Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 27 juli 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:21603Zaaknummer NL26.38369

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27 juli 2026
Publicatiedatum
3 augustus 2026
Zaaknummer
NL26.38369
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak
Zittingsplaats
Roermond
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

AMBV Zwitserland – de gemachtigde van eiser heeft het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken. Hij verschijnt niet ter zitting omdat hij, zoals hij tijdens het telefoongesprek vanuit de zittingszaal zegt, in de veronderstelling verkeerde het beroep ook te hebben ingetrokken. Omdat de gemachtigde het beroep niet alsnog intrekt, doet de rechtbank uitspraak. De rechtbank verzoekt gemachtigde een iets minder lakse proceshouding aan te nemen. De beroepsgrond dat eiser door het overdrachtsbesluit de Unie moet verlaten en daardoor wordt gescheiden van zijn (zwangere) vriendin slaagt niet. Indien de Zwitserse autoriteiten eiser een terugkeerverplichting hebben opgelegd, dan wel gaan opleggen en uitvoeren, dient eiser daarover te klagen bij de Zwitserse autoriteiten indien hij meent dat dit een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn familieleven vormt. Voor zover eiser meent dat het onevenredig hard is van verweerder om de asielaanvraag niet aan zich te trekken, wijst de rechtbank er op dat eiser zijn beide asielaanvragen heeft ingetrokken. De ‘Chavez-aanvraag’ van eiser is inmiddels ook afgewezen en in de bewaringsprocedure als misbruik van recht gekwalificeerd. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat het beginsel van non-refoulement niet aan de overdracht in de weg staat. De AMBV roept onder meer ten aanzien van de omvang van het rechtsmiddel fundamentele vragen op. Het ambtshalve aan de orde stellen van deze vragen kan echter beter plaatsvinden in een procedure die op tegenspraak wordt gevoerd. De rechtbank laat deze vragen dan ook onbesproken. Beroep ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank merkt allereerst op dat het storend is dat de gemachtigde niet verschijnt zonder dit op voorhand mee te delen en een beroep indient en handhaaft terwijl een uitspraak van de rechtbank kennelijk niet meer relevant werd geacht. De gemachtigde weet dat niet alleen advocaten, maar ook procesvertegenwoordigers, griffiers en rechters thans een stevige werkdruk ervaren in het asielrecht. Indien de gemachtigde eerder te kennen zou hebben gegeven dat eiser geen prijs meer stelt op de behandeling van zijn beroep, was welllicht voorkomen dat de andere professioneel betrokkenen in deze procedure het dossier tevergeefs zouden bestuderen. De gemachtigde weet ook dat de zittingsruimte bij de rechtbank schaars is en weet dat de rechtbank de behandeling van dit beroep met voorrang en in aanvulling op de bewaringszitting behandelt zodat eiser zo spoedig mogelijk een rechtmatigheidsbeoordeling van het overdrachtsbesluit verkrijgt en de bewaring die strekt ter fine van de overdracht zo kort mogelijk duurt. De rechtbank verzoekt gemachtigde van eiser zich in het vervolg hiervan te vergewissen bij het indienen van beroep, het handhaven hiervan als het belang komt te ontvallen en bij het verzoeken om een spoed- of versnelde behandeling. De gemachtigde heeft tijdens het telefoongesprek aangegeven het niet zinnig te vinden om het beroep alsnog in te trekken. Dit betekent dat de rechtbank uitspraak moet doen en de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit moet controleren. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

2. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2000 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.

3. Eiser heeft op 6 januari 2026 en op 17 mei 2026 een asielaanvraag ingediend en beide aanvragen op 20 mei 2026 ingetrokken. Verweerder heeft op 21 mei 2026 een overdrachtsbesluit vastgesteld en dit overdrachtsbesluit op 10 juni 2026 uitgevoerd en eiser overgedragen aan Zwitserland.

4. Eiser is teruggekeerd naar Nederland en is op 30 juni 2026 staande gehouden en vervolgens in bewaring gesteld.

5. Op 6 juli 2026 is wederom een claimakkoord met de Zwitserse autoriteiten tot stand gekomen. Verweerder heeft op 9 juli 2026 een overdrachtsbesluit vastgesteld. In de onderhavige procedure beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van dit overdrachtsbesluit omdat eiser hiertegen een rechtsmiddel heeft aangewend.

6. Eiser wordt thans in bewaring gehouden om de voorbereiding en uitvoering van dit overdrachtsbesluit uit te voeren. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraak van 17 juli 2026 geoordeeld dat de oplegging van de bewaringsmaatregel rechtmatig is (ECLI:NL:RBLIM:2026:7231, niet gepubliceerd maar bij beide partijen bekend).

7. Eiser heeft in zijn beroepschrift gesteld dat de overdracht onevenredig is omdat hij een zwangere partner in Nederland heeft en hij door dit besluit gedwongen wordt om de Unie te verlaten en dat op grond van de Chavez-rechtspraak verboden is.

8. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Een overdrachtsbesluit strekt tot overdracht aan een andere lidstaat en niet tot verwijdering uit de Unie. Indien de Zwitserse autoriteiten eiser een terugkeerverplichting hebben opgelegd, dan wel gaan opleggen en uitvoeren, dient eiser daarover te klagen bij de Zwitserse autoriteiten indien hij meent dat dit een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn familieleven vormt. Voor zover eiser meent dat het onevenredig hard is van verweerder om de asielaanvraag niet aan zich te trekken, wijst de rechtbank er op dat eiser zijn asielaanvragen heeft ingetrokken en verweerder dus niet hoeft te beoordelen of hij een aanvraag zelf wil behandelen. Dat het nemen van dit overdrachtsbesluit onevenredig is volgt de rechtbank niet. De AMbV schrijft voor dat één lidstaat verantwoordelijk is voor – in wezen- een derdelander. Nederland is niet verantwoordelijk voor eiser en verweerder zal, naar de rechtbank aanneemt, geen enkele aanleiding zien om om proceseconomische redenen de terugkeer van eiser, die illegaal in de Unie verblijft en in meerdere lidstaten asiel heeft aangevraagd, naar zijn land van herkomst aan zich te nemen. Verweerder heeft overigens de aanvraag van eiser van 13 juli 2026 tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER op 17 juli 2026 afgewezen. In dit besluit is verwezen naar de bewaringsuitspraak van 17 juli 2026 van deze rechtbank en zittingsplaats, waarin deze aanvraag is gekwalificeerd als misbruik van recht.

9. De gronden slagen niet. De rechtbank stelt verder ambtshalve vast dat het beginsel van non-refoulement niet aan de overdracht in de weg staat.

10. Verweerder heeft overigens ter zitting aangeven dat er geen aanleiding bestaat in deze procedure om te bepalen wat de omvang van het rechtsmiddel is. De rechtbank is het daarmee eens. De rechtbank merkt wel op dat de AMbV onder meer ten aanzien van deze rechtsvraag fundamentele vragen oproept. Het ambtshalve aan de orde stellen van deze vragen kan echter beter plaatsvinden in een procedure die op tegenspraak wordt gevoerd.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De rechtbank heeft ter zitting melding gemaakt van de mogelijkheid om een rechtsmiddel tegen deze uitspraak aan te wenden en van de termijn waarbinnen dit moet gebeuren.

Deze uitspraak is aldus in het openbaar gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. K.M.R.L. Kamp, griffier.

De uitspraak is bekendgemaakt op: 27 juli 2026.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop dit proces-verbaal van de mondelinge uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Zitting hebben:
  2. Procesverloop
  3. Beslissing
  4. Overwegingen

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.38369

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. M. Volker).

Zitting hebben:

Voor de allerlaatste keer: mr. K.M.R.L. Kamp griffier,

mr. S. van Lokven rechter.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2026 heeft verweerder een overdrachtsbesluit vastgesteld waarin aan eiser bekend wordt gemaakt dat hij zal worden overgedragen aan Zwitserland op grond van artikel 42 van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMbV).

Eiser heeft op 10 juli 2026 tegen het overdrachtsbesluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (geregistreerd onder zaaknummer NL26.38370).

Eiser heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op 21 juli 2026 ingetrokken.

De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser wordt ten tijde van de behandeling van dit beroep tegen het overdrachtsbesluit in bewaring gehouden. Eiser heeft bij de rechtbank geen verzoek ingediend om zorg te dragen voor het vervoer en de rechtbank regelt dit niet uit eigen beweging. Eiser is niet verschenen. De rechtbank heeft een kwartier na aanvangstijd telefonisch contact opgenomen met zijn gemachtigde, die te kennen gaf in de veronderstelling te verkeren dat hij ook het beroep had ingetrokken en daarom niet is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft aansluitend aan de behandeling van het beroep en na de sluiting van het onderzoek ter zitting mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank merkt allereerst op dat het storend is dat de gemachtigde niet verschijnt zonder dit op voorhand mee te delen en een beroep indient en handhaaft terwijl een uitspraak van de rechtbank kennelijk niet meer relevant werd geacht. De gemachtigde weet dat niet alleen advocaten, maar ook procesvertegenwoordigers, griffiers en rechters thans een stevige werkdruk ervaren in het asielrecht. Indien de gemachtigde eerder te kennen zou hebben gegeven dat eiser geen prijs meer stelt op de behandeling van zijn beroep, was welllicht voorkomen dat de andere professioneel betrokkenen in deze procedure het dossier tevergeefs zouden bestuderen. De gemachtigde weet ook dat de zittingsruimte bij de rechtbank schaars is en weet dat de rechtbank de behandeling van dit beroep met voorrang en in aanvulling op de bewaringszitting behandelt zodat eiser zo spoedig mogelijk een rechtmatigheidsbeoordeling van het overdrachtsbesluit verkrijgt en de bewaring die strekt ter fine van de overdracht zo kort mogelijk duurt. De rechtbank verzoekt gemachtigde van eiser zich in het vervolg hiervan te vergewissen bij het indienen van beroep, het handhaven hiervan als het belang komt te ontvallen en bij het verzoeken om een spoed- of versnelde behandeling. De gemachtigde heeft tijdens het telefoongesprek aangegeven het niet zinnig te vinden om het beroep alsnog in te trekken. Dit betekent dat de rechtbank uitspraak moet doen en de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit moet controleren. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

2. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2000 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.

3. Eiser heeft op 6 januari 2026 en op 17 mei 2026 een asielaanvraag ingediend en beide aanvragen op 20 mei 2026 ingetrokken. Verweerder heeft op 21 mei 2026 een overdrachtsbesluit vastgesteld en dit overdrachtsbesluit op 10 juni 2026 uitgevoerd en eiser overgedragen aan Zwitserland.

4. Eiser is teruggekeerd naar Nederland en is op 30 juni 2026 staande gehouden en vervolgens in bewaring gesteld.

5. Op 6 juli 2026 is wederom een claimakkoord met de Zwitserse autoriteiten tot stand gekomen. Verweerder heeft op 9 juli 2026 een overdrachtsbesluit vastgesteld. In de onderhavige procedure beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van dit overdrachtsbesluit omdat eiser hiertegen een rechtsmiddel heeft aangewend.

6. Eiser wordt thans in bewaring gehouden om de voorbereiding en uitvoering van dit overdrachtsbesluit uit te voeren. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraak van 17 juli 2026 geoordeeld dat de oplegging van de bewaringsmaatregel rechtmatig is (ECLI:NL:RBLIM:2026:7231, niet gepubliceerd maar bij beide partijen bekend).

7. Eiser heeft in zijn beroepschrift gesteld dat de overdracht onevenredig is omdat hij een zwangere partner in Nederland heeft en hij door dit besluit gedwongen wordt om de Unie te verlaten en dat op grond van de Chavez-rechtspraak verboden is.

8. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Een overdrachtsbesluit strekt tot overdracht aan een andere lidstaat en niet tot verwijdering uit de Unie. Indien de Zwitserse autoriteiten eiser een terugkeerverplichting hebben opgelegd, dan wel gaan opleggen en uitvoeren, dient eiser daarover te klagen bij de Zwitserse autoriteiten indien hij meent dat dit een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn familieleven vormt. Voor zover eiser meent dat het onevenredig hard is van verweerder om de asielaanvraag niet aan zich te trekken, wijst de rechtbank er op dat eiser zijn asielaanvragen heeft ingetrokken en verweerder dus niet hoeft te beoordelen of hij een aanvraag zelf wil behandelen. Dat het nemen van dit overdrachtsbesluit onevenredig is volgt de rechtbank niet. De AMbV schrijft voor dat één lidstaat verantwoordelijk is voor – in wezen- een derdelander. Nederland is niet verantwoordelijk voor eiser en verweerder zal, naar de rechtbank aanneemt, geen enkele aanleiding zien om om proceseconomische redenen de terugkeer van eiser, die illegaal in de Unie verblijft en in meerdere lidstaten asiel heeft aangevraagd, naar zijn land van herkomst aan zich te nemen. Verweerder heeft overigens de aanvraag van eiser van 13 juli 2026 tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER op 17 juli 2026 afgewezen. In dit besluit is verwezen naar de bewaringsuitspraak van 17 juli 2026 van deze rechtbank en zittingsplaats, waarin deze aanvraag is gekwalificeerd als misbruik van recht.

9. De gronden slagen niet. De rechtbank stelt verder ambtshalve vast dat het beginsel van non-refoulement niet aan de overdracht in de weg staat.

10. Verweerder heeft overigens ter zitting aangeven dat er geen aanleiding bestaat in deze procedure om te bepalen wat de omvang van het rechtsmiddel is. De rechtbank is het daarmee eens. De rechtbank merkt wel op dat de AMbV onder meer ten aanzien van deze rechtsvraag fundamentele vragen oproept. Het ambtshalve aan de orde stellen van deze vragen kan echter beter plaatsvinden in een procedure die op tegenspraak wordt gevoerd.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De rechtbank heeft ter zitting melding gemaakt van de mogelijkheid om een rechtsmiddel tegen deze uitspraak aan te wenden en van de termijn waarbinnen dit moet gebeuren.

Deze uitspraak is aldus in het openbaar gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. K.M.R.L. Kamp, griffier.

De uitspraak is bekendgemaakt op: 27 juli 2026.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop dit proces-verbaal van de mondelinge uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.