Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 2 juli 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:21508Zaaknummer C/09/707639 / JE RK 26-1096

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
20 augustus 2026
Zaaknummer
C/09/707639 / JE RK 26-1096
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Machtiging tot uithuisplaatsing (na spoedvoorziening) binnen het netwerk (voorziening voor pleegzorg) voor de duur van zes maanden en aanhouding voor het overige.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 6 juli 2026 tot 22 december 2026;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

6.3.

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen vóór 22 december 2026;

6.4.

verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk twee weken voor de nader te bepalen zittingsdatum een schriftelijke update aan de rechtbank en de belanghebbenden toe te zenden, waarin zij in ieder geval aangeeft of het verzoek wordt gehandhaafd;

6.5.

gelast de griffier om tegen voornoemde zitting op te roepen:

- de vader;

- de moeder;

- de advocaat van de ouders: mr. B.J. de Bruijn;

- de gecertificeerde instelling;

- de halfbroer vaderszijde als informant;

- [de minderjarige] voor een kindgesprek.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026 door mr. O.F. Bouwman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S.L.G. van Otterlo als griffier, en op schrift gesteld op 8 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verdere verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten en informatie van de informanten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaknummer: C/09/707639 / JE RK 26-1096

Datum uitspraak: 2 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

over

[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [de minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

en

[de vader],

hierna te noemen de vader,

samenwonende in [plaats 1],

hierna ook gezamenlijk te noemen: de ouders,

de advocaat van de ouders: mr. B.J. de Bruijn.

De kinderrechter merkt als informanten aan:

[de halfbroer],

hierna te noemen: de halfbroer vaderszijde,

wonende te [plaats 2],

[naam 1]: als begeleider van BZZ-Welzijn.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Op 22 juni 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank mondeling (buiten kantooruren) een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg verleend tot 12 juni 2026 om 17.00 uur. Op 23 juni 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank, op basis van de schriftelijke bevestiging van het verzoek, de een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg verleend van 23 juni 2026 tot 6 juli 2026 en de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden tot een nader te bepalen zitting vóór 6 juli 2026.

1.2.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- de beschikking van 23 juni 2026 en de daarin genoemde stukken.

1.3.

Op 2 juli 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

- de vader;

  • de moeder;
  • de advocaat van de ouders;
  • [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
  • de halfbroer vaderszijde als informant;
  • [naam 1] namens BZZ-welzijn als informant;

- [naam 3], de partner van de halfbroer vaderzijde, als toehoorder.

1.4.

De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] is niet naar het kindgesprek gekomen. [de minderjarige] was wel meegekomen naar de zitting en de kinderrechter heeft daardoor voorafgaand aan de zitting nog een gesprek met [de minderjarige] gevoerd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

De ouders zijn met elkaar gehuwd.

2.2.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige].

2.3.

[de minderjarige] verblijft sinds 22 juni 2026 bij haar halfbroer vaderszijde in [plaats 2].

2.4.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 juni 2026 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 21 juni 2027.

3 Het verzoek

3.1.

De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg te verlenen voor de duur van vier weken en aansluitend daaraan een machtiging te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De gecertificeerde instelling heeft het verzoek – samengevat en zakelijk weergegeven – als volgt gemotiveerd. De gecertificeerde instelling maakt zich zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] in de thuissituatie. Tussen [de minderjarige] en de vader zijn er regelmatig escalerende conflicten. Daarbij heeft [de minderjarige] recent aangegeven te worden geslagen door de vader. Op 20 juni 2026 heeft er opnieuw een escalatie plaatsgevonden, waarna [de minderjarige] naar haar vriendje is vertrokken. De gecertificeerde instelling heeft naast de conflicten thuis, waarin zij vreest dat deze conflicten zullen doorzetten als [de minderjarige] thuis blijft wonen, ook zorgen over het vriendje van [de minderjarige]. BZZ-welzijn - die hulp bieden in het gezin – heeft zorgelijke signalen ontvangen over dit vriendje. Hij zou dreigende uitspraken hebben gedaan, waaronder dat hij over een vuurwapen beschikt en dat hij de vader van [de minderjarige] iets aan zou willen doen. Daarnaast zijn er signalen dat hij zijn woede niet kan beheersen. De gecertificeerde instelling maakt zich in dit licht zorgen dat hij een sterke invloed lijkt te hebben op [de minderjarige] en zij zich aanpast aan zijn wensen en standpunten. Naast de huidige zorgen ten aanzien van [de minderjarige] is er sprake van multi-problematiek in het gezin en ziet de gecertificeerde instelling dat [de minderjarige] veel baat en behoefte heeft aan rust. Volgens de gecertificeerde kan de halfbroer van [de minderjarige] dit haar bieden en is het nodig dat zij bij hem gaat verblijven. [de minderjarige] staat zelf ook open om bij de halfbroer te gaan verblijven. De komende periode wil de gecertificeerde instelling een passende vervolgplek zoeken in de omgeving van [plaats 2]. Op dit moment denkt de gecertificeerde instelling aan een kamertraining-traject. Daarnaast wil de gecertificeerde instelling inzetten op het contactherstel tussen [de minderjarige] in haar ouders. De jeugdbeschermer is zich ervan bewust dat zij het verzoek heeft gedaan voor een lange termijn – tot het einde van de ondertoezichtstelling - maar het zal tijd kosten om een vervolgplek te vinden en aan de slag te gaan met het contactherstel. Het liefste zou de gecertificeerde instelling zien dat het verzoek wordt verleend voor de duur van zes maanden en voor het overige wordt aangehouden.

4 De standpunten en informatie van de informanten

4.1.

Door en namens de ouders is ter zitting het volgende naar voren gebracht. De ouders kunnen zich vinden in de plaatsing van [de minderjarige] bij de halfbroer. Dit biedt zowel hen als [de minderjarige] rust. Daarnaast is het belangrijk dat [de minderjarige] zo ver mogelijk is van haar vriend, die volgens hen een slechte invloed op haar heeft. Wel wordt namens de ouders verzocht om de machtiging te verlenen voor een kortere duur, bijvoorbeeld zes maanden. Niet alleen omdat hierdoor een vinger aan de pols kan worden gehouden, maar ook doordat het in de verwachting ligt dat er komend half jaar al verschillende zaken geregeld kunnen worden. Daarbij zal er ook een nieuw verzoek voor een machtiging tot uithuisplaatsing nodig zijn als [de minderjarige] naar een vervolgplek gaat. Ten slotte is namens de vader benadrukt dat er volgens hem nooit sprake is geweest van fysiek geweld vanuit hem naar [de minderjarige].

4.2.

De halfbroer heeft desgevraagd naar voren gebracht dat hij ruimte heeft om [de minderjarige] de komende maanden in zijn gezin op te vangen. Daarbij ziet hij dat [de minderjarige] steeds meer loskomt. Zij doet het goed en is actief op zoek naar werk en heeft zich ingeschreven voor school in de omgeving van [plaats 2].

4.3.

BZZ-welzijn heeft desgevraagd te kennen gegeven dat zij betrokken zullen blijven bij het gezin en bij [de minderjarige]. In ieder geval zullen zij het contactherstel tussen [de minderjarige] en de ouders vormgeven. Daarnaast willen zij ook graag de individuele begeleiding van [de minderjarige] doorzetten. Het is op dit moment nog niet helemaal duidelijk of deze individuele begeleiding gefinancierd zal worden, nu [de minderjarige] in [plaats 2] verblijft. De gecertificeerde instelling en BZZ Welzijn zetten hier wel op in.

5 De beoordeling

5.1.

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.[_ef3cc121-67b9-49ea-be1c-843d16dd5bcb] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.2.

De kinderrechter deelt de zorgen van de gecertificeerde instelling over de veiligheid van [de minderjarige] in de thuissituatie. De kinderrechter heeft met name zorgen over de vele conflicten die er spelen in de thuissituatie tussen de vader en [de minderjarige], die de afgelopen periode meermaals zijn geëscaleerd. Daarnaast deelt de kinderrechter ook de zorgen over de vriend van [de minderjarige] en de invloed die hij op haar heeft. De signalen die BZZ-welzijn heeft ontvangen over de vriend zijn verontrustend en het is belangrijk dat hier toezicht op blijft. Daarbij ziet de kinderrechter ook dat er binnen het hele gezin sprake is van onrust en er verschillende complexe problematiek speelt, die ervoor zorgt dat de thuissituatie op zichzelf hectisch is. De kinderrechter constateert dat de zorgen elkaar lijken te versterken, door de ingewikkelde dynamiek die tussen alle betrokkenen – zowel tussen [de minderjarige], de ouders als haar vriend– speelt. Volgens de kinderrechter is het daarom noodzakelijk voor de ontwikkeling van [de minderjarige] dat zij op een plek gaat verblijven waar zij rust en stabiliteit ervaart. De kinderrechter is met de gecertificeerde instelling van mening dat de plek bij de halfbroer vaderszijde op dit moment de juiste plek is voor [de minderjarige] om die rust te vinden. Het is daarbij goed om te horen dat [de minderjarige] het zelf ook fijn vindt om hier te wonen en er ook positief tegenover staat om in deze omgeving verder haar toekomst op te bouwen. De komende periode zal de gecertificeerde instelling voortvarend aan de slag moeten gaan en moeten onderzoeken welke vervolg woonplek, bij voorkeur in de omgeving [plaats 2], voor [de minderjarige] het meest passend is. Daarnaast is het belangrijk dat [de minderjarige] in de omgeving van [plaats 2] zo spoedig mogelijk kan starten met school. Verder zal met de hulp van BZZ-welzijn een plan moeten worden gemaakt hoe het contact tussen [de minderjarige] en de ouders – en tussen [de minderjarige] en haar broertjes en zus - op een positieve manier kan worden hersteld. Tot slot vindt de kinderrechter het belangrijk dat [de minderjarige] haar individuele begeleiding en hulpverlening behoudt als zij in [plaats 2] verblijft. De komende periode dient uitgezocht te worden of BZZ-welzijn dit kan blijven bieden of dat hiervoor een nieuwe organisatie moet worden gezocht.

5.3.

Gezien de stappen die de komende periode gezet moeten worden en de onduidelijkheid die er nog is over waar [de minderjarige] op de lange termijn gaat wonen zal de kinderrechter het verzoek toewijzen voor de duur van zes maanden en voor het overige aanhouden. Op deze manier kan over zes maanden opnieuw worden bekeken wat [de minderjarige] nodig heeft om zich goed te ontwikkelen en welke plek daarvoor het beste is. De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling om uiterlijk twee weken voor de nog nader te bepalen zitting een schriftelijke update toe te zenden naar de rechtbank en de belanghebbenden, waarin zij in ieder geval opneemt óf en zo ja, waarom zij het verzoek handhaaft. De kinderrechter benadrukt dat als binnen de komende zes maanden eerder een passende vervolgplek wordt gevonden op een open groep of kamertraining-traject de gecertificeerde instelling een nieuw verzoek – voor een andere categorie – moet indienen bij de rechtbank.

5.4.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 6 juli 2026 tot 22 december 2026;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

6.3.

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen vóór 22 december 2026;

6.4.

verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk twee weken voor de nader te bepalen zittingsdatum een schriftelijke update aan de rechtbank en de belanghebbenden toe te zenden, waarin zij in ieder geval aangeeft of het verzoek wordt gehandhaafd;

6.5.

gelast de griffier om tegen voornoemde zitting op te roepen:

- de vader;

- de moeder;

- de advocaat van de ouders: mr. B.J. de Bruijn;

- de gecertificeerde instelling;

- de halfbroer vaderszijde als informant;

- [de minderjarige] voor een kindgesprek.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026 door mr. O.F. Bouwman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S.L.G. van Otterlo als griffier, en op schrift gesteld op 8 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.