het bericht van verweerder dat de asielaanvraag van eiser in de AMB-procedure wordt behandeld, daadwerkelijk heeft bereikt. Eiser is dus onvoldoende in de gelegenheid gesteld om aan te geven of hij bezwaren heeft zodat verweerder niet kan oordelen dat er geen reden is om af te wijken van de AMB-verordening. Ter zitting heeft eiser een beroep gedaan op artikel 43, eerste lid, onder a, van de AMB-verordening. Hij vindt namelijk dat bij overdracht een schending van artikel 3 van het EVRM[_86f729df-1f95-4eb6-9998-260574d33261] dreigt. Het bestreden besluit is volgens eiser daarom onzorgvuldig genomen.
4. Uit artikel 43, eerste lid, van de AMB-verordening volgt dat de draagwijdte van het rechtsmiddel beroep is beperkt tot een beoordeling of:a) de overdracht voor de betrokken persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zou inhouden in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten;
b) er sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening;
c) inbreuk is gemaakt op de artikelen 25 tot en met 28 en artikel 34, in het geval van op grond van artikel 36, lid 1, punt a), overgenomen personen.
5. De rechtbank stelt vast dat na het bestreden besluit contact, direct dan wel indirect, tussen eiser en zijn gemachtigde is geweest. Eiser heeft dus de gelegenheid gehad om kennis te nemen van het bestreden besluit en zich uit te laten over het bestreden besluit en de mogelijke risico’s op schending van artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft zijn beroep op artikel 3 van het EVRM niet onderbouwd, hoewel hij hiertoe wel de mogelijkheid had. De beoordeling van de rechtbank is verder gelet op artikel 43, eerste lid, van de AMB-verordening beperkt tot de onderdelen a tot en met c van dat artikel. De beroepsgrond van eiser over de zorgvuldigheid van de procedure voorafgaand aan het nemen van het overdrachtsbesluit valt daar niet onder. De rechtbank velt daar dan ook geen oordeel over.
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt, dat verweerder zijn asielaanvraag niet in behandeling hoeft te nemen en eiser terecht wordt overgedragen aan Duitsland. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
7. Nu er uitspraak wordt gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit[_23b64b73-d164-4211-9247-fd65a20f346a] wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen de uitspraak in beroep met zaaknummer NL26.38829 kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen twee weken na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Tegen de uitspraak op de voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.38830 staat geen rechtsmiddel open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.38829 en NL26.38830
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser], eiser/verzoeker (hierna eiser)
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. H.E. Visscher),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. E.E.G.N. van der Meulen).
Procesverloop
Bij het besluit van 6 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Duitsland hiervoor verantwoordelijk is.[_6da37511-dcb4-46eb-9351-0e5e17917b43]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft eiser verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.38830, op 30 juli 2026 in Breda op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich beiden laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Na afloop van de behandeling van de zaken heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep in de zaak met nummer NL26.38829 ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek in de zaak met nummer NL26.38830 niet-ontvankelijk.
Overwegingen
1. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026[_a05aa938-99c4-4b0f-84bf-f4576cb23793] gelden de regels die zijn neergelegd in de AMB-verordening.[_ba95166d-0dbb-459b-a3d9-d7a7b1684f7a] Die regels zijn voor eiser van toepassing, omdat hij zijn asielaanvraag op 13 juni 2026 heeft ingediend.
2. Op grond van de AMB-verordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.[_c7915224-565c-4262-97d3-1f38924a979e] In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 18 juni 2026 een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 24 juni 2026 op grond van artikel 13 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 aanvaard.
3. Eiser voert daartegen aan dat verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel een beslissing heeft genomen op de asielaanvraag van eiser. De start van de behandeling van asielaanvragen vanaf 12 juni 2026 verliep zeer moeizaam. Er was sprake van een storing als gevolg waarvan aan asielzoekers geen uitnodiging is verstrekt over het verloop van de procedure. Eiser heeft hierdoor geen kans gehad om zich te laten voorlichten of zijn bezwaren kenbaar te maken. Het is onduidelijk of de brief van verweerder van 17 juni 2026, waarin eiser de gelegenheid krijgt te reageren op het bericht van verweerder dat de asielaanvraag van eiser in de AMB-procedure wordt behandeld, daadwerkelijk heeft bereikt. Eiser is dus onvoldoende in de gelegenheid gesteld om aan te geven of hij bezwaren heeft zodat verweerder niet kan oordelen dat er geen reden is om af te wijken van de AMB-verordening. Ter zitting heeft eiser een beroep gedaan op artikel 43, eerste lid, onder a, van de AMB-verordening. Hij vindt namelijk dat bij overdracht een schending van artikel 3 van het EVRM[_86f729df-1f95-4eb6-9998-260574d33261] dreigt. Het bestreden besluit is volgens eiser daarom onzorgvuldig genomen.
4. Uit artikel 43, eerste lid, van de AMB-verordening volgt dat de draagwijdte van het rechtsmiddel beroep is beperkt tot een beoordeling of:a) de overdracht voor de betrokken persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zou inhouden in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten;
b) er sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening;
c) inbreuk is gemaakt op de artikelen 25 tot en met 28 en artikel 34, in het geval van op grond van artikel 36, lid 1, punt a), overgenomen personen.
5. De rechtbank stelt vast dat na het bestreden besluit contact, direct dan wel indirect, tussen eiser en zijn gemachtigde is geweest. Eiser heeft dus de gelegenheid gehad om kennis te nemen van het bestreden besluit en zich uit te laten over het bestreden besluit en de mogelijke risico’s op schending van artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft zijn beroep op artikel 3 van het EVRM niet onderbouwd, hoewel hij hiertoe wel de mogelijkheid had. De beoordeling van de rechtbank is verder gelet op artikel 43, eerste lid, van de AMB-verordening beperkt tot de onderdelen a tot en met c van dat artikel. De beroepsgrond van eiser over de zorgvuldigheid van de procedure voorafgaand aan het nemen van het overdrachtsbesluit valt daar niet onder. De rechtbank velt daar dan ook geen oordeel over.
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt, dat verweerder zijn asielaanvraag niet in behandeling hoeft te nemen en eiser terecht wordt overgedragen aan Duitsland. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
7. Nu er uitspraak wordt gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit[_23b64b73-d164-4211-9247-fd65a20f346a] wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen de uitspraak in beroep met zaaknummer NL26.38829 kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen twee weken na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Tegen de uitspraak op de voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.38830 staat geen rechtsmiddel open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.