Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 30 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21332Zaaknummer C/09/695996 / FA RK 25-9387
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 30 juni 2026
- Publicatiedatum
- 20 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/09/695996 / FA RK 25-9387
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
gezag, omgang, hoofdverblijfplaats, vervangende toestemming en kinderalimentatie
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-9387
Zaaknummer: C/09/695996
Datum beschikking: 30 juni 2026
Gezag, hoofdverblijfplaats, omgangs- c.q. zorgregeling en kinderalimentatie
Beschikking op het op 10 december 2025 ingekomen verzoek van:
[de vader],
de vader,
een bij de rechtbank bekend briefadres,
mr. R.C. van Bakel te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het bericht van 19 december 2025, met bijlage, van de zijde van de vader;
- het verweerschrift;
- het bericht van 16 februari 2026 van de vader;
- het bericht van 13 mei 2026 van de vader;
- het aanvullend verzoekschrift.
Op 2 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld, alsmede het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing (C/09/695996 / JE RK 25-1966). Op dit verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing is op 2 juni 2026 mondeling uitspraak gedaan. Op de zitting zijn verschenen:
- de vader met zijn advocaat;
- mr. B. Beekman, onttrokken als advocaat van moeder, maar bij afwezigheid van moeder ter zitting aanwezig;
- [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming;
- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
De moeder was niet op de zitting aanwezig.
De minderjarigen [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Feiten
- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats],
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats],
- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2016 te [geboorteplaats].
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige 2] uit. De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 3] belast.
- Bij beschikking van 5 december 2026 van de kinderrechter in deze rechtbank zijn de kinderen onder toezicht gesteld van 5 december 2025 tot 5 december 2026. Daarnaast heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen van 5 december 2025 tot 5 juni 2026 bij de vader verleend. Het verzoek is voor het overige aangehouden.
Verzoek en verweer
De vader verzoekt na aanvulling:
- te bepalen dat aan partijen voortaan het gezamenlijk gezag zal toekomen over [minderjarige 1] en [minderjarige 3];
- te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem zal zijn;
- een zorgregeling vast te stellen waarbij begeleiding omgang plaatsvindt tussen de moeder en de kinderen via de hulpinstantie ZIJN, dan wel een zorgregeling zoals de rechtbank juist acht;
- aan de man vervangende toestemming te verlenen om de kinderen op de zorgpolis van de vader bij Anderzorg bij te schrijven;
- primair: te bepalen dat de moeder aan de vader een bijdrage in de kosten van de opvoeding en verzorging van de kinderen dient te betalen van € 68,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;
subsidiair: te bepalen dat de moeder aan de vader een bijdrage van de opvoeding en verzorging van de kinderen dient te betalen van € 25,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Partijen hebben sinds 2010 een affectieve relatie gehad. Na het uiteengaan van partijen zijn verschillende hulpverleningsinstanties bij het gezin betrokken geraakt, waaronder Veilig Thuis, het Crisis Interventie Team, de Raad voor de Kinderbescherming en jeugdbescherming [regio]. Zoals eerder genoemd, zijn de kinderen onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. De kinderen verblijven in het kader van de uithuisplaatsing bij de vader.
Gezag
Hoewel de vader wel het gezag over [minderjarige 2] uitoefent, is dit voor [minderjarige 3] en [minderjarige 1] niet geregeld en heeft hij dientengevolge over hen geen gezag. De vader acht het echter in het belang van de kinderen dat hij ook met het gezag over [minderjarige 3] en [minderjarige 1] wordt belast. Volgens de vader is dit het uitgangspunt van de wetgever en zijn er geen contra-indicaties aanwezig. De moeder weigert echter haar medewerking te verlenen voor het regelen van het gezamenlijk gezag.
Volgens de moeder zijn partijen niet in staat met elkaar te communiceren, waardoor de kinderen klem komen te zitten.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind geboren is heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Het verzoek om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten wordt slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het gezag over hun kinderen uitoefenen, omdat dit in het belang van de kinderen wordt geacht. Hiervoor is wel vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over het kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen. Hoewel de rechtbank constateert dat de communicatie tussen partijen beperkt is, is zij van oordeel dat er geen feiten of omstandigheden vast zijn komen te staan waaruit de rechtbank opmaakt dat gezamenlijk gezag tot situaties leidt waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 3] klem of verloren of anderszins in zijn belangen wordt geschaad. Daarbij komt dat partijen al het gezamenlijk gezag over [minderjarige 2] uitoefenen. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat er geen onderscheid tussen hen wordt gemaakt. Ook verblijven de kinderen op dit moment volledig bij de vader. Om deze reden acht de rechtbank het van belang dat de vader in staat wordt gesteld mede beslissingen over de kinderen te nemen. Alles afwegende zal de rechtbank het verzoek van de vader om mede met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 3] te worden belast, dan ook toewijzen.
Hoofdverblijfplaats
De vader verzoekt een wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen. De kinderen verblijven namelijk op dit moment in het kader van een uithuisplaatsing al langere tijd bij de vader en willen ook graag bij hem blijven wonen. Volgens de vader hebben de kinderen behoefte aan rust, duidelijkheid en stabiliteit, hetgeen hij hen – anders dan de moeder – kan bieden.
Gelet op de uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader, vraagt de moeder zich af of dit verzoek meerwaarde heeft.
De rechtbank overweegt als volgt. De kinderen verblijven al geruime tijd bij de vader. Op dit moment is er geen zicht op een terugkeer van de kinderen naar de moeder. Bovendien is er weinig bekend over de huidige situatie van de moeder en hoe het met haar gaat. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat het hoofdverblijf van de kinderen wordt gewijzigd naar de vader, zodat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie. De rechtbank zal het verzoek van de vader dan ook toewijzen.
Zorgregeling
Opmerking vooraf
Omdat de rechtbank hiervoor heeft bepaald dat de vader en de moeder gezamenlijk met het gezag over de kinderen zullen worden belast, zal gesproken worden over een zorgregeling.
Inhoudelijke beoordeling
De vader acht het in het belang van de kinderen dat er een duidelijke zorgregeling wordt vastgelegd. Op dit moment is de instantie ZIJN bezig met het opstarten van begeleide omgang tussen de moeder en de kinderen. Omdat de kinderen op dit moment onder toezicht staan, verzoekt de vader een zorgregeling vast te stellen zoals geadviseerd door de jeugdbeschermer, welke inhoudt dat de kinderen en de moeder via ZIJN begeleide omgang krijgen.
Volgens de moeder dient de zorgregeling door de jeugdbeschermer te worden bepaald.
De rechtbank stelt vast dat zij in onderhavige procedure onvoldoende zicht heeft op hoe het contact tussen de moeder en de kinderen vormgegeven moet worden. De jeugdbeschermer heeft – anders dan de rechtbank – binnen de ondertoezichtstelling van de kinderen beter zicht op de situatie met betrekking tot het contact tussen de kinderen en de moeder. Gelet hierop acht de rechtbank het in het belang van de kinderen om te bepalen dat de omgang met de moeder onder regie van de jeugdbeschermer zal plaatsvinden, waarbij de opbouw, de wijze, de duur en de frequentie van het contact door de jeugdbeschermer nader zal worden bepaald. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek van de vader zal afwijzen.
Vervangende toestemming
De vader wil de kinderen laten bijschrijven op zijn zorgpolis, zodat hij een aanvullende dekking voor de kinderen kan afsluiten voor kosten die door de huidige zorgpolis niet worden vergoed, zoals de kosten van de orthodontist en opticien.
De moeder heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een kind in beginsel bijgeschreven dient te staan op de zorgverzekeringspolis van de ouder bij wie het kind daadwerkelijk woont. Nu de kinderen al geruime tijd bij de vader verblijven, de rechtbank – zoals eerder overwogen – de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader zal bepalen en de moeder geen verweer heeft gevoerd, zal de rechtbank het verzoek van de vader als onweersproken en in het belang van de kinderen toewijzen.
Kinderalimentatie
De vader stelt zich – bij gebrek aan gegevens – primair op het standpunt dat de moeder in ieder geval in staat moet worden geacht een maandelijkse bijdrage van € 68,- per kind te kunnen betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. De moeder heeft dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank zal daarom het primaire verzoek van de vader toewijzen. De rechtbank merkt hierbij op dat zij de kinderalimentatie zal vaststellen per datum beschikking, omdat niet om een specifieke ingangsdatum voor de kinderalimentatie is verzocht.
Nu het primaire verzoek zal worden toegewezen, behoeft het subsidiaire verzoek van de vader geen bespreking meer.
BeslissingDe rechtbank:
*
bepaalt dat voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2016 te [geboorteplaats].
*
bepaalt dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2016 te [geboorteplaats];
voortaan de hoofdverblijfplaats bij de vader zullen hebben;
*
verleent aan de vader toestemming, die de toestemming van de moeder vervangt, om de kinderen te verzekeren voor ziektekosten op zijn zorgverzekeringspolis;
*
bepaalt dat de moeder aan de vader, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen (bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt) van € 68,- per kind per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
| Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Olthoff als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2026. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.