Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 29 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21155Zaaknummer NL26.37118
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 29 juli 2026
- Publicatiedatum
- 5 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL26.37118
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Beroep tegen versnelde behandelingsprocedure art 30b AMP, afwijzing asielaanvraag als kennelijk ongegrond. Relaas ongeloofwaardig. Kennelijk ongegrond in verband met niet meteen melden. Beroep ongegrond.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Diele, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37118
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000[_4c5a890a-eb42-4c07-9de6-88f7e3789657]. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 21 juni 2026 een asielaanvraag ingediend. Hij stelt van Turkse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997.
De minister heeft met het bestreden besluit van 5 juli 2026 deze aanvraag in de versnelde asielprocedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij is op een dag samen met een vriend onbewust in een groep (demonstrerende) mensen beland, waarbij hij op de foto is gezet. De demonstratie liep uit op een rel. De volgende ochtend is eiser opgepakt door de politie, is hij urenlang vastgehouden en gedwongen een handtekening te zetten, waarna een rechtszaak tegen hem is gestart. Verder stelt eiser dat sprake is van een familieruzie, waardoor hij vreest voor bloedwraak. Zijn vader is al in 2004 vermoord en de ruzie tussen de families is nog altijd gaande. Ook stelt eiser gediscrimineerd te zijn wegens zijn Koerdische etniciteit.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- Identiteit, nationaliteit en herkomst;
- Onterecht een rechtszaak aanhangig gemaakt door de Turkse autoriteiten;
- Problemen naar aanleiding van de bloedwraak.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit van eiser niet geloofwaardig is. Zijn nationaliteit en herkomst zijn wel geloofwaardig. De minister vindt ook niet geloofwaardig dat onterecht een rechtszaak aanhangig is gemaakt door de Turkse autoriteiten en dat eiser problemen heeft naar aanleiding van de bloedwraak. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond.
Werkinstructie 2024/6
5. Eiser voert aan dat de geloofwaardigheidstoets uit Werkinstructie 2024/6 in strijd is met het Unierecht. Volgens hem heeft artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn[_c8c8936b-3f2a-457d-be52-6ae45ca58ea1] een beperktere reikwijdte dan hoe deze wordt toegepast door de minister en mogen de voorwaarden uit dit artikel niet doorslaggevend zijn voor het oordeel of een asielrelaas (on)geloofwaardig is. In dat kader wijst eiser op een analyse van het EUAA[_34c5c7b1-e9b5-4e67-9ce2-77d67d5b90b2] en op het arrest X van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 juni 2023.[_11e715ac-4dce-45d3-9b55-dad6bdf2545a]
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met de gemaakte geloofwaardigheidsbeoordeling op grond van Werkinstructie 2024/6 in de zaak van eiser niet in strijd met het Unierecht gehandeld. De minister heeft bekeken of eiser zijn asielrelaas heeft onderbouwd met documenten en heeft vervolgens getoetst aan de cumulatieve voorwaarden uit artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatieverordening.[_b4f2ba32-22b2-4347-8d8d-b3ed00592492] De minister heeft zich in dit geval op het standpunt gesteld dat eiser zijn identiteit en zijn asielmotieven niet met documenten heeft onderbouwd. Vervolgens heeft de minister aan de hand van eisers verklaringen – zowel over het ontbreken van deze documenten als over zijn asielmotieven – beoordeeld of de asielmotieven (alsnog) geloofwaardig zijn. Hiermee heeft de minister een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Identiteit
6. Eiser voert aan dat de minister zijn identiteit ten onrechte ongeloofwaardig acht. Hij wijst erop dat hij in eerdere (reguliere) procedures al zijn paspoort heeft overgelegd en dat er in het kader van die eerdere procedures ook al kopieën van zijn paspoort in het dossier bij de minister zijn. Eiser stelt – onder verwijzing naar het arrest L.H.[_088d4664-a0f9-42b8-aec7-82d5d2aafe9d] van het Hof van Justitie van de Europese Unie – dat de minister ook aan kopieën van documenten waarde moet toekennen. Eiser voert verder aan dat de minister ten onrechte zijn verklaring waarom hij zijn originele paspoort niet kon overleggen niet heeft gevolgd.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser in deze procedure zijn originele paspoort niet heeft overgelegd. De omstandigheid dat eiser eerder, in reguliere procedures, zijn paspoort heeft overgelegd en dat er dus al kopieën van zijn paspoort in zijn dossier zitten, maakt dit niet anders. Dit wijst er immers des te meer op dat eiser in het bezit is van een origineel paspoort. Eiser verzoekt om internationale bescherming en in dat kader mag ook van hem verlangd worden dat hij zijn paspoort overlegd. Eiser heeft bovendien in zijn gehoor van 1 juli 2026 verklaard dat zijn originele paspoort bij zijn broer thuis ligt en dat zijn broer “gisteren of vandaag” weer in Nederland zou zijn. In beroep heeft eiser gesteld dat zijn broer langer in Turkije was, waardoor voor hem geen mogelijkheid bestond om zijn originele paspoort voorafgaand aan het bestreden besluit van 5 juli 2026 te overleggen. De minister heeft zich met juistheid op het standpunt gesteld dat eiser hiermee geen goede verklaring heeft gegeven voor het niet overleggen van zijn originele paspoort. De rechtbank is hierom van oordeel dat de minister terecht eisers identiteit ongeloofwaardig heeft gevonden. De beroepsgrond slaagt niet.
Volledigheid asielmotieven
7. Eiser voert aan dat de minister een onvolledige beoordeling heeft gemaakt van zijn asielmotieven. Eiser heeft in zijn wijk problemen ondervonden met een extreemrechtse groepering, waarbij hem geweld is aangedaan vanwege zijn Koerdische etniciteit. De minister heeft dit ten onrechte niet aangemerkt en beoordeeld als afzonderlijk asielmotief.
De rechtbank overweegt dat eiser in zijn gehoor heeft verklaard dat hij in de wijk een keer is geslagen door de idealisten, ofwel de extreemrechtse groepering, omdat hij Koerd is en dat hij verder vooral verbaal gediscrimineerd en vernederd werd. Eiser heeft echter verder verklaard dat hij op deze mishandeling na geen problemen met deze groep heeft gehad. De minister heeft de nationaliteit en herkomst, waaronder eisers Koerdische etniciteit, geloofwaardig geacht. De ondervonden problemen, waaronder de mishandeling en de discriminatie, vanwege deze etniciteit heeft de minister vervolgens getoetst in het kader van de zwaarwegendheid van zijn vrees. Anders dan eiser stelt, heeft de minister zijn verklaringen op dit punt dus wel beoordeeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister de asielmotieven van eiser niet onvolledig heeft vastgesteld en beoordeeld.
Asielmotief: onterecht een rechtszaak aanhangig gemaakt door de Turkse autoriteiten
8. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat de Turkse autoriteiten onterecht een rechtszaak tegen hem aanhangig hebben gemaakt. Eiser stelt dat hem niet kan worden verweten dat hij geen documenten heeft omdat het niet aan hem te wijten is dat zijn E-devlet niet werkt. Verder stelt eiser gedetailleerd en aannemelijk te hebben verklaard.
De rechtbank overweegt dat de minister aan eiser terecht heeft tegengeworpen dat hij geen documenten heeft die zijn asielmotief onderbouwen. Eiser heeft verklaard dat hij het wachtwoord van zijn E-devlet is vergeten. Dit is geen goede verklaring waarom hij geen documenten kan overleggen en komt voor rekening en risico van eiser. De minister heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser heeft immers verklaard niet te weten waar hij precies van wordt beschuldigd en vervolgd en wat de status van de rechtszaak is. Dat eiser op dit punt gedetailleerd en aannemelijk verklaard heeft, volgt de rechtbank daarom niet. Ook heeft de minister aan eiser met juistheid tegengeworpen dat wat eiser heeft verklaard in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Eiser bevond zich inmiddels al een aantal jaar in Nederland voordat hij asiel heeft aangevraagd en heeft hiervoor geen goede verklaring. Dat eiser onbekend was met de asielprocedure, zoals hij stelt, heeft de minister onvoldoende mogen vinden. In dit verband kan er niet aan worden voorbij gegaan dat eiser kennelijk eerst de noodzaak tot het doen van een asielaanvraag heeft gezien op het moment dat hij in Nederland strafrechtelijk werd vervolgd vanwege een delict. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister het relaas van eiser dat de Turkse autoriteiten onterecht een rechtszaak tegen hem aanhangig hebben gemaakt, ongeloofwaardig heeft mogen vinden. De beroepsgrond slaagt niet.
Asielmotief: problemen naar aanleiding van de bloedwraak
9. Eiser voert aan dat de minister zijn problemen naar aanleiding van de bloedwraak ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De minister heeft ten onrechte tegengeworpen dat hij geen documenten heeft overgelegd en hier geen goede verklaring voor heeft. Verder stelt eiser dat zijn vrees niet is gebaseerd op vermoedens en aannames maar dat het overduidelijk is dat er al veel slachtoffers zijn gevallen in beide families.
De rechtbank overweegt als volgt. De minister heeft aan eiser terecht tegengeworpen dat hij dit asielmotief niet met documenten heeft onderbouwd en hier ook geen goede verklaring voor heeft. Eiser heeft in zijn gehoor namelijk verklaard dat als hij in zijn oude Facebookaccount kan, hij kan aantonen dat hij is bedreigd via social media en dat hij gaat proberen dit te vinden. De enkele verklaring dat eiser in bewaring zit en daarom lastig documenten kan verzamelen, is onvoldoende omdat dit niet afdoet aan de mogelijkheden die eiser heeft gehad om op zijn minst screenshots van documenten of van de via social media ontvangen bedreigingen op zijn eigen telefoon te maken. De minister heeft verder aan eiser op goede gronden tegengeworpen dat hij vaag heeft verklaard over de aanleiding van de gestelde bloedwraak, waaronder de moord op zijn vader en dat zijn actuele vrees slechts is gebaseerd op vermoedens. Eiser heeft ook in beroep weliswaar gesteld dat er veel slachtoffers zijn in beide families maar heeft nagelaten dit te onderbouwen. Verder heeft de minister aan eiser mogen tegenwerpen dat hij in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Hiervoor verwijst de rechtbank terug naar wat zij heeft overwogen in rechtsoverweging 8.1. De rechtbank is hierom van oordeel dat de minister de problemen naar aanleiding van de bloedwraak ongeloofwaardig heeft mogen vinden. De beroepsgrond slaagt niet.
Kennelijk ongegrond
10. Eiser voert aan dat de minister zijn aanvraag ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Hij meent dat Turkije ten onrechte wordt aangemerkt als veilig land van herkomst omdat het de grondrechten onvoldoende respecteert.
Eiser verblijft volgens zijn eigen verklaringen in elk geval sinds 2023 in Nederland en heeft eerder, in 2023 en 2024, driemaal om een regulier verblijfsrecht verzocht in verband met het zijn van gezinslid (partner) van een Unieburger. Vervolgens heeft hij pas op 21 juni 2026 een asielaanvraag ingediend. De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag van eiser hierom heeft mogen afwijzen als kennelijk ongegrond omdat hij zonder goede reden niet zo spoedig mogelijk een asielaanvraag heeft ingediend.[_ce1abc83-dbcc-473f-8575-ec26d66b2919] De enkele stelling dat hij niet bekend was met de mogelijkheid van een asielprocedure, is onvoldoende voor een ander oordeel.
Omdat de minister de aanvraag al hierom heeft mogen afwijzen als kennelijk ongegrond, behoeft de beroepsgrond met betrekking tot Turkije als veilig land van herkomst geen bespreking meer.
Inreisverbod
11. Eiser voert aan dat hem geen inreisverbod mag worden opgelegd omdat hij een duurzame en exclusieve relatie heeft in Nederland, zijn broer in Nederland woont en eiser zelf ook enige tijd (legaal) in Nederland heeft verbleven.
De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn gehoor heeft verklaard alleenstaand te zijn. Verder heeft hij verklaard wel wat familie in Nederland te hebben, zoals zijn broer, maar dat hij niet zoveel contact met hen heeft. Op de vraag of er bijzondere persoonlijke omstandigheden zijn om hem geen inreisverbod te geven, heeft eiser geantwoord dat hij wel gewend is geraakt aan Nederland en dat het best mogelijk is dat hij hier weer heen komt, voor iets officieels zoals werk. In de correcties en aanvullingen en in de gronden van beroep heeft eiser gesteld dat hij een duurzame en exclusieve relatie heeft en dat hij intensief en frequent contact heeft met zijn broer in Nederland.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet heeft hoeven afzien van het opleggen van een inreisverbod. Daarbij heeft de minister van belang mogen vinden dat eisers verklaringen in het gehoor sterk afwijken van de correcties en aanvullingen en dat de gestelde relatie met zijn vriendin, het contact met zijn broer en zijn privéleven in Nederland in zijn geheel niet zijn onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. De minister heeft de aanvraag van eiser terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Diele, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.