Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 22 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21178Zaaknummer NL25.61649 en NL25.61650
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Publicatiedatum
- 19 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL25.61649 en NL25.61650
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Beroep tegen intrekking van verblijfsvergunning, beroep gegrond en verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser had moeten horen in bezwaar, waardoor het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid.
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-;
- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 388,- moet vergoeden.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.61649 en NL25.61650
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. E. El-Sharkawi),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Amakodo).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 27 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 november 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1989 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser had vanaf 2021 een verblijfsvergunning voor het doel verblijf als familie- of gezinslid bij zijn inmiddels ex-echtgenote [referente] (hierna: referente). Referente heeft de Nederlandse nationaliteit. Eiser en referente hebben een zoon, [minderjarige]. Hij is drie jaar oud en heeft de Nederlandse nationaliteit. De echtscheidingsprocedure tussen eiser en referente loopt momenteel bij de rechtbank Rotterdam. Die rechtbank heeft de behandeling van de zaak op 23 juli 2025 aangehouden in afwachting van onderzoek naar het gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor hun zoon door de Raad voor de Kinderbescherming.
3. Verweerder heeft eisers verblijfsvergunning per 30 december 2025 ingetrokken, omdat eiser niet meer voldoet aan de beperking van zijn verblijfsvergunning nu de relatie tussen hem en referente is beëindigd. Volgens verweerder is de intrekking niet in strijd met eisers recht op gezinsleven. Eiser heeft namelijk geen gezinsleven meer met referente en de belangenafweging in het kader van het gezinsleven tussen eiser en zijn zoon valt uit in het nadeel van eiser. Ook de belangenafweging in het kader van eisers privéleven valt uit in eisers nadeel. Daarnaast heeft verweerder geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het arrest Chavez-Vilchez, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht. Verder ziet verweerder geen aanleiding om af te wijken van beleidsregels en aan eiser alsnog een verblijfsvergunning te verlenen.[_8eb89210-82c8-40b4-a5c8-0347c21a1d4e] Ten slotte ziet verweerder geen aanleiding om eiser te horen.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Ten eerste stelt eiser zich op het standpunt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is omdat verweerder de beslissing van de Raad voor de Kinderbescherming en de kinderrechter in de echtscheidingsprocedure had moeten afwachten. Ten tweede is verweerder in het bestreden besluit niet ingegaan op de gronden van het bezwaar over het gezinsleven tussen eiser en zijn zoon. Ten derde heeft verweerder de belangen van het kind op een onjuiste manier betrokken. Volgens eiser is het bestreden besluit niet in het belang van het kind. Ten slotte had verweerder eiser moeten horen in bezwaar.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiseres in deze zaak gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Had verweerder eiser moeten horen in bezwaar?
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser had moeten horen in bezwaar, waardoor het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter[_ae7af077-5373-42f2-af8f-9a4efc021c7a] volgt dat het uitgangspunt is dat een vreemdeling in bezwaar moet worden gehoord en dat dit uitgangspunt te meer geldt in zaken waarin er beslissingsruimte is, de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval en waarbij een individuele belangenafweging moet worden gemaakt. De hoogste bestuursrechter wijst daarbij expliciet op zaken waarin artikel 8 van het EVRM een rol speelt. Ook benadrukt de hoogste bestuursrechter de beoogde doelen en functies van het horen in bezwaar, zoals om nadere informatie ter beschikking te krijgen en te zoeken naar een oplossing voor de gerezen problemen. Verweerder mag slechts van het horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden.
De rechtbank overweegt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar ongegrond was. De rechtbank stelt vast dat eiser en zijn zoon elkaar ten tijde van het bestreden besluit al een langere tijd niet hadden gezien en dat er tussen hen geen omgangsregeling was vastgelegd, maar volgens de rechtbank had verweerder tijdens een hoorzitting wel kunnen en moeten vragen naar recente ontwikkelingen op dit punt. De rechtbank vindt hierbij van belang dat eiser er in de zienswijze en in bezwaar al op heeft gewezen dat er een procedure loopt over de omgang met zijn zoon en dat in beroep is gebleken dat er een onderzoek loopt door de Raad voor de Kinderbescherming. Dit speelt volgens de rechtbank een elementaire rol in de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat de bezwaargronden een herhaling van zetten zijn, alleen al omdat er in de tussentijd tijd was verstreken. De omstandigheid dat achteraf kan worden vastgesteld dat er op het moment van het bestreden besluit geen beslissing lag over de omgang, leidt niet tot een andere conclusie.
7. Omdat het beroep al gegrond is vanwege de schending van de hoorplicht, zal de rechtbank de overige beroepsgronden niet meer bespreken.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak.
9. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit[_4fed7e22-d810-48b0-9e27-aefd8c486742].
10. Omdat het beroep gegrond is, veroordelen de rechtbank en de voorzieningenrechter verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,-.[_e3176e48-ba91-4f4a-90e7-caecf3a23b0e]
11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-;
- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 388,- moet vergoeden.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.