Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 2 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21509Zaaknummer C/09/707576 / FA RK 26-6270
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 2 juli 2026
- Publicatiedatum
- 20 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/09/707576 / FA RK 26-6270
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Beschikking van de kinderrechter over voorlopige voogdij.
6 De beslissing
De kinderrechter:
belast Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met de voorlopige voogdij over [minderjarige];
stelt vast dat de voorlopige voogdij van rechtswege na drie maanden eindigt, namelijk op 22 september 2026, tenzij voor het einde van die termijn aan de rechtbank een voorziening in het gezag over [minderjarige] is verzocht, in welk geval de voorlopige voogdij doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026 door
mr. J.E. Bierling, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 6 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/707576 / FA RK 26-6270
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over voorlopige voogdij
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als informanten aan:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
[de zus], wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de zus.
1 Het verdere verloop van de procedure
Bij beschikking van 22 juni 2026 van de kinderrechter in deze rechtbank is, zonder een zitting af te wachten, de gecertificeerde instelling voor de periode van 22 juni 2026 tot 6 juli 2026 belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige]. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden tot een nader te bepalen zitting, gelegen vóór 6 juli 2026.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 22 juni 2026;
- het door de Raad nagezonden stuk, zijnde het VTO, ontvangen op 22 juni 2026;
- de hiervoor genoemde beschikking van 22 juni 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [naam 1], namens de Raad;
- [naam 2], namens de gecertificeerde instelling.
De zus is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de zus wel juist is opgeroepen.
2 De feiten
Voor de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 22 juni 2026.
3 Het verzoek
De Raad verzoekt de gecertificeerde instelling te belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad motiveert het verzoek als volgt. Door het plotselinge overlijden van de oma van moederszijde van [minderjarige] op [dag] 2026, is er een gezagsvacuüm ontstaan.. Een voogd is nodig om allerlei praktische zaken te regelen rondom [minderjarige], waaronder zaken met betrekking tot haar woonperspectief en het voortzetten van de betrokken hulpverlening. Gedurende het nog uit te voeren raadsonderzoek zal ook worden onderzocht waar, bij voorkeur in het netwerk, de voogdij over [minderjarige] belegd moet worden.
4 De standpunten
De gecertificeerde instelling heeft ingestemd met het verzoek van de Raad en te kennen gegeven dat methet regelen van praktische zaken al een begin is gemaakt.
5 De beoordeling
Op [dag] 2026 is de oma van [minderjarige] onverwacht overleden, waardoor er, nu zij met de voogdij over [minderjarige] was belast, een gezagsvacuüm ontstond. Bij beschikking van 22 juni 2026 is dit gezagsvacuüm hersteld doordat de gecertificeerde instelling is belast met de voorlopige voogdij. Naar het oordeel van de kinderrechter is het in het belang van [minderjarige] dat de gecertificeerde instelling deze voorlopige voogdij nog langer behoudt.
De komende periode zullen belangrijke (gezags)beslissingen genomen moeten worden. Daarnaast moeten er veel praktische zaken worden geregeld. De gecertificeerde instelling heeft de kennis om [minderjarige] daarbij te ondersteunen en kan het belang van [minderjarige] behartigen. De komende tijd moet ook onderzoek worden gedaan naar de invulling van de voogdij op de langere termijn. Het verzoek wordt daarom toegewezen als verzocht.
Ten overvloede wijst de kinderrechter er op dat de voorlopige gezagsvoorziening van rechtswege vervalt na verloop van drie maanden – in dit geval gerekend vanaf toewijzing van het verzoek op 22 juni 2026 – tenzij voor het einde van die termijn een voorziening in het gezag over [minderjarige] is verzocht.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.[_f0aa4416-afb5-4af4-b771-4d3b7c9f1cc8]
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
belast Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met de voorlopige voogdij over [minderjarige];
stelt vast dat de voorlopige voogdij van rechtswege na drie maanden eindigt, namelijk op 22 september 2026, tenzij voor het einde van die termijn aan de rechtbank een voorziening in het gezag over [minderjarige] is verzocht, in welk geval de voorlopige voogdij doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026 door
mr. J.E. Bierling, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 6 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.