Uitspraak · Insolventierecht

Rechtbank Den Haag, 27 mei 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:21082Zaaknummer C/09/704459 / FT RK 26/263

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
18 augustus 2026
Zaaknummer
C/09/704459 / FT RK 26/263
Rechtsgebied
Civiel recht, Insolventierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot faillietverklaring; vorderingsrecht verzoeksters niet summierlijk gebleken.

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot faillietverklaring van verzoeksters af;

- veroordeelt verzoeksters in de kosten van deze procedure, tot heden aan de zijde van verweerster begroot op € 614,- aan salaris advocaat (één punt à tarief II, € 614,-).

Dit is een beslissing van mr. D. de Loor, rechter, in samenwerking met mr. M.Y.P.M. Zeeman, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan degene die is verschenen en aan wie de Faillissementswet dat recht toekent gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 Standpunten van partijen
  3. 3 De beoordeling
  4. Bevoegdheid
  5. 4 De beslissing

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team Toezicht

rekestnummer: C/09/704459 / FT RK 26/263

beschikking van 27 mei 2026

in de zaak van

[verzoekster 1] B.V. (hierna: [verzoekster 1]) en

[verzoekster 2] B.V. (hierna: [verzoekster 2] ),

verzoeksters,

advocaat: mr. D.L.A. van Voskuilen,

tegen

[verweerster] B.V.,

verweerster,

advocaat: mr. R.M. van der Zwan.

Waar deze zaak over gaat

Verzoeksters hebben een verzoekschrift ingediend strekkende tot faillietverklaring van verweerster. Dit verzoek wordt door de rechtbank afgewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1 De procedure

1.1.

Verzoeksters hebben een verzoekschrift, met bijlagen, ingediend strekkende tot faillietverklaring van verweerster.

1.2.

Het verzoekschrift is op 26 mei 2026 in raadkamer behandeld. Bij die gelegenheid zijn verschenen en gehoord:

- [naam 1] en [naam 2], namens verzoeksters,

- mr. Van Voskuilen, voornoemd,

- [naam 3], namens verweerster, en

- mr. Van der Zwan, voornoemd.

1.3.

De rechtbank heeft verder kennis genomen van de volgende stukken:

- aanvullende stukken bij het verzoek, met een drietal bijlagen, van mr. Van Voskuilen, binnengekomen op 20 mei 2026,

- een e-mail, met bijlage, van 24 mei 2026 van mr. Van der Zwan, en

- de ter zitting overgelegde spreekaantekeningen van mr. Van der Zwan.

1.4.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

2 Standpunten van partijen

2.1.

Verzoeksters stellen dat zij allebei een separate en opeisbare vordering hebben op verweerster. [verzoekster 1] stelt dat zij uit hoofde van een geldlening een vordering heeft op verweerster van € 205.504,19,- en [verzoekster 2] stelt dat zij een tweetal vorderingen heeft op verweerster, te weten een vordering van € 152.594,79 uit hoofde van een geldlening en een vordering van € 472.727,- uit hoofde van een huurachterstand. Verzoeksters hebben verder gesteld dat verweerster meer schulden onbetaald laat, waaronder aan [bedrijfsnaam], en dat zij dus verkeert in een toestand dat zij heeft opgehouden te betalen.

2.2.

Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt de rechtbank het faillissementsverzoek af te wijzen. Verweerster is indertijd met [verzoekster 1] een huurovereenkomst aangegaan voor het exploiteren van een houtskoolgrillrestaurant. Op initiatief van verzoeksters is later een allonge aan de huurovereenkomst gehecht waarbij [verzoekster 2] in plaats van [verzoekster 1] als verhuurder is gaan fungeren. [verzoekster 2] heeft verweerster vervolgens in een kort geding procedure betrokken vanwege achterstallige huurbetalingen. In het daaropvolgende vonnis van de voorzieningenrechter van 5 maart 2026 zijn de vorderingen van [verzoekster 2] afgewezen, omdat zij de afzuigcapaciteit, die noodzakelijk is voor de exploitatie van het houtskoolgrillrestaurant en die door de verhuurder moest worden aangelegd, nog niet had aangelegd. Daarmee heeft [verzoekster 2] niet voldaan aan haar verplichting als verhuurder, waardoor het restaurant nog niet open kon (wat bovendien tot aanzienlijke schade voor verweerster heeft geleid) en verweerster aldus nog niet kon worden gehouden tot het betalen van de huurpenningen. Er is immers sprake van schuldeisersverzuim. De verschuldigdheid van de hoofdvordering uit hoofde van een huurachterstand wordt daarom door verweerster betwist. De gestelde hoofdvorderingen uit hoofde van geldleningen worden eveneens door verweerster betwist, nu deze vorderingen in de kern ook zien op (voormalige) huurvorderingen.

3 De beoordeling

Bevoegdheid

3.1.

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, Verordening 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie (herschikking IVO), bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerster in Nederland ligt.

Vorderingsrecht van verzoeksters

3.2.

Een faillissement kan op verzoek worden uitgesproken wanneer van een vorderingsrecht van een verzoeker summierlijk is gebleken en summierlijk is gebleken dat de schuldenaar verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen (de faillissementstoestand). Van summierlijk blijken is sprake indien het bestaan van de vordering na een kort en eenvoudig onderzoek aannemelijk is.

3.3.

In dit geval wordt aan bovenstaand criterium niet voldaan. Verweerster heeft de verschuldigdheid van de gestelde vorderingen ter zitting gemotiveerd betwist en haar standpunt uitgebreid onderbouwd. Dit verweer vergt een nadere, inhoudelijke beoordeling met ruimte voor eventuele bewijsvoering waarvoor in de faillissementsprocedure, gelet op haar summiere karakter, geen plaats is. In wezen bleek dit ook al uit het kort geding vonnis van 5 maart 2026. Indien verzoeksters hun vorderingen willen incasseren zullen zij een bodemprocedure moeten starten.

3.4.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht over het bestaan van pluraliteit van schuldeisers en over het bestaan van de toestand van te hebben opgehouden te betalen, behoeft bij deze stand van zaken geen bespreking meer.

3.5.

De rechtbank zal het verzoek tot faillietverklaring daarom afwijzen.

3.6.

Verweerster heeft verzocht verzoeksters te veroordelen in de kosten van de procedure. De rechtbank zal hiertoe overgaan, omdat verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot faillietverklaring van verzoeksters af;

- veroordeelt verzoeksters in de kosten van deze procedure, tot heden aan de zijde van verweerster begroot op € 614,- aan salaris advocaat (één punt à tarief II, € 614,-).

Dit is een beslissing van mr. D. de Loor, rechter, in samenwerking met mr. M.Y.P.M. Zeeman, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan degene die is verschenen en aan wie de Faillissementswet dat recht toekent gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.