Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 30 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21614Zaaknummer NL26.40687
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 30 juli 2026
- Publicatiedatum
- 3 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL26.40687
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bewaring - artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw – grondslag – lichter middel – beroep ongegrond.
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 juli 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.40687
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. H. Loth),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. W. Vrooman).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.[_a520ea93-3985-418a-a69a-eb36f230a6c9]
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:
- Vw: Vreemdelingenwet 2000
- Vb: Vreemdelingenbesluit 2000
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 18 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.[_8de8edc9-c49a-4aab-9d85-8d511976c79c]
De rechtbank heeft het beroep op 27 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, I.M. de Groot-Silkora als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.[_cd548c2f-6c72-433c-a16e-3ed8ad19a193] De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.[_5eb78d96-edb1-412b-b7d0-c62a0f634ab4] Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.[_3433b3d7-7c87-401e-96af-c703460cb52a] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.[_bfa0e3f6-2fe7-433d-b909-fab5c796b3ec]
Onrechtmatigheid van de maatregel (grondslag)
4. Eiser stelt dat de maatregel van begin af aan onrechtmatig is, omdat er geen grond is voor de inbewaringstelling. Hij stelt dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en ten tijde van de inbewaringstelling rechtmatig in Nederland verbleef. Hiertoe voert eiser aan dat hij geruime tijd in België is geweest en werd geholpen door een opvanginstantie in [plaats]. Dit volgt onder meer uit het feit dat eiser tussen 16 februari 2026 en 12 juni 2026 geen geregistreerde antecedenten in Nederland heeft. Omdat hij in België dakloos was, moet volgens eiser op een bijzondere manier worden gekeken naar zijn situatie. Hij kan niet door middel van bijvoorbeeld een huur- of arbeidsovereenkomst aantonen dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en een bestendig bestaan in België heeft opgebouwd. Ter onderbouwing van zijn standpunt overlegt eiser stukken van de stichting [naam], waaruit volgt dat hij bekend is bij deze stichting in [plaats]. Hieruit moet volgens eiser worden geconcludeerd dat hij gevolg heeft gegeven aan het verwijderingsbesluit en wordt geholpen bij het opbouwen van een bestaan in België. Hierdoor geldt opnieuw een vrije termijn voor verblijf in Nederland. Verder voert eiser nog aan dat hij in België werk had waarbij hij stelt dat hij sociale werkzaamheden verrichtte en hier voedsel voor terugkreeg.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest F.S. van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 22 juni 2021[_ca112ffb-4bcc-4bc7-9994-f26652ca2cf9] volgt dat een Unieburger ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen alleen opnieuw verblijfsrecht op het grondgebied van het gastland verkrijgt wanneer hij zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Het enkele fysieke vertrek volstaat niet. Hoe langer de afwezigheid van de Unieburger van het grondgebied van het gastland, hoe meer daaruit blijkt dat het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Daarnaast zijn alle elementen waaruit blijkt dat de Unieburger zijn banden met het gastland heeft verbroken van belang. Ten slotte is van belang of een Unieburger bestendig heeft verbleven op het grondgebied van een andere lidstaat dan de gastlidstaat dat het verwijderingsbesluit heeft genomen.
6. De rechtbank stelt vast dat het rechtmatig verblijf van eiser in Nederland als EU-onderdaan bij besluit van 13 mei 2025 is beëindigd. Bij besluit van 17 februari 2026 is een daartegen gericht bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en hiermee gevolg heeft gegeven aan het verwijderingsbesluit. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij buiten Nederland een bestendig bestaan heeft opgebouwd en dit heeft hij op geen enkele wijze aangetoond. De enkele stelling dat hij een half jaar geleden naar België is gegaan en sinds een maand terug is in Nederland, is onvoldoende voor het oordeel dat hieruit te concluderen is dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief beëindigd heeft. Ook de enkele stelling dat hij in België zwart heeft gewerkt is hiervoor niet voldoende. Hetzelfde geldt voor de stelling dat eiser langere tijd niet in aanraking is geweest met de Nederlandse justitie, nu dit op zichzelf niet tot de conclusie kan leiden dat daaruit blijkt dat hij in die periode niet in Nederland verbleef. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verwijderingsbesluit nog geldig is, zodat eiser op het moment van inbewaringstelling niet rechtmatig in Nederland verbleef en aan hem de maatregel van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw mocht worden opgelegd. De overgelegde stukken van stichting [naam] geven geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
7. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
8. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van vreemdelingenbewaring niet zijn betwist. De rechtbank oordeelt dat de gronden feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn om een onderduikrisico aan te nemen en daarmee de maatregel van vreemdelingenbewaring te kunnen dragen.
Lichter middel
9. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring. Hiertoe voert eiser aan dat hij heeft aangegeven dat hij vrijwillig en zelfstandig uit Nederland wil vertrekken om naar België te gaan. Eiser beschikt over € 30,- en kan hiermee een ticket voor de Flixbus naar België aanschaffen. In de maatregel heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom aan eiser geen lichter middel kan worden opgelegd, zodat hij zelfstandig naar België kan vertrekken. In de maatregel zijn enkel standaardoverwegingen opgenomen.
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende individueel heeft gemotiveerd dat niet kon worden volstaan met het opleggen van een lichter middel. Allereerst blijkt uit de gronden van de maatregel en de motivering daarvan dat een onderduikrisico bestaat. Hierbij wijst de rechtbank er onder meer op dat eiser niet over reis- of identiteitsdocumenten beschikt, niet ingeschreven staat in het BRP en niet over voldoende middelen van bestaan beschikt. Voorts heeft de minister in de maatregel vermeld dat eiser zijn verblijf in België ook niet heeft benut om verandering in zijn situatie te brengen. Hij heeft ervoor gekozen om een dakloos en onbemiddeld bestaan te leiden in Nederland en België. De stelling van eiser dat hij zelfstandig wil terugkeren naar België geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, nu eiser geen documenten heeft om op rechtmatige wijze naar België te reizen. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
11. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.[_43256eb7-93f9-4362-8ec8-05c7956f7edf]
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 juli 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.