Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 26 juni 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:20976Zaaknummer C/09/700979 / FA RK 26-2315

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
17 augustus 2026
Zaaknummer
C/09/700979 / FA RK 26-2315
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vaststelling kinderalimentatie. Moeder heeft onvoldoende onderbouwd dat vader geacht kan worden volledig in de behoefte van kind te voorzien. Rechtbank maakt draagkrachtberekening.

De rechtbank:

wijst af het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv;

bepaalt dat de man met ingang van 9 maart 2026 een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], aan de vrouw moet betalen van € 515,- per maand, vanaf nu telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de zelfstandige verzoeken van de man tot wijziging van het gezag, vaststelling van een zorgregeling c.q. omgangsregeling en vaststelling van een informatieregeling verder zullen worden behandeld onder zaak- en rekestnummer C/09/706638 en FA RK 26-5691.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, bijgestaan door mr. C.P.E. van de Fliert-Verburg als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 26 juni 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Alimentatie
  2. Procedure
  3. Feiten
  4. Verzoek en verweer
  5. Beoordeling
  6. Voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv
  7. Bodemzaak
  8. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummers: FA RK 26-2315 (bodemzaak) / FA RK 26-2317 (artikel 223 Rv)

Zaaknummers: C/09/700979 (bodemzaak) / C/09/700981 (artikel 223 Rv)

Datum beschikking: 26 juni 2026

Alimentatie

Beschikking op het op 9 maart 2026 ingekomen en op 19 mei 2026 gewijzigde verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. G.A. Nandoe Tewarie te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. L. Rijsdam te Leiden.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift van de zijde van de vrouw, ingekomen op 9 maart 2026;

- het bericht van 13 maart 2026, met bijlage, van de zijde van de vrouw;

- het bericht van 12 mei 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- het gewijzigde verzoekschrift van de zijde van de vrouw, ingekomen op 19 mei 2026;

- het verweerschrift met zelfstandige verzoeken van de zijde van de man, ingekomen op 26 mei 2026;

- het bericht van 28 mei 2026, met bijlage, van de zijde van de man;

- het verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de zijde van de vrouw, ingekomen op 28 mei 2026.

Op 29 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en de man met zijn advocaat.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.

- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats].

- De vrouw is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.

- [minderjarige] verblijft bij de vrouw.

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt nu zowel in de bodemprocedure als bij wijze van voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv om met ingang van 4 augustus 2024 een door de man aan haar te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige] vast te stellen van € 1.019,- per maand.

De man voert verweer tegen voormeld verzoek, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Daarnaast verzoekt de man zelfstandig:

- de man mede te belasten met het gezag over [minderjarige];

- een zorgregeling vast te stellen, inhoudende dat [minderjarige] bij de man verblijft iedere woensdag (uit school) tot donderdag (naar school), één keer per twee weken van vrijdag (uit school) tot maandag (naar school) en de helft van de feestdagen en vakanties, Vaderdag, de verjaardag van de man en Pasen, waarbij naar deze regeling wordt toegewerkt via een opbouw welke de rechtbank juist acht;

- een informatieregeling vast te stellen inhoudende dat de man toegang krijgt tot de app van de kinderopvang, waardoor hij via de kinderopvang informatie over [minderjarige] kan ontvangen,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

Voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv

Op grond van het eerste lid van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding.

Nu de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing neemt over hetzelfde onderwerp als in de voorlopige voorzieningenprocedure, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen bij gebrek aan belang.

Bodemzaak

Kinderalimentatie

Ingangsdatum

De vrouw verzoekt met ingang van 4 augustus 2024 een door de man aan haar te betalen kinderalimentatie vast te stellen. Dit is de datum waarop zij de man heeft verzocht een maandelijkse bijdrage voor [minderjarige] te gaan betalen. De man heeft zich hiertegen verweerd en aangevoerd dat hij onvoldoende financiële middelen heeft om met terugwerkende kracht (aanvullende) kinderalimentatie te betalen. Nu de man van augustus 2024 tot januari 2026 een bijdrage van € 250,- per maand voor [minderjarige] heeft betaald, ziet de rechtbank geen aanleiding om de door de vrouw verzochte ingangsdatum te hanteren. De rechtbank acht het redelijk om de kinderalimentatie vast te stellen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift (9 maart 2026), nu de man met ingang van die datum rekening heeft kunnen houden met een door de rechtbank vast te stellen verplichting tot het betalen van een kinderalimentatie.

Behoefte [minderjarige]

Partijen zijn het erover eens dat de basisbehoefte van [minderjarige] geïndexeerd naar 2026 € 1.036,- per maand bedraagt.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de behoefte van [minderjarige] moet worden verhoogd met oppaskosten van € 200,- per maand. De man is het hier niet mee eens.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw de door haar gestelde oppaskosten onvoldoende heeft onderbouwd. Daar komt bij dat deze kosten niet zodanig hoog zijn dat zij binnen de behoefte van € 1.036,- per maand niet kunnen worden gecompenseerd met lagere uitgaven aan andere posten. Al met al ziet de rechtbank geen aanleiding om de behoefte te verhogen met de oppaskosten.

De behoefte van [minderjarige] moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun respectievelijke draagkracht. Conform de aanbevelingen uit het Rapport Alimentatienormen 2026 moet de financiële draagkracht van de ouders in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - ((0,3 x NBI) + 1.365)], waarbij NBI staat voor netto besteedbaar inkomen.

Draagkracht van de man

De man is eigenaar van twee restaurants. Het tweede restaurant is in augustus 2025 geopend. De man heeft alleen financiële stukken over de jaren 2023 en 2024 overgelegd en geen recente financiële stukken. De vrouw gaat er vanuit dat de man momenteel met de twee restaurants voldoende winst maakt om in de gehele behoefte van [minderjarige] te kunnen voorzien. In dit kader heeft de vrouw er nog op gewezen dat de man er een luxe levensstijl op nahoudt.

De man heeft aangegeven dat het door hem in 2025 geopende restaurant op dit moment niet winstgevend is. Verder heeft hij betwist dat uit de door de vrouw overgelegde foto’s zou blijken dat hij een riant inkomen heeft. Volgens de man zijn de foto’s genomen op - zeer verspreide - momenten dat hij met vrienden was die beschikken over diverse boten, en zeggen de foto’s niets over zijn eigen welstand. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw in het licht van de betwisting van de man onvoldoende onderbouwd dat de man zodanig veel winst maakt dat hij in de gehele behoefte van [minderjarige] kan voorzien. De rechtbank zal dan ook de draagkracht van de man beoordelen.

Bij de bepaling van de financiële draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van de gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2023 en 2024, zijnde (€ 45.975,- + € 35.548,- ÷ 2) € 40.762,-. Gelet op het relaas van de man acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de man in 2025 een hogere winst heeft behaald dan voormelde gemiddelde winst over 2023 en 2024. De vrouw heeft betoogd dat voor de draagkracht van de man gerekend moet worden met de privé-onttrekkingen die de man heeft gedaan. De rechtbank gaat daar niet in mee. Privé-onttrekkingen moeten worden gezien als een voorschot op de winst. Voor zover deze privé-onttrekkingen hoger zijn dan de winst toestaat, kan dat meerdere niet worden aangemerkt als draagkracht, omdat het resultaat van de onderneming dat uiteindelijk niet toelaat.

Rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, de startersaftrek, de MKB winstvrijstelling, de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet bepaalt de rechtbank het NBI van de man op € 3.001,- per maand.

De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule (afgerond) € 515,- per maand, te weten 70% x [3.001 - (0,3 x 3.001 + 1.365)].

Draagkracht van de vrouw

Bij de bepaling van de financiële draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen uit WIA-uitkering van € 3.203,34 bruto per maand exclusief vakantiegeld, zoals blijkt uit de overgelegde uitkeringsspecificaties over de maanden februari, maart en april 2026. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en een kindgebonden budget van € 5.101- per jaar berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 2.841,- per maand.

De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule (afgerond) € 437,- per maand, te weten 70% x [2.841 - (0,3 x 2.841 + 1.365)].

Conclusie

De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 952,- per maand (€ 515,- + € 437,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige] van € 1.036,- per maand te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan het maken van een draagkrachtvergelijking.

Op de door de man te betalen bijdrage moet in beginsel een zorgkorting in mindering worden gebracht. De zorgkorting bedraagt een percentage van de behoefte, welk percentage afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Aangezien er op dit moment slechts zeer beperkte begeleide omgang plaatsvindt, zal nu geen zorgkorting worden toegepast. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen de alimentatie in onderling overleg zullen aanpassen als de omgang wordt uitgebreid.

Gelet op het voorgaande is de door de man te betalen kinderalimentatie gelijk aan zijn draagkracht, te weten € 515,- per maand.

Aanhechten berekeningen

De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Gezag, zorgregeling c.q. omgangsregeling en informatieregeling

Door de man zijn op 26 mei 2026 zelfstandige verzoeken tot wijziging van het gezag, vaststelling van een zorgregeling c.q. omgangsregeling en vaststelling van een informatieregeling ingediend. De rechtbank heeft, zoals ter zitting is besproken, deze verzoeken inmiddels afgesplitst, onder zaak- en rekestnummer C/09/706638 en FA RK 26-5691. In die procedure zal worden beslist over het verdere verloop.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv;

bepaalt dat de man met ingang van 9 maart 2026 een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], aan de vrouw moet betalen van € 515,- per maand, vanaf nu telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de zelfstandige verzoeken van de man tot wijziging van het gezag, vaststelling van een zorgregeling c.q. omgangsregeling en vaststelling van een informatieregeling verder zullen worden behandeld onder zaak- en rekestnummer C/09/706638 en FA RK 26-5691.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, bijgestaan door mr. C.P.E. van de Fliert-Verburg als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 26 juni 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.