Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 3 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21552Zaaknummer C/09/703951 / FA RK 26-4107
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 3 juli 2026
- Publicatiedatum
- 20 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/09/703951 / FA RK 26-4107
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij vaststelling hoofdverblijfplaats toetsing aan verhuiscriteria
De rechtbank:
bepaalt dat de minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2023 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2024 te [geboorteplaats];
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vader;
bepaalt dat in het geval de moeder niet terugverhuist naar (de regio) [plaats 2], de kinderen bij de moeder zullen zijn:
- zolang [minderjarige 1] niet naar de basisschool gaat, om de week met een wissel op zondagavond,
- zodra [minderjarige 1] naar de basisschool gaat:
o drie van de vier weekenden van vrijdagmiddag 18.00 uur tot zondagavond 18.00 uur;
o meer dan de helft van de vakanties en feestdagen, door ouders in onderling overleg vast te stellen;
waarbij de ouder waar de kinderen verblijven, de kinderen naar de andere ouder zal brengen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
| Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. I.E. Moerkerk-van Kersbergen als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 3 juli 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 26-4107
Zaaknummer: C/09/703951
Datum beschikking: 3 juli 2026
Gezagsuitoefening
Beschikking op het op 23 april 2026 ingekomen verzoek van:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.G.T. Meershoek te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. K.J. Kanning te Assen.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het F9D formulier van 4 mei 2026 met bijlage van de moeder;
- het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek;
- het aanvullend zelfstandig verzoek van de vader;
- Het F9D formulier van 4 juni 2026 met bijlage van de moeder.
Op 5 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de moeder met haar advocaat;
- de vader met zijn advocaat;
- [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Verzoek en verweer
De moeder heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht:
- de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vast te stellen bij de moeder;
- de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van ieder der ouders als volgt vast te stellen:
- totdat [minderjarige 1] naar de basisschool gaat zal een week op week af regeling gelden waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder zullen verblijven, waarbij het wisselmoment op zondagavond zal zijn;
- vanaf het moment dat [minderjarige 1] naar de basisschool gaat zullen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (minimaal) eenmaal per twee weken van vrijdag uit school tot zondagavond, alsmede (minimaal) de helft van de vakantie- en feestdagen bij de vader verblijven;
- aan de moeder vervangende toestemming te verlenen die de toestemming van de vader vervangt om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in te schrijven op [schoolnaam] te [plaats 1];
- aan de moeder vervangende toestemming te verlenen die de toestemming van de vader vervangt om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] af te reizen naar Turkije van maandag 8 juni 2026 tot en met woensdag 17 juni 2026;
- te bepalen dat de vader het paspoort van [minderjarige 1] aan de moeder dient af te geven;
dan wel andere, door de rechtbank in goede justitie te bepalen beslissingen te nemen aangaande [minderjarige 1] en [minderjarige 2], een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Ook heeft de vader zelfstandig verzocht:
primair:
- de verzoeken van de moeder ten aanzien van de vaststelling van de hoofdverblijfplaats bij de moeder af te wijzen;
- te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader zal zijn;
- de verzochte vervangende toestemming voor schoolinschrijving in de regio [regio] af te wijzen, dan wel de beslissing hierover te koppelen aan de beslissing over de hoofdverblijfplaats;
- het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor de vakantie af te wijzen wegens gebrek aan belang;
subsidiair
- indien het hoofdverblijf bij de wederpartij wordt bepaald, haar te gelasten uiterlijk binnen 60 dagen na de door de rechtbank te wijzen beschikking terug te verhuizen naar [plaats 2] dan wel een woonplaats binnen een straal van 20 kilometer van [plaats 2], op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag dat zij in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,-.
meer subsidiair:
- indien de rechtbank bepaalt dat de kinderen het hoofdverblijf hebben bij de moeder, een zorg- en contactregeling vast te stellen waarbij de kinderen tot de schoolgang van [minderjarige 1] om de week bij de andere ouder verblijven en vanaf de schoolgang van [minderjarige 1] drie van de vier weekenden van vrijdagmiddag 18.00 uur tot zondagavond 18.00 uur, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, waarbij de kinderen naar de andere ouder worden gebracht, dan wel een regeling die de rechtbank juist acht.
Op de zitting heeft de moeder haar verzoek om vervangende toestemming voor de vakantie naar Turkije ingetrokken, evenals haar verzoek met betrekking tot het paspoort van [minderjarige 1].
Feiten
- De moeder en de vader hebben een affectieve relatie gehad.
- Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2023 te [geboorteplaats],
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2024 te [geboorteplaats].
- De kinderen verblijven afwisselend een week bij de moeder in [plaats 1] en een week bij de vader in [plaats 2].
- De moeder en de vader oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
Beoordeling
Hoofdverblijfplaats
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a, eerste lid BW kunnen op verzoek van de ouder(s) geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechtbank worden voorgelegd.
Op grond van het tweede lid van dit artikel kan de rechtbank een regeling vaststellen over de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan een beslissing over bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft, omvatten.
Omdat het tijdens de mondelinge behandeling niet is gelukt om de ouders tot elkaar te brengen op voet van het vijfde lid van dit artikel zal de rechtbank een beslissing nemen die zij het meest in het belang van de kinderen wenselijk acht.
Inhoudelijke beoordeling
Zowel de moeder als de vader heeft verzocht om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij respectievelijk haar of hem vast te stellen.
Vooropgesteld geldt het volgende. Partijen hebben een affectieve relatie gekregen toen de moeder in [plaats 1] woonde en de vader in [plaats 2]. Enkele maanden na de geboorte van het eerste kind van partijen zoon [minderjarige 1] die inmiddels ruim drie jaar is is de moeder met [minderjarige 1] vanuit [plaats 1] naar [plaats 2] verhuisd. De moeder heeft daar een woning gekocht. Vervolgens is in [plaats 2] het tweede kind van partijen dochter [minderjarige 2] die onlangs twee jaar is geworden geboren. De vader heeft regelmatig bij de moeder in haar woning verbleven, maar zij hebben nooit samengewoond. Na het feitelijke eindigen van de relatie tussen partijen in juni 2025 is de moeder in het najaar van 2025 teruggekeerd met de kinderen naar [plaats 1] (naar haar ouders) en heeft zij de kinderen in [plaats 1] ingeschreven. Inmiddels woont zij samen met de kinderen in een woning die voorheen aan haar moeder toebehoorde en is haar moeder naar een andere woning verhuisd. De moeder stelt dat de vader geen bezwaar had tegen haar terugkeer naar [plaats 1]. De vader betwist dat hij heeft ingestemd met een definitieve verhuizing van de kinderen naar [plaats 1]. Partijen zijn, nadat zij in juni 2025 uit elkaar zijn gegaan, uitvoering gaan geven aan een week op week af regeling.
In eerste instantie gingen de kinderen zowel in [plaats 1] als in [plaats 2] naar de peuterspeelzaal. Een maand geleden heeft de moeder de peuterspeelzaal in [plaats 2] opgezegd. Verder is van belang dat de moeder nagelstyliste is en haar salon en klantenkring bevinden zich in [plaats 1]. Ten tijde van de relatie reisde de moeder van [plaats 2] naar [plaats 1] om daar te gaan werken. De vader heeft samen met zijn broer een autogarage in [plaats 2] en hij heeft een woning in [plaats 2]. De moeder heeft haar woning in [plaats 2] inmiddels te koop gezet.
Aan de rechtbank ligt nu de vraag voor bij wie van beide ouders de hoofdverblijfplaats van de kinderen moet worden bepaald. De rechtbank overweegt als volgt. Het vaststellen van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder in [plaats 1] zal er toe leiden dat de kinderen definitief verhuizen van [plaats 2] naar [plaats 1], dat de kinderen in de regio [plaats 1] naar de basisschool zullen gaan en dat zij daar hun jeugd zullen doorbrengen. Dit heeft tot gevolg dat de mogelijkheden tot contact tussen de vader en de kinderen ernstig worden beperkt en dat de huidige week op week af regeling niet meer kan worden uitgevoerd. De rechtbank zal daarom de criteria die in de jurisprudentie ten aanzien van verhuiskwesties worden gebruikt, ook in dit geval toepassen. Dit omdat het vaststellen van de hoofdverblijfplaats impliciet ook een antwoord geeft op de vraag of de moeder en de kinderen zich al dan niet definitief in [plaats 1] mogen vestigen.
De beoordelingscriteria bij verhuizingen behelzen het volgende:
- het recht en belang van de moeder om te verhuizen en haar leven opnieuw in te richten;
- de noodzaak om te verhuizen;
- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;
- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing en de andere ouder te verzachten en/of compenseren;
- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg, de rechten van de andere ouder en de minderjarige op het contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;
- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;
- de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing;
- de leeftijd van de minderjarige en de mate waarin de minderjarige geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen;
- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.
Toetsing verhuiscriteria
De rechtbank zal niet alle hiervoor genoemde criteria afzonderlijk bespreken maar heeft deze wel betrokken in de belangenafweging. Met het oog hierop overweegt de rechtbank als volgt.
De moeder moet in beginsel het recht en de mogelijkheid hebben om haar leven opnieuw in te richten. Dit belang moet echter worden afgezet tegen de belangen van de vader en de kinderen en (het behoud van) hun onderlinge band.
De moeder stelt in dit kader zij altijd het leeuwendeel van de verzorging van de kinderen op zich heeft genomen. Zij is destijds vanwege de liefde naar [plaats 2] verhuisd, maar wenst daar nu niet meer te wonen omdat haar relatie met de vader verbroken is en zij haar werk en klantenkring in [plaats 1] heeft. Zij is in de regio [plaats 1] opgegroeid en heeft daar haar netwerk om op terug te vallen. [plaats 1] is ook zeer vertrouwd voor de kinderen omdat zij, ook toen de kinderen nog in [plaats 2] woonden, al regelmatig in [plaats 1] kwamen omdat de familie van de moeder daar woont. Zij bleven dan vaak ook enkele nachten. Volgens de moeder had de vader geen bezwaar tegen haar terugkeer naar [plaats 1]. Op dit moment geeft zij samen met de vader uitvoering aan een week op week af regeling, maar dat is vanwege de reisafstand niet meer mogelijk zodra [minderjarige 1] naar de basisschool gaat.
De vader betwist dat de moeder het grootste deel van de verzorging en opvoeding van de kinderen op zich heeft genomen. Hij heeft gedurende de hele relatie een actieve en betrokken rol gespeeld in het leven van de kinderen en die rol wenst hij te blijven vervullen. De week op week af regeling die hij en de moeder uitvoeren sinds zij uit elkaar zijn gegaan, past hierbij. De vader hecht grote waarde aan deze gelijkwaardige verdeling van de zorgtaken en wenst dat deze wordt gecontinueerd. De vader beseft ook dat de reisafstand tussen [plaats 2] en [plaats 1] dit bemoeilijkt, helemaal als de kinderen naar school gaan. De vader zou daarom het liefste zien dat de moeder in haar woning in [plaats 2] blijft wonen, zodat het co-ouderschap, ook als de kinderen naar school gaan, kan worden voortgezet. De moeder kan haar beroep ook in [plaats 2] uitoefenen. De vader heeft zelfs de moeder aangeboden om een ruimte in haar woning te verbouwen tot nagelsalon. De vader voert verder aan dat de kinderen in [plaats 2] zijn opgegroeid en geworteld. Ze gingen daar naar de peuterspeelzaal, maar de moeder heeft dat opgezegd ondanks dat dit met name voor [minderjarige 1] belangrijk is. Ten tijde van de relatie werkte de moeder overwegend in [plaats 1] en waren de kinderen bij hem in [plaats 2]. De moeder sliep dan meestal bij haar familie om het reizen zoveel mogelijk te beperken. De regio [plaats 1] is voor de kinderen niet hun primaire leefomgeving geweest. Zij verblijven pas in [plaats 1] sinds de moeder is verhuisd. Daarvoor kwamen ze daar alleen als de moeder haar familie bezocht. De vader betwist dat hij heeft ingestemd met een definitieve verhuizing van de kinderen naar [plaats 1]. Hij was niet op de hoogte dat de moeder de kinderen zou inschrijven op het adres in [plaats 1] en dit is zonder overleg met hem gebeurd.
De rechtbank overweegt dat het gevolg van het definitieve vertrek van de moeder naar [plaats 1] zou zijn dat de week op week af regeling, waarbij de ouders een gelijkwaardige rol kunnen vervullen, op termijn niet in stand kan blijven. De reden hiervoor is dat [minderjarige 1] volgend jaar vier jaar wordt en dan naar een basisschool in [plaats 1] zou gaan. De vaststelling van het hoofdverblijf van de kinderen in [plaats 1] zou er dan toe leiden dat het contact tussen de vader en de kinderen wordt gereduceerd tot een aantal weekenden per maand. De vader heeft juist steeds uitdrukkelijk de wens geuit om een groot deel van de zorg voor de kinderen op zich te blijven nemen en aangegeven dat hij een betrokken vader wil blijven.
Anders dan de moeder is de rechtbank van oordeel dat er geen noodzaak is voor de moeder om te verhuizen naar [plaats 1]. Hoewel de rechtbank haar wens om terug te keren naar [plaats 1] invoelbaar acht, is van een noodzaak voor een definitieve verhuizing naar [plaats 1] naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. De moeder heeft de mogelijkheid haar beroep in [plaats 2] uit te oefenen. Dit heeft de moeder op de zitting ook bevestigd. Het is duidelijk dat haar werk in [plaats 1] belangrijk voor de moeder is, want zij is al die tijd van [plaats 2] naar [plaats 1] op en neer gereisd. De rechtbank heeft ook begrip voor het betoog van de moeder dat zij haar klantenkring in [plaats 1] heeft opgebouwd en dat zij in [plaats 2] helemaal opnieuw zou moeten beginnen. Deze argumenten maken echter niet dat er een noodzaak tot verhuizen is. Op de zitting heeft de moeder bevestigd dat de woning in [plaats 2] geschikt is om een nagelsalon in te vestigen. Dat die woning in de verkoop staat, is de keuze van de moeder geweest en dat zij dit heeft gedaan voordat over het hoofdverblijf van de kinderen is beslist, is voor haar rekening en risico.
Nu de rol van de vader in het leven van de kinderen na de verhuizing ernstig zou worden beperkt en niet is gebleken van een noodzaak tot verhuizing, heeft de moeder naar het oordeel van de rechtbank niet in redelijkheid de keuze kunnen maken om zonder toestemming van de vader in [plaats 1] met de kinderen te blijven wonen.
Belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
Bij de beantwoording van de vraag waar de hoofdverblijfplaats van de kinderen vastgesteld moet worden, is hun belang de leidraad. Mede in het licht van wat in het voorgaande is overwogen met betrekking tot de verhuizing, is naar oordeel van de rechtbank niet gebleken dat het belang van de kinderen zich verzet tegen de vaststelling van de hoofdverblijfplaats bij de vader. De vader woont in [plaats 2] – de voor de kinderen bekende omgeving waar zij zijn opgegroeid – en hij kan zijn werktijden zoveel mogelijk aanpassen aan de zorg voor zijn kinderen. Voor zover de moeder zich nog op het standpunt heeft gesteld dat de vader door zijn werk hulp moet inschakelen bij de opvang van de kinderen, geldt dat dit ook voor de moeder opgaat, zodat de rechtbank hieraan voorbij zal gaan. De rechtbank weegt ook mee dat de vader op de zitting desgevraagd te kennen heeft gegeven dat hij de kinderen weer zal aanmelden bij de peuterspeelzaal in [plaats 2]. Gebleken is dat het voor [minderjarige 1] belangrijk is om daar heen te blijven gaan. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vader toewijzen en het hoofdverblijf van de kinderen bij hem vaststellen, onder gelijktijdige afwijzing van het verzoek van de moeder.
Omdat de rechtbank het verzoek van de moeder om het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen zal afwijzen, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de voorwaardelijke subsidiaire en meer subsidiaire zelfstandige verzoeken van de vader die verbonden zijn aan het scenario waarin het hoofdverblijf bij de moeder zou worden bepaald.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij ervan uitgaat dat partijen in gezamenlijk overleg tot een keuze voor een basisschool voor de kinderen in [plaats 2] zullen komen en dat de moeder zal meewerken aan de inschrijving van de kinderen op die basisschool.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Beide partijen hebben verzocht om vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor de situatie dat het hoofdverblijf bij de moeder wordt bepaald.
Nu de rechtbank het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader zal bepalen, is het aan de moeder of zij alsnog in [plaats 2] gaat wonen of dat zij in [plaats 1] blijft.
Hoewel er geen verzoeken voor een omgangsregeling met de moeder in de situatie dat de kinderen het hoofdverblijf bij de vader hebben voor liggen, geeft de rechtbank partijen mee dat als de moeder alsnog in [plaats 2] gaat wonen, de huidige week op week af regeling gehandhaafd kan blijven. Voor de situatie dat de moeder in [plaats 1] blijft wonen, althans zij niet terugverhuist naar (de regio) [plaats 2], heeft zij ter zitting aangegeven in te stemmen met een reguliere regeling die spiegelbeeldig is aan het meer subsidiaire verzoek van de vader, waarbij de kinderen, totdat [minderjarige 1] naar school gaat, om de week bij de moeder verblijven en vanaf de schoolgang van [minderjarige 1] drie van de vier weekenden van vrijdagmiddag 18.00 uur tot zondagavond 18.00 uur bij de moeder verblijven. De vakanties en feestdagen zullen partijen vanaf de schoolgang van [minderjarige 1] in overleg verdelen, waarbij het uitgangspunt is dat de kinderen vaker bij de moeder dan bij de vader zijn. De kinderen zullen steeds door de ouder waar zij verblijven naar de andere ouder worden gebracht. De rechtbank zal de regeling voor de situatie dat de moeder niet terugverhuist naar (de regio) [plaats 2], in het dictum opnemen.
Vervangende toestemming inschrijving basisschool
Omdat de rechtbank het verzoek van de moeder om het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen zal afwijzen, zal zij ook het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen om de kinderen op [schoolnaam] in [plaats 1] in te schrijven, afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2023 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2024 te [geboorteplaats];
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vader;
bepaalt dat in het geval de moeder niet terugverhuist naar (de regio) [plaats 2], de kinderen bij de moeder zullen zijn:
- zolang [minderjarige 1] niet naar de basisschool gaat, om de week met een wissel op zondagavond,
- zodra [minderjarige 1] naar de basisschool gaat:
o drie van de vier weekenden van vrijdagmiddag 18.00 uur tot zondagavond 18.00 uur;
o meer dan de helft van de vakanties en feestdagen, door ouders in onderling overleg vast te stellen;
waarbij de ouder waar de kinderen verblijven, de kinderen naar de andere ouder zal brengen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
| Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. I.E. Moerkerk-van Kersbergen als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 3 juli 2026. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.