Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 1 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21453Zaaknummer C/09/703501 / FA RK 26-3823
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 1 juli 2026
- Publicatiedatum
- 20 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/09/703501 / FA RK 26-3823
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Voorlopige voorzieningen. Overeenstemming over toevertrouwing en voorlopige zorgregeling. Vaststelling voorlopige kinderalimentatie en partneralimentatie.
De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats], aan de man zal worden toevertrouwd;
*
bepaalt dat [de minderjarige] voorlopig bij de vrouw is:
- met ingang van de zomervakantie één dag per week van 12.00 uur tot 20.00 uur, waarbij de dag in onderling overleg tussen partijen wordt afgestemd;
- één aaneengesloten week in de zomervakantie;
- op Moederdag;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 3 juni 2026, voorlopig een kinderalimentatie voor [de minderjarige] (bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt) van € 39,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 3 juni 2026, voorlopig een partneralimentatie van € 1.597,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
| Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, ook kinderrechter, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 1 juli 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-3823
Zaaknummer: C/09/703501
Datum beschikking: 1 juli 2026
Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 17 april 2026 ingekomen verzoek van:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. van Venetiën in Alphen aan den Rijn.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.A.E. van Poppel in Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen, namens de vrouw;
- het verweerschrift, met zelfstandige verzoeken en met bijlagen, namens de man;
- het bericht van 16 juni 2026, met bijlagen, namens de vrouw;
- het bericht van 17 juni 2026, met bijlage, namens de man.
De minderjarige [de minderjarige] heeft haar mening over de verzochte voorlopige zorgregeling gegeven in een gesprek met de kinderrechter.
Op 17 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat, de man met mr. J. Broijl als waarnemend advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Feiten
- De vrouw en de man zijn gehuwd op [datum] 2011 in [plaats].
- Zij zijn de ouders van het nu nog minderjarige kind:
- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats].
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.
Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt dat:
- een voorlopige zorgregeling voor [de minderjarige] wordt vastgesteld, waarbij (naar de rechtbank begrijpt) [de minderjarige] bij de vrouw is:
- in de even weken op zaterdag van 12.00 uur tot 20.00 uur;
- in de oneven weken op zondag van 12.00 uur tot 20.00 uur;
- gedurende twee aaneengesloten weken in de zomervakantie;
- op Moederdag;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 238,- per maand wordt vastgesteld, althans een zodanige bijdrage als de rechtbank in goede justitie juist acht, met ingang van de datum van het verzoekschrift, althans met ingang van een datum die de rechtbank in goede justitie juist acht, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 2.427,- per maand wordt vastgesteld, althans een zodanige bijdrage als de rechtbank in goede justitie juist acht, met ingang van de datum van het verzoekschrift, althans met ingang van een datum die de rechtbank in goede justitie juist acht, telkens bij vooruitbetaling te voldoen,
met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de man zelfstandig dat:
- (naar de rechtbank begrijpt) [de minderjarige] aan de man wordt toevertrouwd;
- een voorlopige zorgregeling voor [de minderjarige] wordt vastgesteld, waarbij [de minderjarige] bij de vrouw is:
- één keer in de twee weken van dinsdag uit school tot woensdag naar school en de andere week op een zaterdag dan wel een zondag van 12.00 uur tot 20.00 uur (zonder overnachting);
- één aaneengesloten week in de zomervakantie;
- op Moederdag;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 39,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van de datum van de te wijzen beschikking, maandelijks en telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 1.597,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van de datum van de te wijzen beschikking, maandelijks en telkens bij vooruitbetaling te voldoen,
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
Beoordeling
Toevertrouwing [de minderjarige]
Partijen zijn het erover eens dat [de minderjarige] aan de man wordt toevertrouwd. De rechtbank zal conform de overeenstemming van partijen beslissen, aangezien zij dit ook in het belang van [de minderjarige] acht.
Voorlopige zorgregeling
Op de zitting hebben de vrouw en de man overeenstemming bereikt over de voorlopige zorgregeling tussen [de minderjarige] en de vrouw. Zij zijn overeengekomen dat [de minderjarige] één dag in de week van 12.00 uur tot 20.00 uur bij de vrouw zal zijn, waarbij de dag in onderling overleg tussen partijen wordt afgestemd. De rechtbank zal conform de overeenstemming van partijen beslissen, aangezien zij dit ook in het belang van [de minderjarige] acht. Daarbij zal de rechtbank vaststellen dat deze regeling ingaat bij aanvang van de zomervakantie, zodat [de minderjarige] zich tot die tijd kan concentreren op haar school. Ook zal de rechtbank vaststellen dat [de minderjarige] één aaneengesloten week in de zomervakantie bij de vrouw zal zijn, omdat partijen het in ieder geval daarover eens zijn. Verder zal de rechtbank conform de overeenstemming van partijen vaststellen dat [de minderjarige] op Moederdag bij de vrouw is.
Voorlopige kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de voorlopige kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro's.
Ingangsdatum
De rechtbank zal in redelijkheid als ingangsdatum van de voorlopige kinderalimentatie
3 juni 2026 vaststellen, aangezien is gebleken dat de vrouw op die datum de echtelijke woning heeft verlaten.
Behoefte
Voor het bepalen van de behoefte van [de minderjarige] moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen ten tijde van hun uiteengaan worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen samen, eventueel inclusief kindgebonden budget. De vrouw en de man zijn op 3 juni 2026 feitelijk uit elkaar gegaan, zodat de rechtbank zal rekenen met de tarieven van 2026-I.
De ouders zijn het erover eens dat er op basis van hun inkomens sprake is van een behoefte gebaseerd op het maximale netto besteedbaar gezinsinkomen volgens de tabel van € 7.500,- per maand, zodat de behoefte van [de minderjarige] € 985,- per maand bedraagt.
Draagkracht
De behoefte van [de minderjarige] moet door partijen worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van partijen moet conform de aanbevelingen uit het rapport 2026 in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.365)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.200,-) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.
Draagkracht vrouw
Partijen zijn het erover eens dat de vrouw op basis van haar inkomen een minimale draagkracht van € 25,- per maand heeft, zodat de rechtbank hiervan uit zal gaan.
Draagkracht man
Bij de berekening van de financiële draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 10.924,- per maand en een bonus van € 3.877,- per jaar, zoals blijkt uit de salarisstroken van januari t/m maart van 2026. Verder houdt de rechtbank rekening met 8% vakantiegeld, de netto pensioenpremie van € 602,- per maand en de netto WGA-premie van € 23,- per maand.
De vrouw stelt dat de man ook vermogen heeft in box 3 en dat er rekening moet worden gehouden met een rendement dat gelijk is aan het fictieve rendement dat de Belastingdienst hierover hanteert. De man verweert zich hiertegen. De man geeft aan dat er alleen rekening moet worden gehouden met werkelijk rendement, waar in dit geval geen sprake van is. De rechtbank merkt op in het kader van de voorlopige voorzieningen geen aanleiding te zien uit te gaan van een fictief rendement over vermogen. De echtscheidingsprocedure is nog niet gestart, zodat de gemeenschap van goederen waarin partijen zijn getrouwd nog niet is ontbonden en het feitelijke rendement dat eventueel is behaald en tot de peildatum wellicht nog behaald gaat worden daarvan onderdeel uitmaakt. Het vermogen van partijen zal als gevolg van de echtscheiding verdeeld worden en ieder der partijen zal het rendement over het eigen aandeel in het vermogen ontvangen. De rechtbank ziet daarom in deze voorlopige voorzieningenprocedure geen aanleiding om aan de zijde van de man rekening te houden met rendement over aanwezig vermogen.
Gelet op het bovenstaande berekent de rechtbank het NBI van de man op € 6.335,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 2.149,- per maand, te weten
70% x [6.335 - (0,3 x 6.335 + 1.365)].
Conclusie
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 2.174,- per maand (€ 25,- + € 2.149,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: € 2.149,- / € 2.174,- x € 985,- = € 974,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: € 25,- / € 2.174,- x € 985,- = € 11,-
samen € 985,-
Van de totale behoefte van [de minderjarige] komt € 974,- per maand voor rekening van de man en € 11,-per maand voor rekening van de vrouw.
De vrouw maakt op de dagen dat [de minderjarige] bij haar verblijft kosten waarmee zij ten dele aan haar onderhoudsverplichting voldoet. Daarom verlaagt de rechtbank in beginsel de bijdrage van de vrouw met een percentage van de behoefte van [de minderjarige] (de zorgkorting). Gelet op de vast te stellen voorlopige zorgregeling tussen de vrouw en [de minderjarige] ziet de rechtbank aanleiding om rekening te houden met een zorgkorting van 5%. Het bedrag aan zorgkorting bedraagt € 49,- per maand (5% van € 985,-).
De rechtbank merkt op dat de vrouw meer aan zorgkosten voor [de minderjarige] betaalt (€ 49,-) dan haar aandeel in de kosten van [de minderjarige] is (€ 11,-) en dat de zorgkosten ook haar draagkracht overstijgen (€ 25,-). Aangezien de draagkracht van de man € 2.149,- per maand bedraagt en hij volgens de huidige berekening hiervan € 974,- per maand aan [de minderjarige] besteedt, blijft er
€ 1.175,- per maand van zijn draagkracht ongebruikt. De rechtbank acht het in dit geval redelijk dat de man het tekort in de zorgkosten van de vrouw betaalt als bijdrage in de kosten van [de minderjarige]. Daarbij merkt de rechtbank op dat de man op de zitting heeft aangeboden om een bedrag van € 39,- per maand als voorlopige kinderalimentatie aan de vrouw te betalen, ook als de rechtbank in haar berekening op een lager bedrag zou uitkomen. De rechtbank zal daarom een door de man te betalen voorlopige kinderalimentatie voor [de minderjarige] vaststellen op een bedrag van € 39,- per maand.
Voorlopige partneralimentatie
De vrouw heeft op de zitting haar verzoek voor een voorlopige bijdrage in haar levensonderhoud gewijzigd naar € 2.204,- bruto per maand.
Bij de vaststelling van de voorlopige partneralimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro's.
Ingangsdatum
De rechtbank zal in redelijkheid als ingangsdatum van de voorlopige partneralimentatie
3 juni 2026 vaststellen, aangezien is gebleken dat de vrouw op die datum de echtelijke woning heeft verlaten.
Behoefte vrouw
De rechtbank zal partijen volgen in hun gezamenlijke standpunt dat de behoefte van de vrouw moet worden vastgesteld aan de hand van de zogeheten hofnorm, inhoudende dat de behoefte van de alimentatiegerechtigde kan worden gelijkgesteld aan 60% van het NBI van partijen ten tijde van hun uiteengaan, minus de kosten van de kinderen. Partijen zijn in juni 2026 feitelijk uit elkaar gegaan, zodat de rechtbank zal rekenen met de tarieven van 2026-I.
Aan de zijde van de vrouw gaat de rechtbank, net als beide partijen, uit van een inkomen van € 21.875,- per jaar, zoals blijkt uit de jaaropgave 2025. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de vrouw ten tijde van het uiteengaan van partijen op € 1.770,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Aan de zijde van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 152.300,- per jaar en een correctie daarop in verband met de bijtelling voor privégebruik van een auto van de zaak van € 14.001,- per jaar, zoals blijkt uit de jaaropgave 2025. Zoals in het kader van de voorlopige kinderalimentatie is overwogen houdt de rechtbank, anders dan de vrouw, geen rekening met rendement over vermogen. De rechtbank berekent het NBI van de man ten tijde van het uiteengaan van partijen op € 6.659,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Het NBGI van partijen bedraagt daarmee (€ 1.770,- + € 6.659,- =) € 8.429,- per maand. Zoals is overwogen in het kader van de voorlopige kinderalimentatie bedroegen de kosten van [de minderjarige] € 985,- per maand. De rechtbank berekent de behoefte van de vrouw conform de hofnorm op een bedrag van € 4.466,- netto per maand (60% van (€ 8.429,- minus € 985,-).
Aanvullende behoefte vrouw
Voor de berekening van de aanvullende behoefte van de vrouw moet op de hiervoor berekende netto behoefte van € 4.466,- haar huidige NBI in mindering worden gebracht. Het aandeel van de vrouw in de kosten van [de minderjarige] moet er vervolgens weer bij worden opgeteld. De rechtbank houdt daarom rekening met het aandeel van de vrouw is de kosten van [de minderjarige] van € 11,- per maand.
Gelet op het (recente) moment van uiteengaan van partijen merkt de rechtbank het NBI van de vrouw zoals berekend in het kader van haar behoefte ook aan als haar huidige NBI. De aanvullende behoefte van de vrouw bedraagt daarmee (€ 4.466,- minus € 1.770,- + € 11,- =)
€ 2.707,- netto per maand, zijnde € 5.171,- bruto per maand.
Draagkracht man
Bij de berekening van de financiële draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van dezelfde gegevens uit 2026 als bij de draagkracht voor de voorlopige kinderalimentatie, zodat de rechtbank ook hier uitgaat van een NBI van de man van € 6.335,- per maand. De rechtbank zal, in lijn met het rapport van 2026 de draagkracht vaststellen aan de hand van de formule 60% [NBI – (0,3 x NBI + 1365)]. Bij een NBI van € 6.335,- resulteert dit in een draagkracht van de man van € 1.842,- per maand. Hierop worden in mindering gebracht de kosten die de man voor [de minderjarige] heeft, die, inclusief zijn bijdrage van € 39,- per maand aan de vrouw aan kinderalimentatie, € 1.013,- bedragen. Daarmee resteert een draagkracht van
€ 829,- netto per maand. Gebruteerd komt dit neer op € 1.327,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Conclusie
Op de zitting heeft de man aangeboden om een bedrag van € 1.597,- per maand als voorlopige partneralimentatie aan de vrouw te betalen, ook als de rechtbank in haar berekening op een lager bedrag zou uitkomen. De rechtbank zal daarom een door de man te betalen voorlopige partneralimentatie vaststellen op een bedrag van € 1.597,- per maand.
Proceskosten
Aangezien het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats], aan de man zal worden toevertrouwd;
*
bepaalt dat [de minderjarige] voorlopig bij de vrouw is:
- met ingang van de zomervakantie één dag per week van 12.00 uur tot 20.00 uur, waarbij de dag in onderling overleg tussen partijen wordt afgestemd;
- één aaneengesloten week in de zomervakantie;
- op Moederdag;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 3 juni 2026, voorlopig een kinderalimentatie voor [de minderjarige] (bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt) van € 39,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 3 juni 2026, voorlopig een partneralimentatie van € 1.597,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
| Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, ook kinderrechter, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 1 juli 2026. |
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.