Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 31 juli 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:21619Zaaknummer NL26.40796

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31 juli 2026
Publicatiedatum
3 augustus 2026
Zaaknummer
NL26.40796
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bewaring – artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw – grondslag – beroep ongegrond.

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

31 juli 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.40796

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Habib-Portier),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. W. Vrooman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.[_4237fe7e-8871-466b-a890-986b7c1b3726]

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

1.2.

In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:

  • Vw: Vreemdelingenwet 2000
  • Vb: Vreemdelingenbesluit 2000

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 20 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

2.1.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.[_6b22340d-738a-49e3-901c-92964404a878]

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 27 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, D.V. Dimitrova als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.[_87bbffd9-d79e-4827-b196-c2db11840760] De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.[_97541303-1d0e-4ac1-b11b-4a096a196431] Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.[_cba8efbc-dec6-40f6-8a99-70f826469137] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.[_65b52449-d8b0-415c-b1c8-8b3c303ccd57]

Onrechtmatigheid van de maatregel (grondslag)

4. Eiser stelt dat de maatregel van begin af aan onrechtmatig is, omdat de minister geen nieuw verwijderingsbesluit heeft genomen en er daarom geen grond is voor de inbewaringstelling. Hiertoe voert eiser aan dat hij vorig jaar is uitgezet en daarna ruim negen maanden is weggebleven. Uit dit tijdsverloop valt volgens eiser op te maken dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief beëindigd heeft waardoor de minister een nieuw verwijderingsbesluit had moeten nemen om eiser rechtmatig de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw op te mogen leggen.

5. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest F.S. van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 22 juni 2021[_ec4ebdc6-9a2d-4608-957a-ee9328611a80] volgt dat een Unieburger ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen alleen opnieuw verblijfsrecht op het grondgebied van het gastland verkrijgt wanneer hij zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Het enkele fysieke vertrek volstaat niet. Hoe langer de afwezigheid van de Unieburger van het grondgebied van het gastland, hoe meer daaruit blijkt dat het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Daarnaast zijn alle elementen waaruit blijkt dat de Unieburger zijn banden met het gastland heeft verbroken van belang. Ten slotte is van belang of een Unieburger bestendig heeft verbleven op het grondgebied van een andere lidstaat dan de gastlidstaat dat het verwijderingsbesluit heeft genomen.

6. De rechtbank stelt vast dat het rechtmatig verblijf van eiser in Nederland als EU-onderdaan bij besluit van 20 mei 2025 is beëindigd en dat dit besluit op 30 mei 2025 aan eiser in persoon uitgereikt. Niet is gesteld of gebleken dat tegen dit besluit rechtsmiddelen zijn aangewend, zodat dit besluit formele rechtskracht heeft. Eiser is vervolgens op 26 augustus 2025 uitgezet.

7. De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en hiermee gevolg heeft gegeven aan het verwijderingsbesluit van 20 mei 2025. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij buiten Nederland een bestendig bestaan heeft opgebouwd en dit heeft hij op geen enkele wijze aangetoond. Het enkele tijdsverloop tussen de uitzetting van eiser op 26 augustus 2025 en het opnieuw aantreffen van eiser in Nederland op 17 juli 2026, is onvoldoende voor het oordeel dat hij in de tussenliggende periode zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief beëindigd heeft dan wel elders een bestendig bestaan heeft opgebouwd. Tijdens het gehoor op 20 juli 2026, voorafgaande aan de oplegging van de maatregel, heeft eiser verklaard in Bulgarije op straat te hebben geleefd en te hebben gestolen. Eiser heeft zowel zijn gestelde verblijf in Bulgarije, als eventuele pogingen om daar een bestendig verblijf op te bouwen, niet met documenten onderbouwd. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat sprake is van een materiële wijziging van omstandigheden van zijn verblijf in Nederland ten opzichte van de periode tot 26 augustus 2025. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verwijderingsbesluit van 20 mei 2025 nog geldig is, zodat de minister niet gehouden was een nieuw verwijderingsbesluit te nemen alvorens eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op te leggen. Eiser verbleef op het moment van inbewaringstelling dus niet rechtmatig in Nederland en aan hem mocht dan ook de maatregel van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw worden opgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

8. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat een onderduikrisico bestaat.

8.1.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

9. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van vreemdelingenbewaring niet zijn betwist. De rechtbank oordeelt dat de gronden feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn om een onderduikrisico aan te nemen en daarmee de maatregel van vreemdelingenbewaring te kunnen dragen.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

10. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.[_abd37744-f517-47ad-a696-5a42cb91808f]

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

31 juli 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.