Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 2 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21479Zaaknummer C/09/686684 / FA RK 25-4360
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 2 juli 2026
- Publicatiedatum
- 20 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/09/686684 / FA RK 25-4360
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vaststelling zorgregeling en vakantieregeling. Afwijzing kinderalimentatie.
De rechtbank:
*
stelt een reguliere zorgregeling vast, inhoudende dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] );
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
de ene week van vrijdag uit school tot maandag naar school en de andere week van woensdag uit school tot vrijdag naar school bij de vader zullen zijn;
*
bepaalt ten aanzien van de vakantiedagen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als volgt bij de ouders zijn:
- voorjaarsvakantie: in de even jaren bij de vader, in de oneven jaren bij de moeder;
- meivakantie: in de even jaren de eerste week bij de vader, en de tweede week bij de moeder; in de oneven jaren is het omgekeerd;
- zomervakantie: in de even jaren de eerste drie weken bij de vader, en de laatste drie weken bij de moeder; in de oneven jaren is het omgekeerd;
- herfstvakantie: in de even jaren bij de moeder, in de oneven jaren bij de vader;
- kerstvakantie: in de oneven jaren de eerste week bij de vader, en de tweede week bij de moeder; in de even jaren is het omgekeerd;
- Kerst: in de even jaren bij de vader, in de oneven jaren bij de moeder;
- Oudejaarsdag en nieuwjaarsdag: in de even jaren bij de moeder, in de oneven jaren bij de vader;
- alle andere van overheidswege vastgestelde schoolvakanties en feestdagen zullen worden verdeeld conform de reguliere zorgregeling;
*verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*wijst af het meer of anders verzochte.
| Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, kinderrechter, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Hoek als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juli 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-4360
Zaaknummer: C/09/686684
Datum beschikking: 2 juli 2026
Hoofdverblijfplaats, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en kinderalimentatie
Beschikking op het op 2 mei 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.P. Lagerweij te Delft.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.C. Bekkering te Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift van 6 juni 2025, van de moeder;
- het F9-formulier met bijlagen van 16 juni 2025, van de moeder;
- het F9-formulier met bijlage van 17 juni 2025, van de moeder;
- het verweerschrift tevens verzoekschrift van 19 september 2025, van de vader;
- het gewijzigd verweerschrift tevens aanvullend verzoekschrift van 2 februari 2026, van de vader;
- het verweerschrift op zelfstandig verzoek van 17 maart 2026, van de moeder;
- het F9-formulier met bijlagen van 4 mei 2026, van de moeder;
- het F9-formulier met bijlagen van 6 mei 2026, van de vader.
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in een gesprek met de rechter laten weten wat zij van de verzoeken vinden.
Op 13 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en ondersteund door een tolk;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en ondersteund door een tolk;
- [naam], namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Feiten
- Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum 1] 2014 te [plaats 1] (Oekraïne). Uit het door de moeder overgelegde (vertaalde) verstekvonnis van de Oekraïense rechter is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken op 17 mei 2024. Van de echtscheiding heeft – voor zover de rechtbank dat uit de beschikbare stukken kan opmaken – geen inschrijving plaatsgevonden in de registers van de burgerlijke stand.
- Zij zijn de ouders van de minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] );
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ).
- De kinderen staan ingeschreven op het BRP-adres van de moeder.
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- De moeder is ook de moeder van:
- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2009 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] );
- [minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 4] 2007 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ).
- De ouders hebben de Oekraïense nationaliteit.
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt te bepalen dat de vader zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen met € 400,- per kind per maand, bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen met ingang van 17 april 2025, althans met ingang van datum indiening verzoekschrift, althans een zodanige bijdrage die de rechtbank juist acht,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken,
Tevens verzoekt de vader – na wijziging – :
- een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen in de even weken op maandag, dinsdag, vrijdag, zaterdag en zondag bij de vader zijn en in de oneven weken op woensdag en donderdag, alsmede de helft van de feest- en vakantiedagen;
- te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij de vader zal zijn en daarbij aan de vader vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 2] in te schrijven op zijn adres in de gemeentelijke basisadministratie,
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
Beoordeling
Hoofdverblijf
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats.
Inhoudelijke beoordeling De vader heeft op de zitting naar voren gebracht dat hij het van belang acht dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] of [minderjarige 1] bij hem wordt bepaald, zodat sprake is van een meer gelijkwaardige verdeling van de zorg en de administratieve taken. Hoewel de rechtbank het standpunt van de vader, dat hij meer betrokken wil zijn bij de kinderen, begrijpt, zal de rechtbank zijn verzoek in het belang van de kinderen afwijzen. De moeder kan namelijk hogere toeslagen ontvangen dan de vader en dat acht de rechtbank van doorslaggevend belang.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat de ouders belast zijn met het gezamenlijk gezag over de kinderen. Van beide ouders wordt dan ook verwacht dat zij elkaar op de hoogte houden van belangrijke zaken en gebeurtenissen aangaande de kinderen.
Zorgregeling en vakantieregeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
Inhoudelijke beoordeling zorgregeling Uit de stukken en het verhandelde op de zitting volgt dat de vader een gelijkwaardige zorgregeling wil. Daarbij vindt de vader het belangrijk dat de kinderen meerdere aaneengesloten dagen bij hem verblijven, om te voorkomen dat de kinderen veelvuldig tussen de ouders heen en weer moeten reizen. De moeder stelt zich op het standpunt dat de communicatie tussen de ouders onvoldoende is voor een co-ouderschapsregeling. Ook de reisafstand tussen [plaats 2] en [plaats 3] met het openbaar vervoer staat de uitvoerbaarheid van een co-ouderschapsregeling in de weg. Verder is de school van de kinderen in [plaats 3] en de kinderen hebben al hun sociale contacten en activiteiten in [plaats 3]. [minderjarige 2] heeft zwemles en dansles in [plaats 3] en de kinderen hebben op zaterdag Oekraïense school in [plaats 3]. Daarnaast blijkt in de praktijk dat de vader de kinderen, op het moment dat zij bij hem verblijven, niet naar hun activiteiten brengt.
De rechtbank ziet aanleiding om (een definitieve) zorgregeling vast te stellen, inhoudende dat de kinderen de ene week van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijven en de andere week van woensdag uit school tot vrijdag naar school. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat zij voldoende tijd bij de vader kunnen zijn, zowel op doordeweekse dagen als tijdens de weekenden. Hoewel bij de rechtbank enige zorgen bestaan over de lange reisafstand, hebben de kinderen aangegeven dat zij hier zelf geen moeite mee hebben. Ook de raadsvertegenwoordiger heeft op de zitting verklaard dat een dergelijke reis een pedagogische meerwaarde kan zijn voor de kinderen, mits zij deze reis niet dagelijks hoeven te maken. Gelet op de reistijd kan van de vader niet verwacht worden dat hij de kinderen naar Oekraïense les in [plaats 3] brengt en ook niet dat hij [minderjarige 2] naar dansles brengt. De zorg van de moeder dat de kinderen te weinig van de Oekraïense cultuur meekrijgen, terwijl er een risico bestaat dat het gezin terug moet naar Oekraïne, kan ondervangen worden door de kinderen om de week naar Oekraïense les te laten gaan, namelijk in het weekend dat de kinderen bij de moeder verblijven. Verder zal de rechtbank bepalen dat in het geval dat de kinderen in de toekomst zwemles zullen hebben op de dag dat zij bij de vader zijn, hij dan gehouden zal zijn om de kinderen naar zwemles te brengen en te halen.
De rechtbank benadrukt dat het van belang is dat de ouders zich aan voornoemde zorgregeling houden. Het staat de ouders uiteraard vrij om in onderling overleg van de zorgregeling af te wijken.
Inhoudelijke beoordeling vakantieregeling De moeder heeft ingestemd met het verzoek van de vader om de vakanties bij helfte te verdelen. Op de zitting heeft de moeder aangegeven dat zij een concrete verdeling van de vakantiedagen wenst. De vader heeft aangegeven dat hij hoopt op enige flexibiliteit wanneer een van de ouders een verre reis met de kinderen wil maken.
Nu het de ouders niet altijd lukt om samen tot afspraken te komen ziet de rechtbank aanleiding om een concrete vakantieregeling vast te stellen in het dictum van deze uitspraak. Ook ten aanzien van de vakantieregeling staat het de ouders vrij om in onderling overleg van deze regeling af te wijken.
Kinderalimentatie Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek. Op het alimentatieverzoek zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling IngangsdatumDe rechtbank stelt voorop dat als hoofdregel geldt dat behoedzaam gebruik dient te worden gemaakt van de bevoegdheid om de alimentatie over een periode in het verleden en dus met terugwerkende kracht vast te stellen, vanwege de ingrijpende gevolgen die een terugbetalingsverplichting kan hebben. Bijzondere omstandigheden kunnen maken dat van deze hoofdregel wordt afgeweken.
De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om van de hoofdregel af te wijken, zij zal voor de berekening van de draagkracht daarom de beschikbare actuele gegevens in aanmerking nemen.
BehoefteBij het bepalen van de behoefte hanteert de rechtbank de uitgangspunten, als neergelegd in het Rapport en de daarbij behorende ‘Tabel Eigen Aandeel Kosten Kinderen’. Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (hierna: NBGI) van de ouders ten tijde van de samenleving worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) van beide ouders samen, eventueel inclusief kindgebonden budget.
Aan de zijde van de vader gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 4.000,- bruto per maand in 2024, gebaseerd op de door de hem overgelegde salarisspecificatie van februari 2024. Rekening houdend met een vakantietoeslag van 8%, de gedifferentieerde premie WHK van afgerond € 8,- per maand, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de vader op € 3.242,- per maand.
Ten aanzien van de moeder neemt de rechtbank de door haar overgelegde behoefteberekening in aanmerking. De moeder ontving in 2024 leefgeld van € 1.132,87 per maand voor vijf personen, op grond van de ‘Regeling opvang ontheemden Oekraïne’. Gelet op het feit dat het leefgeld ook bedoeld was voor [minderjarige 4] en hij buiten deze berekening wordt gehouden zal de rechtbank uitgaan van vier personen, aldus van een bedrag aan leefgeld van € 905,60 per maand ((1.132,87 / 5) x 4). De rechtbank berekent het NBI van de moeder op afgerond € 906,- per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van de ouders bedraagt dus € 4.148,- per maand (3.242,- + 906,-) in 2024.
Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2024 leidt het voorgaande dan tot een behoefte van € 965,-. Geïndexeerd naar 2026 is de behoefte € 1.075,- zijnde € 537,- per kind per maand. Verder sluit de rechtbank zich aan bij het standpunt van de moeder dat, aangezien zij geen aanspraak maakte op kinderbijslag, de behoefte van de kinderen moet worden verhoogd met de misgelopen kinderbijslag van € 114,- per kind. De rechtbank stelt de behoefte van de kinderen vast op € 1.304,- dus afgerond € 652,- per kind per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen de ouders moet worden verdeeld.
Draagkracht vader
Voor de draagkrachtberekening van de vader gaat de rechtbank uit van een bruto arbeidsinkomen van € 4.000,- per maand in 2025, gebaseerd op de door de hem overgelegde salarisspecificaties van juni, juli en augustus 2025. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met een vakantietoeslag van 8%, de gedifferentieerde premie WHK van afgerond € 8,- per maand, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de vader in 2026 op € 3.330,- per maand.
Tussen de ouders is in geschil of bij de vader de kosten voor het openbaar vervoer van circa € 245,- per maand als extra kosten in aanmerking moeten worden genomen. De vader stelt zich op het standpunt dat hij de reiskosten tussen [plaats 2] en [plaats 3] op zich neemt bij de uitvoering van de zorgregeling. Dit zijn volgens de vader onvermijdbare extra kosten waar rekening mee moet worden gehouden. Volgens de moeder moet geen rekening gehouden worden met deze reiskosten, nu de vader zelf de keuze heeft gemaakt om naar [plaats 2] te verhuizen. De rechtbank is van oordeel dat de vader met stukken heeft aangetoond dat hij zorgdraagt voor de vervoerskosten tussen [plaats 2] en [plaats 3] en dat de gestelde netto vervoerskosten zodanig hoog zijn dat deze als bijzondere kosten aangemerkt kunnen worden. De rechtbank ziet zodoende aanleiding om met een deel van voornoemde vervoerskosten rekening te houden, te weten met de helft van de door de vader gestelde kosten, aldus € 123,- per maand. Ten aanzien van de overige kosten die de vader aanvoert, is de rechtbank van oordeel dat hij deze moet voldoen uit het daarvoor in aanmerking genomen normbedrag (de gecorrigeerde bijstandsnorm).
Verder houdt de rechtbank aan de zijde van de vader rekening met zijn werkelijke woonlasten van € 1.500,- per maand. De vader heeft zijn werkelijke woonlast met stukken onderbouwd. De rechtbank zal hierbij aansluiten.
Omdat het NBI van de vader hoger is dan € 2.200,- zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (werkelijke woonlasten + 1.365,- + vervoerskosten] hanteren. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [3.330,- – (1.500,- + 1.365,- + 123,-)] = € 239,- per maand.
Draagkracht moeder Voor de draagkrachtberekening van de moeder gaat de rechtbank uit van een bruto arbeidsinkomen van € 2.064,-, zoals volgt uit haar salarisspecificaties van januari en februari 2025. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met een vakantietoeslag van 8%, de inhouden pensioenpremie van € 51,- per maand, de premie WGA van afgerond € 9,- per maand, de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en kindgebonden budget. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de moeder in 2025 op € 3.789,- per maand. Tussen de ouders is in geschil in hoeverre rekening gehouden moet worden met het woonbudget. De moeder stelt zich op het standpunt dat zij op dit moment een woonlast heeft van € 244,22 per maand, maar dat zij vanaf maart 2027 marktconforme woonlasten moet betalen. Gelet daarop is de moeder van mening dat haar woonlast forfaitair vastgesteld moet worden. De vader stelt zich op het standpunt dat rekening gehouden moet worden met haar werkelijke woonlasten. De rechtbank vindt het redelijk om nu nog uit te gaan van de werkelijke woonlasten van de moeder. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders (met behulp van hun advocaten) de berekening in deze beschikking kunnen aanpassen met het woonbudget op het moment dat de moeder daadwerkelijk de markconforme woonlasten zal betalen. In het geval toepassing van het woonbudget dan zal leiden tot een tekort in de draagkracht, dienen ouders de eventueel daadwerkelijke lagere woonlasten van de moeder in aanmerking te nemen in de herberekening.
Omdat het NBI van de moeder hoger is dan € 2.200,- zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (werkelijke woonlasten + € 1.365,-] hanteren. De draagkracht van de moeder bedraagt dan: 70% x [3.789,- – (244,- + 1.365,-)] = € 1.526,- per maand.
De rechtbank stelt vast dat de moeder onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 1], [minderjarige 2] en (de zeventienjarige) [minderjarige 3]. De moeder heeft haar andere zoon [minderjarige 4] buiten haar alimentatieberekening gehouden omdat hij op [datum 2] 2025 de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en hij een eigen uitkering van ‘Regeling opvang ontheemden Oekraïne’ ontvangt. Nu de moeder niet alleen onderhoudsplichtig is jegens [minderjarige 1] en [minderjarige 2], maar ook jegens [minderjarige 3], vindt de rechtbank het redelijk om een derde deel van de draagkracht aan [minderjarige 3] toe te rekenen, ofwel afgerond (1.526,- / 3 =) € 508,- per maand. De draagkracht van de moeder ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dan afgerond € 1.018,-.
Zorgkorting
De rechtbank baseert de zorgkorting op de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling waarbij met vakanties inbegrepen de kinderen circa tweeënhalve dag per week bij de vader zijn. De rechtbank ziet aanleiding om een zorgkorting van 30% te hanteren, gelet op de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling. De zorgkorting bedraagt (0,30 x € 1.304,- = afgerond) € 391,-.
Gezamenlijke draagkracht
De draagkracht van de ouders bedraagt gezamenlijk (€ 239,- + € 1.018,- =) € 1.257,- per maand. Dit is onvoldoende om in de behoefte van de kinderen (van € 1.304,-) te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van (€ 1.304,- – € 1.257,- =) € 47,- per maand.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat de draagkracht van de vader € 239,- per maand bedraagt. De zorgkorting bedraagt € 392,- per maand. Nu de zorgkorting de beschikbare draagkracht van de vader overstijgt, resteert geen ruimte voor een door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de moeder. De rechtbank zal het verzoek van de moeder tot vaststelling van kinderalimentatie daarom afwijzen. Daarbij merkt de rechtbank wel op dat de vader gehouden is alle kosten voor het openbaar vervoer te betalen om de kinderen naar school te brengen en te halen als de kinderen bij hem zijn.
Aanhechten berekeningen
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.
Beslissing
De rechtbank:
*
stelt een reguliere zorgregeling vast, inhoudende dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] );
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
de ene week van vrijdag uit school tot maandag naar school en de andere week van woensdag uit school tot vrijdag naar school bij de vader zullen zijn;
*
bepaalt ten aanzien van de vakantiedagen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als volgt bij de ouders zijn:
- voorjaarsvakantie: in de even jaren bij de vader, in de oneven jaren bij de moeder;
- meivakantie: in de even jaren de eerste week bij de vader, en de tweede week bij de moeder; in de oneven jaren is het omgekeerd;
- zomervakantie: in de even jaren de eerste drie weken bij de vader, en de laatste drie weken bij de moeder; in de oneven jaren is het omgekeerd;
- herfstvakantie: in de even jaren bij de moeder, in de oneven jaren bij de vader;
- kerstvakantie: in de oneven jaren de eerste week bij de vader, en de tweede week bij de moeder; in de even jaren is het omgekeerd;
- Kerst: in de even jaren bij de vader, in de oneven jaren bij de moeder;
- Oudejaarsdag en nieuwjaarsdag: in de even jaren bij de moeder, in de oneven jaren bij de vader;
- alle andere van overheidswege vastgestelde schoolvakanties en feestdagen zullen worden verdeeld conform de reguliere zorgregeling;
*verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*wijst af het meer of anders verzochte.
| Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, kinderrechter, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Hoek als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juli 2026. |
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.