Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 31 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21694Zaaknummer NL26.40989
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 31 juli 2026
- Publicatiedatum
- 4 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL26.40989
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Asiel. Migratiepact. Overdracht aan Bulgarije. Medische omstandigheden. Beroep kennelijk ongegrond.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 31 juli 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.40989
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.B. Hemeltjen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
In het besluit van 14 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2005 en de Iraakse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 19 juni 2026 asiel aangevraagd in Nederland. Dit brengt mee dat op deze zaak het nieuwe Europese asiel- en migratiepact van toepassing is.
2. Uit het Eurodac-systeem is gebleken dat eiser op 20 mei 2026 al asiel heeft aangevraagd in Bulgarije. Verweerder heeft de autoriteiten van Bulgarije hiervan kennisgegeven. Zij hebben de ontvangst daarvan bevestigd. Vervolgens heeft verweerder in het bestreden besluit eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zoals die luidt met ingang van 12 juni 2026, omdat Bulgarije daarvoor verantwoordelijk is op grond van artikel 36, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening (EU) 2024/1351 (Asiel- en migratiebeheerverordening, hierna: AMBV).
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder ten onrechte een claim op Bulgarije heeft gelegd omdat hij ook door Frankrijk is gereisd en daar bekend is. Daarnaast voert hij aan dat hij ernstige mentale problemen heeft, dat overdracht naar Bulgarije onomkeerbare gevolgen zal hebben voor zijn gezondheid en dat hij vreest in Bulgarije niet de noodzakelijke medische hulp te zullen krijgen. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een medisch journaal van 29 juni 2026 overgelegd.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. In artikel 43, eerste lid, van de AMBV is de draagwijdte van dit beroep bepaald. Hieruit volgt dat de rechtbank niet kan ingaan op de stelling van eiser dat verweerder ten onrechte een kennisgeving naar Bulgarije heeft verzonden. De rechtbank kan wel ingaan op de beroepsgrond over eisers gezondheidsproblemen, omdat dit mogelijk raakt aan het verbod op onmenselijke behandeling van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
5. Uit het door eiser overgelegde medisch journaal blijkt dat hij heeft aangegeven dat hij zich somber voelt, dat hij veel piekert en dat hij suïcidale neigingen krijgt bij de gedachte aan terugkeer naar Bulgarije. Ook heeft eiser aangegeven dat hij in Frankrijk onder behandeling stond van een psycholoog en dat hij tot voor kort medicijnen gebruikte. Hieruit kan de rechtbank niet afleiden dat de overdracht aan Bulgarije op zichzelf zal leiden tot ernstige en onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheid zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 in de zaak CK (ECLI:EU:C:2017:127). Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat Bulgarije niet beschikt over de voor hem noodzakelijke medische voorzieningen, dan wel dat Bulgarije niet bereid is om deze aan hem te verstrekken.
6. De conclusie is dat het beroep kennelijk ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit van 14 juli 2026 in stand blijft.
7. Er is om die reden geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 31 juli 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.