Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 30 juni 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:21336Zaaknummer C/09/682549 / FA RK 25-2314

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
20 augustus 2026
Zaaknummer
C/09/682549 / FA RK 25-2314
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

gezag, zorgregeling en informatie

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 18 juni 2026 – :

bepaalt dat de vader en de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] in beginsel één keer per maand tien minuten met elkaar zullen videobellen, waarbij de regie en eventuele opbouw bij de jeugdbeschermer ligt;

wijst af het verzoek van de vader ten aanzien van het opvragen van informatie bij betrokken instanties;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, de zorgregeling en de dwangsommen aan tot 1 juli 2027 pro forma.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Olthoff als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Gezag en zorg- c.q. omgangsregeling
  2. Procedure
  3. Nog voorliggende verzoeken
  4. Beoordeling
  5. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 25-2314

Zaaknummer: C/09/682549

Datum beschikking: 30 juni 2026

Gezag en zorg- c.q. omgangsregeling

Beschikking op het op 27 maart 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader],

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. W.P.A. Vos in Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend geheim adres,

advocaat: mr. A. Hayaty in Den Haag.

Procedure

Bij beschikking van 18 juni 2025 van deze rechtbank is een beslissing ter zake van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aangehouden en de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten, alsmede de rechtbank te rapporteren en te adviseren. Daarnaast heeft de rechtbank een informatieregeling vastgelegd, inhoudende dat de moeder de vader elke drie maanden de volgende informatie over [de minderjarige] zal sturen per e-mail, te beginnen voor 1 juli 2025:

- het verloop van de drie maanden;

- of het kind ziek is geweest, wat hij dan had en of de moeder met hem naar de huisarts is geweest;

- wat de kleding- en schoenmaat van het kind is;

- hoe zijn ontwikkeling is op school, opvang en thuis;

- hoe zijn ontwikkeling is in contacten met leeftijdsgenootjes;

- hoe zijn ontwikkeling is op het gebied van de Nederlandse taal;

- een recente foto.

De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:

- het bericht van 29 december 2025 van de vader;

- het bericht van 30 december 2025 van de moeder;

- het bericht van 5 januari 2025, met bijlagen, van de moeder;

- het raadsrapport van 27 januari 2026, met kenmerk [kenmerk];

- het aanvullend zelfstandig verzoekschrift van de moeder;

- het bericht van 24 februari 2026, met bijlage, van de moeder;

- het bericht van 18 maart 2026 van de vader;

- het bericht van 30 maart 2026 van de moeder;

- de berichten van 1 april 2026 van de moeder;

- het bericht van 18 mei 2026, met bijlage, van de moeder;

- het aanvullend zelfstandig verzoekschrift van de moeder;

- het bericht van 28 mei 2026 van de vader;

- het aanvullend verweerschrift, tevens inhoudende aanvullende zelfstandige verzoeken;

- het bericht van 31 mei 2026, met bijlagen, van de moeder;

- de berichten van 1 juni 2026, met bijlagen, van de vader.

Op 2 juni 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:

- de vader met zijn advocaat;

- de vrouw met haar advocaat, een tolk, mevrouw J. Lakjaa en een begeleider vanuit Kesslerperspectief;

- [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Van zowel de zijde van de vader als van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.

Nog voorliggende verzoeken

De vader verzoekt, na wijziging:

- een ondertoezichtstelling van [de minderjarige] uit te spreken en een gecertificeerde instelling met de uitvoering belasten, met bijzondere opdracht tot:

- onmiddellijk contactherstel;

- aanpak van parentificatie en loyaliteitsconflict;

- vlottrekken van de hulpverlening; en

- begeleiding van informatieverstrekking;

- de volgende zorgregeling vast te stellen:

- beeldbellen: minimaal tweemaal per week, op vaste dagen en tijden, minimaal vijftien minuten, onder begeleiding van Sensa Zorg, op straffe van een dwangsom van € 500,- per overtreding;

- opbouwende fysieke omgang: conform het advies van de Raad voor de Kinderbescherming, te beginnen bij positief verlopend beeldbellen, op straffe van een dwangsom van € 500,- per overtreding,

alles te vermeerderen met € 250,- per dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 25.000,-;

- de beschikking van 18 juni 2025 te wijzigen in die zin dat de vader als gezaghebbende ouder zelfstandig en rechtstreeks informatie mag opvragen bij alle instanties die betrokken zijn bij [de minderjarige], waaronder in ieder geval:

- de basisschool en eventuele opvang van [de minderjarige];

- betrokken hulpverleningsinstanties, waaronder RondomJou, Youz en andere betrokken hulpverlening;

- het diagnostisch onderzoek;

- de huisarts van [de minderjarige];

- eventuele sport- of hobbyverenigingen,

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Daarnaast verzoekt de moeder, na aanvulling, zelfstandig te bepalen dat:

- het gezag over [de minderjarige] voortaan uitsluitend aan de moeder toekomt, met ingang van de datum van de beschikking;

- de omgang tussen de vader en [de minderjarige] wordt ontzegd voor de duur van een jaar op grond van artikel 1:377a lid 3 sub a en d van het Burgerlijk Wetboek;

- voorafgaand aan heroverweging van de omgang:

- [de minderjarige] gerichte traumaverwerking moet ontvangen voor het trauma van getuige zijn van huiselijk geweld;

- de moeder haar PTSS-behandeling moet kunnen afronden zonder verstoring door gedwongen contact met de vader;

- de vader een volledige emotie- en agressieregulatie training moet ondergaan bij een erkende instelling met aantoonbaar positief resultaat;

- de situatie zal opnieuw worden beoordeeld zodra bovenstaande voorwaarden zijn vervuld.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist.

Opmerking vooraf

Het verzoek van de vader om [de minderjarige] (voorlopig) onder toezicht te stellen is afgesplitst (C/09/706298 JE RK 26-955). In die procedure heeft de kinderrechter bij beschikking van vandaag beslist dat [de minderjarige] onder toezicht wordt gesteld.

Gezag

De vrouw verzoekt met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] belast te worden. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw voor de duur van de ondertoezichtstelling aanhouden. Hoewel de moeder zich in het verleden tot de rechtbank heeft gewend voor vervangende toestemming voor vakanties naar Marokko, is gebleken dat de vader – anders dan de moeder stelt – de moeder verder niet belemmert in het nemen van gezagsbeslissingen. Derhalve ziet de rechtbank in afwachting van de uitkomsten van de ondertoezichtstelling nu geen noodzaak om verstrekkende beslissingen te nemen ten aanzien van het gezag.

Zorgregeling

Uit het raadsrapport volgt dat vader een positieve ontwikkeling laat zien. Zo is er volgens betrokken hulpverlening geen sprake meer van agressie, stelt de vader zich constructief op, zijn de contactmomenten goed verlopen en houdt de vader zich aan de afspraken. Om deze reden dient contact met de vader in het belang van [de minderjarige] te worden geacht. Omdat [de minderjarige] op dit moment een negatief beeld van de vader heeft en de moeder onvoldoende draagkracht heeft om het contact tussen de vader en [de minderjarige] te faciliteren, adviseert de Raad het contact tussen de vader en [de minderjarige] onder begeleiding op te bouwen. Hierbij wordt in beginsel gedacht aan videobellen als eerste stap in het contactherstel, waarbij de vader en [de minderjarige] om de week maximaal tien minuten met elkaar videobellen. De Raad benadrukt hierbij dat het tempo van [de minderjarige] centraal moet staan en dat er geen druk door de vader op [de minderjarige] mag worden uitgeoefend. Wanneer de videobelmomenten goed verlopen, kan met hulpverlening worden gekeken op welke wijze het contact tussen de vader en [de minderjarige] op langere termijn kan worden uitgebreid.

Naar aanleiding van het raadsrapport heeft de vader zijn verzoek ten aanzien van de zorgregeling gewijzigd en verzoekt hij een zorgregeling vast te stellen conform het advies van de Raad. Tussen de vader en [de minderjarige] is al langere tijd geen contact en de vader vreest dat zij hierdoor steeds verder van elkaar zullen vervreemden. Om deze reden dient het contact tussen hem en [de minderjarige] zo snel mogelijk te worden hersteld.

De moeder verzoekt de omgang tussen de vader en [de minderjarige] voor de duur van een jaar te ontzeggen. Hoewel de moeder erkent dat een kind in beginsel recht heeft op omgang met beide ouders, stelt zij zich op het standpunt dat in onderhavig geval sprake is van contra-indicaties. Volgens de moeder heeft [de minderjarige] namelijk veel meegemaakt, waaronder huiselijk geweld waar hij getuige van is geweest. De moeder acht het dan ook van belang dat [de minderjarige] gerichte hulpverlening ontvangt om eventuele trauma’s te verwerken, voordat het contact tussen de vader en hem kan worden hersteld. Daarnaast kampt de moeder zelf met een posttraumatische stressstoornis. Doordat zij continu met de vader wordt geconfronteerd, wordt zij belemmerd in haar herstel. Zij is dan ook gebaat bij rust. Pas op het moment dat de moeder voldoende is hersteld, heeft zij draagvlak om het contact tussen [de minderjarige] en de vader te faciliteren. Tot slot stelt de moeder zich op het standpunt dat niet is gebleken dat de vader aan zijn eigen problematiek heeft gewerkt. Derhalve kan volgens de moeder niet worden vastgesteld dat het contact met de vader voldoende veilig is.

De rechtbank sluit zich aan bij het advies van de Raad en is van oordeel dat er een vorm van contact tussen de vader en [de minderjarige] tot stand moet komen. Hierbij acht de rechtbank het van belang dat rekening wordt gehouden met de draagkracht van de moeder. Ook neemt de rechtbank mee in haar overweging dat de Raad contra-indicaties ziet voor direct fysiek contact. Om deze reden zal de rechtbank bepalen dat de vader en [de minderjarige] voorlopig eenmaal per maand maximaal tien minuten met elkaar zullen videobellen, onder begeleiding en regie van de jeugdbeschermer. Het videobelmoment kan in de komende tijd naar maximaal twee keer per week worden uitgebreid, indien de jeugdbeschermer van oordeel is dat het belang van [de minderjarige] zich hier niet tegen verzet. Van de jeugdbeschermer wordt daarnaast verwacht dat er ten aanzien van het videobellen werkafspraken worden gemaakt. Hierbij denkt de rechtbank onder andere aan afspraken om te voorkomen dat Arabisch wordt gesproken tijdens de videobelmomenten, er wordt gescholden en [de minderjarige] wordt belast met de problematiek tussen partijen. Indien de jeugdbeschermer merkt dat een van partijen zich niet aan de werkafspraken houdt of dat het niet goed met [de minderjarige] gaat, heeft de jeugdbeschermer eveneens de mogelijkheid om het contact tussen de vader en [de minderjarige] af te schalen.

Gelet op bovenstaande, zal de rechtbank de verzoeken van partijen ten aanzien van de zorgregeling en de dwangsommen in afwachting van de uitkomsten van de ondertoezichtstelling aanhouden.

Opvragen informatie bij betrokken instanties

De vader verzoekt de beschikking van 18 juni 2025 in die zin te wijzigen dat hij zelfstandig en rechtstreeks informatie mag opvragen bij alle betrokken instanties rondom [de minderjarige], waaronder onder andere de basisschool van [de minderjarige] en de huisarts van [de minderjarige]. Nu de moeder op een geheim adres verblijft en de rechtbank de vrees heeft dat de vader hierdoor mogelijk de verblijfplaats van de moeder en [de minderjarige] kan achterhalen, zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen. De Raad heeft nog aangegeven dat de vader anoniem met de directeur van de school kan bellen. Dit, zo lijkt de Raad te suggereren, omdat op den duur een geheim adres voor de moeder niet meer haalbaar zal zijn, gezien de positieve ontwikkeling van de vader in de afgelopen twee jaar. De rechtbank acht de kans op verspreking in een anoniem telefoongesprek, waarbij een voornaam van een medewerker of een naam van een vriendje van [de minderjarige] al kan betekenen dat de woonplaats van de moeder achterhaald kan worden, te groot. Daarbij ziet de rechtbank geen aanleiding om nu een oordeel te geven over het wel of niet haalbaar zijn van een geheim adres dan wel over de ontwikkeling van de vader.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 18 juni 2026 – :

bepaalt dat de vader en de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] in beginsel één keer per maand tien minuten met elkaar zullen videobellen, waarbij de regie en eventuele opbouw bij de jeugdbeschermer ligt;

wijst af het verzoek van de vader ten aanzien van het opvragen van informatie bij betrokken instanties;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, de zorgregeling en de dwangsommen aan tot 1 juli 2027 pro forma.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Olthoff als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.