Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 2 juli 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:21481Zaaknummer C/09/702912 / FA RK 26-3451

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
20 augustus 2026
Zaaknummer
C/09/702912 / FA RK 26-3451
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorzieningen: uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. Belangenafweging valt uit naar de vrouw.

De rechtbank:

*

bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] en beveelt mitsdien dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;

*

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

*

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot vergoeding van de lasten van de echtelijke woning;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 2 juli 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Voorlopige voorzieningen
  2. Procedure
  3. Feiten
  4. Verzoek en verweer
  5. Beoordeling
  6. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 26-3451

Zaaknummer: C/09/702912

Datum beschikking: 2 juli 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 8 april 2026 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. J.W.G. van der Wallen in Rijswijk.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. N. Schuerman in Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift;
  • het bericht met bijlagen van 9 april 2026 van de vrouw;
  • het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van de man;
  • het verweer van de vrouw tegen de zelfstandige verzoeken van de man.

Op 18 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw bijgestaan door haar advocaat en de man bijgestaan door zijn advocaat.

Namens de man zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

  • Partijen zijn met elkaar gehuwd op 11 september 2023 in ’s-Gravenhage.
  • Uit de vrouw en een eerdere relatie is geboren de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats].

- Door de vrouw is op 7 april 2026 een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend, bekend onder zaak- en rekestnummer C/09/702957 / FA RK 26-3478.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:

- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres], totdat de verdeling van het huwelijks vermogen heeft plaatsgevonden;

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de man, na aanvulling, zelfstandig te bepalen dat:

  • primair:
  • tot 1 september 2026 de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres], met inachtneming van de minderjarige dochter;
  • met ingang van 1 september 2026 de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres],
  • subsidiair: indien het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw wordt toegewezen voor een langere periode, te bepalen dat de vrouw vanaf dat moment alle eigenaarslasten en overige aan de woning verbonden lasten volledig voor haar rekening neemt en de man ter zake volledig vrijwaart;

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de man, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Uitsluitend gebruik van de echtelijke woning

Beide partijen hebben de rechtbank verzocht om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan hen toe te kennen.

De vrouw heeft aangevoerd dat zij meer belang heeft bij het uitsluitend gebruik van de woning dan de man. Na het einde van de relatie heeft de man in december 2025 de woning verlaten en verblijft sindsdien bij een vriendin. Partijen hebben toen afgesproken dat de vrouw samen met haar minderjarige dochter [de minderjarige] in de woning kon blijven wonen totdat de woning wordt verkocht. Inmiddels wil de vrouw onderzoeken of zij de woning eventueel kan overnemen. Daarnaast heeft de vrouw geen mogelijkheden om samen met [de minderjarige] ergens anders te verblijven of op korte termijn een woning te huren. Zij heeft aangevoerd dat zij een BKR registratie heeft door boetes van de man, waardoor zij geen kant op kan. Bovendien zijn vele prikkels en veranderingen voor [de minderjarige], die momenteel midden in haar puberteit zit, niet goed. Het argument dat [de minderjarige] naar haar vader toe kan klopt niet volgens de vrouw, omdat er alleen sprake is van sporadische contactmomenten. De vader van [de minderjarige] woont wel op 200 meter afstand van de woning, en ook haar school is in de buurt, waardoor het voor [de minderjarige] belangrijk is dat zij samen met de vrouw voorlopig in de woning kan blijven wonen.

De man voert verweer. Hij geeft aan in december 2025 vrijwillig de woning te hebben verlaten om de vrouw en [de minderjarige] rust en ruimte te bieden. Tot september 2026 heeft hij vervangende woonruimte maar voor de periode daarna heeft hij geen alternatief. Hij wil daarom vanaf september weer terugkeren naar de echtelijke woning. Volgens de man zou [de minderjarige] bij haar vader kunnen gaan wonen omdat er vroeger ook sprake was van co-ouderschap. De door de vrouw gestelde belangen en noodzaak om met [de minderjarige] in de woning te blijven wonen, wegen volgens de man niet op tegen zijn belang om vanaf september weer in de woning te kunnen verblijven. Nu [de minderjarige] inmiddels veertien jaar is kan zij zelfstandig naar school of de vader fietsen. Zij is hierdoor niet (meer) gebonden aan de echtelijke woning.

De rechtbank stelt allereerst dat voorlopige voorzieningen het karakter hebben van een ordemaatregel van voorlopige aard in het kader van de echtscheidingsprocedure. Het uitgangspunt daarbij is dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Het is de rechtbank gebleken dat de onderlinge verhouding tussen partijen slecht is en dat zij niet meer gezamenlijk in de echtelijke woning kunnen blijven. De rechtbank zal daarom een belangenafweging moeten maken, en beoordelen welke partij op dit moment het meeste belang heeft bij verblijf in de woning. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Op dit moment verblijft de vrouw samen met haar minderjarige dochter [de minderjarige] in de echtelijke woning. Gelet op de geringe contactmomenten tussen [de minderjarige] en haar vader, gaat de rechtbank voorbij aan het standpunt van de man dat [de minderjarige] bij de vader kan verblijven. Daarnaast heeft de vrouw op de zitting toegelicht dat zij sinds kort een BKR registratie heeft (wegens boetes door de man) en daardoor momenteel geen woning kan huren. De rechtbank neemt verder in overweging dat beide partijen willen onderzoeken of zij de woning kunnen overnemen. De man heeft tot 1 september 2026 vervangende woonruimte waardoor er nog tijd is om voor de periode daarna een plek te vinden om te verblijven. Voor de vrouw is dit niet zo eenvoudig omdat bij vervangende woonruimte ook plek moet zijn voor [de minderjarige] en het op fietsafstand moet liggen van haar school. Gelet op het bovenstaande, is de rechtbank van oordeel dat de belangenafweging naar de vrouw uitvalt. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom toewijzen, en het verzoek van de man daartoe afwijzen.

Afspraken afwikkeling echtelijke woning

Op de zitting hebben partijen afgesproken dat zij allebei een NVM-makelaar zullen voorstellen en via een loting (door de advocaten) zullen bepalen aan wie de opdracht tot taxatie van de woning zal worden gegeven. Partijen zullen de kosten van deze taxatie bij helfte delen. Daarnaast zullen zij (met behulp van hun advocaten) in gesprek gaan om de gevolgen van de echtscheiding te bespreken en indien mogelijk daarover afspraken te maken.

Lasten van de echtelijke woning

De man verzoekt subsidiair een gebruikersvergoeding waarbij de vrouw de volledige eigenaarslasten en de overige lasten van de woning voor haar rekening neemt en voldoet, onder volledige vrijwaring van de man. De vrouw voert verweer. Zij stelt dat zij de lasten van de echtelijke woning al langere tijd voldoet.

De rechtbank overweegt dat het verzoek van de man tot vergoeding van de lasten van de echtelijke woning niet valt onder de limitatieve opsomming van artikel 822 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Nog daargelaten dat het verzoek pas op de zitting – in de pleitnota – is gedaan en daarmee rijkelijk laat is ingediend zonder enige onderbouwing van de lasten. De rechtbank zal de man niet-ontvankelijk verklaren in dit verzoek.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] en beveelt mitsdien dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;

*

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

*

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot vergoeding van de lasten van de echtelijke woning;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 2 juli 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.