Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 30 juni 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:21317Zaaknummer C/09/699038 / FA RK 26-1156

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
20 augustus 2026
Zaaknummer
C/09/699038 / FA RK 26-1156
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Wijziging zorgregeling, overeenstemming vakantieregeling en toewijzing verzoek vader. Gelijkwaardig ouderschap. Bijzondere zorgbehoefte kind. Doorverwijzing UHA naar ouderschapsbemiddeling/parallel (solo) ouderschap.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 11 april 2024 en de gewijzigde zorgregeling die partijen nadien zijn overeengekomen –:

bepaalt dat de minderjarige:

- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats],

bij de vader zal zijn:

­ één weekend per twee weken van vrijdag uit school (14.30 uur) tot maandag naar school (08.30 uur);

­ elke woensdag uit school (12.00 uur) tot donderdag naar school (08.30 uur);

­ de helft van de vakanties en feestdagen,

stelt vast dat de ouders, te weten:

[de moeder],

zich noemende [de moeder],

wonende te [adres 1],

en

[de vader],

wonende te [adres 2],

bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;

beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;

stelt vast dat de ouders bij eindbeschikking zijn verwezen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject.

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat elke partij de eigen proceskosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.G. Nuboer, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. T.A.L. Ravenhorst als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 30 juni 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
  2. Procedure
  3. Feiten
  4. Beoordeling
  5. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 26-1156

Zaaknummer: C/09/699038

Datum beschikking: 30 juni 2026 (bij vervroeging)

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 2 februari 2026 ingekomen verzoek van:

[de moeder],

zich noemende [de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. A. Krim uit Haarlem.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

hierna te noemen de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. R.W. van den Hoek uit Leiden.

Procedure

Bij tussenbeschikking van deze rechtbank van 2 april 2026 is, voor zover hier van belang:

­ de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder bepaald;

­ een – met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda van 11 april 2024 – door de vader met ingang van 2 februari 2026 te betalen alimentatie voor [de minderjarige] op € 194,00 per maand vastgesteld, vanaf de datum van de tussenbeschikking telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen, en zijn het verzoek met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de proceskostenveroordeling aangehouden.

De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:

  • het F9-formulier van 19 mei 2026 van de zijde van de moeder, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 20 mei 2026 van de zijde van de moeder, met bijlage;
  • het F9-formulier van 21 mei 2026 van de zijde van de moeder, met bijlage.

De minderjarige [de minderjarige] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.

Op 2 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:

- het F9D-formulier van 11 juni 2026 van de zijde van de moeder.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt nu nog tot:

- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, waarbij [de minderjarige] bij de vader is:

­ één keer per twee weken van vrijdag uit school tot en met zondag 19.00 uur;

­ de vakanties en de feestdagen bij helfte zullen worden verdeeld,

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt:

- dat de rechtbank een regeling bepaalt waarbij [de minderjarige] bij de vader is:

­ één weekend per twee weken van vrijdag uit school (14.30 uur) tot maandag naar school (08.30 uur);

­ elke woensdag uit school (12.00 uur) tot donderdag naar school (08.30 uur);

­ de helft van de vakanties en feestdagen,

een en ander kosten rechtens en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Feiten

Naast de in de beschikking van 2 april 2026 genoemde feiten staat het volgende vast:

- Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 11 april 2024 inzake de echtscheiding is – voor zover van belang – het door partijen overeengekomen ouderschapsplan opgenomen, waarin onder meer een zorgregeling is overeengekomen, waarbij [de minderjarige] gedurende 1 weekend in de 2 weken van vrijdagavond tot zondagavond bij de moeder is. Ook staat daarin dat de ouders beseffen dat [de minderjarige] er recht op heeft om de helft van de feestdagen en vakanties bij iedere ouder door te brengen en dat zij zijn overeengekomen om in onderling overleg de verdeling van de feestdagen en vakanties zullen regelen.

- Partijen zijn nadien een zorgregeling overeengekomen, waarbij [de minderjarige] bij de vader is op woensdagmiddag vanaf 12.30 uur uit school tot 19.00 uur en vrijdagmiddag vanaf 15.15 uur uit school tot zaterdagavond 19.00 uur, en de rest van de tijd bij de moeder.

Beoordeling

Wijziging zorgregeling

Wettelijk kader

De rechtbank kan op grond van artikel 1:253a, vierde lid, in samenhang met artikel 1:377e, eerste lid, BW op verzoek van de ouders of één van hen een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.

Wijziging van omstandigheden

De rechtbank is gebleken dat na voormelde vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken de omstandigheden zijn gewijzigd. Partijen communiceren namelijk inmiddels zeer gering met elkaar en de verhouding tussen hen is verslechterd. De rechtbank zal partijen daarom ontvangen in hun verzoeken.

Inhoudelijke beoordeling

Standpunt van de moeder

De moeder is op de hoogte van de door de vader gewenste uitbreiding van het contact met [de minderjarige], maar vindt dat niet in het belang van [de minderjarige]. Volgens haar gaat [de minderjarige] de afgelopen maanden achteruit en erkent de vader dat niet.

Bovendien biedt de vader [de minderjarige] niet de hulp en structuur die hij volgens de moeder wel nodig heeft in het kader van zijn problematiek in het autistisch spectrum. De moeder denkt dat [de minderjarige] ook mogelijk ODD en/of AD(H)D heeft. Zij merkt dat, wanneer [de minderjarige] terugkomt van de vader, hij erg moet wennen aan de structuur bij de moeder en hij overprikkeld, emotioneel en overstuur is. De vader zou door zijn eigen problematiek, namelijk een depressie, [de minderjarige] niet voldoende kunnen begeleiden. De moeder acht een regeling die aaneengesloten is en niet wekelijks meer in het belang van [de minderjarige]. Met de regeling die zij voorstelt, is [de minderjarige] twee nachten aaneengesloten bij de vader en kan hij de overige dagen doorbrengen bij de moeder thuis, waar hem de nodige zorg kan worden geboden. Op de zitting heeft de moeder nog meer zorgen over de vader naar voren gebracht, namelijk dat [de minderjarige] daar niet de zorg krijgt die hij nodig heeft, dat de vader regelmatig een terugval heeft in zijn depressie en dat er bij hem thuis een zelfdodingsmiddel aanwezig is.

Standpunt van de vader

De vader voert hiertegen verweer en noemt dat [de minderjarige] door de moeder wordt gemedicaliseerd. Volgens de vader klopt het niet dat alleen de moeder [de minderjarige] goed kan verzorgen en begeleiden. Hij erkent dat [de minderjarige] enige problematiek heeft, maar stelt dat de moeder dit enigszins overdrijft. De vader voert aan dat beide ouders goed voor [de minderjarige] kunnen zorgen, ondanks de eigen problematiek die bij beide ouders bestaat.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij voornoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders is overwogen of beslist. Uit de stukken en op de zitting is gebleken dat de ouders het eens zijn over een gedeelte van de zorgregeling, namelijk over de verdeling van de vakanties bij helfte. De rechtbank zal die afspraak vastleggen.

Wat betreft de overige onderdelen van de zorgregeling zal de rechtbank het verzoek van de vader toewijzen. Zij overweegt daartoe als volgt. Het wettelijk uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk en gelijkwaardig verantwoordelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van hun kind. De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige] dat hij met zijn beide ouders voldoende tijd doorbrengt. Uit het kindgesprek is de rechtbank gebleken dat [de minderjarige] dit zelf ook belangrijk vindt. Hij gaf aan zijn moeder te missen wanneer hij bij zijn vader is en andersom. Deze behoefte onderstreept het belang van een zorgregeling die recht doet aan de gelijkwaardige rol van beide ouders en bijdraagt aan het welzijn van [de minderjarige]. De door de vader verzochte zorgregeling sluit daar goed bij aan. In die regeling zien [de minderjarige] en de vader elkaar namelijk met meer regelmaat en voor een langere periode. De rechtbank neemt in haar overwegingen ook mee dat zij de verwachting heeft dat de nieuwe zorgregeling kan bijdragen aan meer rust bij de overdracht, nu de overdrachtsmomenten (veelal) op school plaatsvinden, een neutrale plek waarbij de ouders elkaar niet hoeven te ontmoeten.

In dat wat de moeder in aanvulling op de stukken op de zitting heeft aangevoerd over de zorgkwaliteiten en persoonlijke problematiek van de vader, ziet de rechtbank geen aanleiding om het contact tussen de vader en [de minderjarige] te verminderen. De moeder heeft die zorgen namelijk niet onderbouwd. Bovendien verzet de moeder zich niet tegen onbegeleid contact tussen [de minderjarige] en de vader op zich, maar vraagt zij enkel om twee dagen per twee weken minder. Uit de stukken en hetgeen is besproken op de zitting blijkt dat de vader zich aanpast aan [de minderjarige] zorgbehoeften, onder andere doordat hij [de minderjarige] meer thuishoudt en meer rust biedt dan voorheen. Ook heeft de vader erkend dat beide ouders kampen met problemen. Voorheen zat de vader niet lekker in zijn vel, maar het gaat nu beter met hem. De rechtbank is niet gebleken dat de vader (vanwege zijn persoonlijke problemen) niet in de zorgbehoeften van [de minderjarige] kan voorzien.

De rechtbank benadrukt voorts dat tijdens het kindgesprek naar voren is gekomen dat het voor [de minderjarige] belangrijk is dat zijn ouders hun ruzies verminderen. Het is in [de minderjarige] belang dat de ouders zich richten op het verbeteren van hun onderlinge relatie. Er is al hulpverlening aanwezig via verschillende instanties, zoals Kracht en Ipse de Bruggen. Op advies van de Raad is tijdens de zitting voorgesteld om [de minderjarige] ook aan te melden bij Villa Pinedo, wat de rechtbank een waardevolle aanvulling vindt. Bovendien hebben beide ouders op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling/parallel (solo) ouderschap. Ook dat acht de rechtbank een goede stap voorwaarts. De rechtbank zal de ouders en [de minderjarige] in de gelegenheid stellen deel te nemen aan voornoemd traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 11 april 2024 en de gewijzigde zorgregeling die partijen nadien zijn overeengekomen –:

bepaalt dat de minderjarige:

- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats],

bij de vader zal zijn:

­ één weekend per twee weken van vrijdag uit school (14.30 uur) tot maandag naar school (08.30 uur);

­ elke woensdag uit school (12.00 uur) tot donderdag naar school (08.30 uur);

­ de helft van de vakanties en feestdagen,

stelt vast dat de ouders, te weten:

[de moeder],

zich noemende [de moeder],

wonende te [adres 1],

en

[de vader],

wonende te [adres 2],

bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;

beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;

stelt vast dat de ouders bij eindbeschikking zijn verwezen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject.

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat elke partij de eigen proceskosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.G. Nuboer, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. T.A.L. Ravenhorst als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 30 juni 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.