Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 13 juli 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:21649Zaaknummer NL26.37492

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
17 augustus 2026
Zaaknummer
NL26.37492
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

bewaring, vervolgberoep, zicht op uitzetting en voortvarend handelen, ongegrond.

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , eiser
  2. Procesverloop
  3. Overwegingen
  4. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.37492

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A. Agayev),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 13 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 10 juli 2026 gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij de voortduring van deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 28 mei 2026 (in de zaak NL26.27635) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 22 mei 2026. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 22 mei 2026 tot 10 juli 2026.

Zicht op uitzetting en voortvarend handelen

3. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting en dat zicht op uitzetting naar India op korte termijn ontbreekt. Hoewel deze beroepsgronden niet nader zijn gemotiveerd, oordeelt de rechtbank als volgt.

4. De rechtbank stelt vast dat het ontbreken van het zicht op uitzetting naar India eerder is aangevoerd en beoordeeld in de beroepen die hebben geleid tot de uitspraken van 29 april 2026 en 28 mei 2026. De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverweging 7 van de uitspraak van de uitspraak van 29 april 2026 en naar rechtsoverweging 6 van de uitspraak van 28 mei 2026. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn in de te toetsen periode ontbreekt. Verweerder heeft op 4 juni 2026 en 26 juni 2026 schriftelijk gerappelleerd bij de Indiase autoriteiten in verband met de op 17 april 2026 ingediende laissez-passer (lp) aanvraag. Er zijn geen aanknopingspunten dat India in het algemeen weigert lp’s te verstrekken, noch heeft eiser dit concreet gemaakt of onderbouwd. Bovendien duurt het lp-traject op dit moment nog niet zo lang dat daaruit moet worden afgeleid dat geen lp voor eiser zal worden afgegeven.

5. Uit het voortgangsrapport volgt verder dat verweerder op 17 juni 2026 een vertrekgesprek heeft gevoerd met eiser. De rechtbank is daarmee van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting.

6. De beroepsgronden slagen niet.

Ambtshalve toetsing

7. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.