Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 29 juli 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:21240Zaaknummer NL24.15860

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
NL24.15860
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vovo; ingetrokken met verzoek om pkv; bij mondelinge uitspraak heeft de rechtbank het verzoek om pkv in het eveneens ingetrokken connexe beroep afgewezen; de voorzieningenrechter verwijst naar het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak waarvan partijen een afschrift hebben ontvangen; de voorzieningenrechter ziet in deze vovo-procedure ook geen aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te kennen; verzoek afgewezen

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F.A.M. Smeets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoeker], geboren op [geboortedag] 1983, van Chinese nationaliteit, verzoeker
  2. Procesverloop
  3. Overwegingen
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL24.15860

V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], geboren op [geboortedag] 1983, van Chinese nationaliteit, verzoeker

(gemachtigde: mr. T. Mustafazade),

en

de minister van Asiel en Migratie [_64d54af0-a2d2-4e2b-8237-b388c0a8b5e3], verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. I. Vugs).

Procesverloop

1. Bij besluit van 20 maart 2024 heeft de minister aan verzoeker een terugkeerbesluit, een inreisverbod voor de duur van tien jaar en een besluit tot signalering in het SIS[_5db35071-c749-4a54-86ae-5a2f9541ec8c] opgelegd.

1.1.

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 maart 2026. De minister heeft het bezwaar van verzoeker, voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod, op 25 april 2024 doorgestuurd aan de rechtbank[_b0e1bd34-26ad-4a15-acb6-f2f3148507f3] omdat tegen deze onderdelen van het besluit rechtstreeks beroep openstaat. De rechtbank heeft het bezwaarschrift van verzoeker tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod als beroepschrift[_007fc899-855b-4f0e-aa7f-5f1d7e21e99f] geregistreerd. Verzoeker heeft hangende het beroep een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, ertoe strekkende dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.

1.2.

Op 5 maart 2026, een dag voor de mondelinge behandeling op zitting, heeft de gemachtigde van verzoeker het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod en het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken. Zij heeft daarbij de rechtbank/voorzieningenrechter verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten.

1.3.

Op 6 maart 2026 heeft een zitting plaatsgevonden. De gemachtigden van partijen hebben hieraan deelgenomen.

Overwegingen

2. Het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening was connex aan verzoekers beroep[_add297f1-88cb-4e16-87c7-d79a7e03f62d] tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod. Verzoeker heeft dit beroep ingetrokken – samen met dit verzoek om een voorlopige voorziening – en om een proceskostenvergoeding gevraagd. Bij mondelinge uitspraak van 6 maart 2026 heeft de rechtbank dat verzoek om een proceskostenvergoeding in de beroepsprocedure afgewezen. De voorzieningenrechter verwijst naar het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 6 maart 2026, waarvan partijen een afschrift hebben ontvangen. De voorzieningenrechter ziet in deze connexe procedure geen aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek om een proceskostenvergoeding wordt afgewezen. Voor vergoeding van het griffierecht bestaat ook geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F.A.M. Smeets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.