Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 25 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:20963Zaaknummer C/09/705406 / JE RK 26-856
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 25 juni 2026
- Publicatiedatum
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/09/705406 / JE RK 26-856
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
aanhouding verzoek tot ondertoezichtstelling
6 De beslissing
De kinderrechter:
houdt de behandeling van het verzoek aan tot een nader te bepalen zitting bij mr. J.E. Bierling, gelegen vóór 26 december 2026;
gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:
- de Raad;
- de moeder en haar advocaat;
- de vader als informant;
- de gecertificeerde instelling als informant;
- [minderjarige 1], voor een kindgesprek;
verzoekt de Raad uiterlijk twee weken voorafgaand aan de voornoemde zitting een schriftelijke update zoals hierboven genoemd aan de rechtbank en de moeder te doen toekomen.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026 door mr. J.E. Bierling, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 6 juli 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/705406 / JE RK 26-856
Datum uitspraak: 29 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verzoek tot ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
te 'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2020 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. G.O. Perquin uit Zoetermeer.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
[de vader],
hierna te noemen: de vader.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 mei 2026;
- de brief van de moeder met bijlagen van 22 mei 2026;
- het verweerschrift van de moeder van 19 juni 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- [naam 1] namens de Raad;
- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening over het verzoek gevraagd. [minderjarige 1] heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om met de kinderrechter in gesprek te gaan.
2 De feiten
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
3 Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd en ter zitting nader toegelicht. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. De zorgen over [minderjarige 1] zijn gelegen in het uitvallen op school en somberheids- en buikpijnklachten. Er is ook sprake geweest van automutilatie en een omgekeerd dag- en nachtritme. [minderjarige 1] is veel op haar kamer. Het is onduidelijk waarom [minderjarige 1] niet naar school wil en zij kan hier zelf geen woorden aan geven. [minderjarige 1] krijgt thuis weinig sturing, er gelden geen regels en verwachtingen worden niet uitgesproken. Zicht of grip op wat zich in haar hoofd afspeelt, lijkt te ontbreken. Hoewel de moeder graag wil dat [minderjarige 1] naar school gaat en zij haar best doet om hulpverlening te regelen, lijkt zij volgens de school handelingsverlegen. De Raad maakt zich ook zorgen over de moeizame band die [minderjarige 1] met [minderjarige 2] heeft. [minderjarige 2] heeft een bovengemiddelde opvoedvraag. Hij heeft vermoedelijk ASS en ADHD en functioneert op een beneden gemiddeld niveau. Hij gaat naar het speciaal basisonderwijs. Mogelijk draagt [minderjarige 2] het overerfelijke gen NF1. De moeder is goed betrokken bij zij schoolgang en neemt, indien nodig, contact op met de huisarts over zijn medische behoeften. Deze hechte band is positief, maar er zijn ook zorgen. [minderjarige 2] is graag in de buurt van de moeder en kan hierdoor op school buikpijn ervaren. De moeder geeft toe aan zijn zelfbepalend gedrag. Daarnaast lijkt [minderjarige 2] alert te zijn op de emoties van de moeder en zijn er zorgen over hun hechtingsrelatie. De rol van de vader is onduidelijk gebleven. De Raad heeft hem niet kunnen spreken. Voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is het onduidelijk wanneer de vader thuis is en zij ervaren hierin geen voorspelbaarheid. [minderjarige 1] heeft verteld dat zij thuis veel spanningen en boosheid vanuit haar ouders ervaart. De moeder is bekend met somberheids- en angstklachten en schetst een wisselend beeld over de thuissituatie en over gebeurtenissen. De Raad maakt zich zorgen over de emotionele beschikbaarheid van de vader en de moeder. In het vrijwillig kader is op verschillende momenten hulpverlening betrokken geweest, maar dit heeft niet tot verandering geleid. De Raad ziet een patroon bij de moeder waarin zij hulp vraagt aan instanties, maar zich vervolgens terugtrekt wanneer uitgesproken wordt dat het wenselijk is vader te betrekken in het traject. De Raad acht het van belang dat de vader, ook al is dat minimaal, de kinderen ondersteunt bij de hulpverlening die zij nodig hebben. Gezien de ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], de complexe problematiek, de complexe relatie tussen [minderjarige 1] en haar ouders en de verwachte lange duur van passende hulpverlening, acht de Raad hulpverlening in een vrijwillig kader niet toereikend. Het is noodzakelijk dat een jeugdbeschermer naast het gezin gaat staan, regie kan voeren en beslissingen kan nemen in het belang van de kinderen.
4 De standpunten
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling. Zakelijk en verkort weergegeven is het volgende naar voren gebracht. Hoewel [minderjarige 1] niet naar school gaat, accepteert de moeder alle hulpverlening die er toe kan leiden dat dit verandert. Pogingen van de moeder om [minderjarige 1] te dwingen om naar school te gaan, leidden tot verdriet, angst en overgeven. Bij [minderjarige 1] is momenteel al een thuiszitterscoach betrokken. Er is mogelijk sprake van persoonlijkheidsproblematiek bij [minderjarige 1] en de moeder zal de huisarts vragen om een verwijzing voor een persoonlijkheidsonderzoek. [minderjarige 1] heeft een normaal dag- en nachtritme en sociale contacten. Wanneer [minderjarige 1] [minderjarige 2] te druk vindt, gaat zij naar haar oma van vaderszijde. De moeder accepteert ook hulpverlening voor zichzelf vanuit de GGZ, [zorginstantie 1] en [zorginstantie 2] en heeft een betrokken sociaal netwerk. Bij de GGZ zal de moeder behandeling krijgen voor haar angst om haar kinderen te verliezen. Een gedwongen kader is niet noodzakelijk. Voor [minderjarige 2] geldt dat hij er geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Het gaat goed met hem en hij heeft sociale contacten. Er is zicht op hem vanuit school en tijdens de zwemles en de moeder kan hem ‘los’ laten. Uit de informatie vanuit school volgt dat de moeder advies vraagt, alle adviezen rondom [minderjarige 2] opvolgt en dat zij leerbaar is. De moeder probeert haar verdriet niet aan [minderjarige 2] te tonen en legt hem, wanneer dit niet lukt, uit waarom zij verdrietig is. [minderjarige 2] slaapt nog bij de moeder in bed omdat de woning van de moeder maar twee slaapkamers heeft en één van [minderjarige 1] is. [minderjarige 2] heeft jaarlijkse controles bij het Erasmus MC. Tot nu toe is daar niets zorgwekkends gemeld en de moeder volgt de adviezen die haar worden gegeven, op. De moeder heeft geprobeerd om de vader te motiveren om mee te werken aan de hulpverlening voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2], maar dit is niet gelukt. De vader is wel aanwezig geweest bij een gesprek met het team Jeugd- en Gezinshulp (JGH) van de [gemeente] en [zorginstantie 1], maar heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven niet mee te zullen werken aan een traject. Aangezien de vader geen gezag heeft, kan hij in het kader van een ondertoezichtstelling, wat dit betreft, niet worden gedwongen. Dat Beter Thuis zonder medewerking van de vader niet wilde starten, is niet aan de moeder te wijten. Er is geen sprake van een patroon waarbij de moeder zich terugtrekt. Het is heel fijn dat de vader en de moeder met elkaar kunnen communiceren over de kinderen en dat de moeder zich gesteund voelt door de vader. De vader komt regelmatig bij de moeder en de kinderen thuis. De moeder ervaart veel stress rondom het verzoek. Zij probeert al lange tijd hulp te vinden en zal haar medewerking verlenen aan een consultatie- en adviestraject met het JGH en de gecertificeerde instelling en de geadviseerde hulpverlening aannemen.
De gecertificeerde instelling heeft het volgende naar voren gebracht. In het kader van een ondertoezichtstelling kan er een inschatting worden gemaakt van de actuele veiligheid in de thuissituatie. Als lichte dwangmiddelen zouden worden ingezet om de vader te bewegen richting hulpverlening, kan hij er voor kiezen om zijn kinderen niet meer te zien. Dit zou schadelijk zijn voor de kinderen. Het kan wel helpend zijn als er iemand met de moeder meedenkt als het gaat om de beslissingen over en hulpverlening voor [minderjarige 1]. Er bestaat een mogelijkheid voor JGH om de gecertificeerde instelling te consulteren en advies te vragen in het kader van het programma Beter Samenspel. De gecertificeerde instelling kan dan meedenken over de noodzakelijke en passende hulp en meegaan naar overleggen. Gekeken moet worden of er een onderliggende reden is voor waarom [minderjarige 1] niet naar school gaat. De moeder moet dan wel bereid zijn om samen te werken met JGH en actief de adviezen op te volgen. Als het gaat om [minderjarige 2], is onduidelijk of er sprake is van ernstige ontwikkelingsbedreiging. De gecertificeerde instelling werkt echter gezinsgericht en kan, als alleen [minderjarige 1] onder toezicht zou worden gesteld, ook meekijken naar de interactie tussen [minderjarige 2] en de moeder. Als het verzoek tot ondertoezichtstelling wordt toegewezen, hoopt de gecertificeerde instelling dat er vlot met de moeder kan worden samengewerkt op weg naar passende hulpverlening, zodat weer snel tot afsluiting van die maatregel kan worden besloten.
5 De beoordeling
De kinderrechter zal de behandeling van het verzoek aanhouden voor zes maanden zodat na afloop van die periode de ontwikkelingen en relevante omstandigheden opnieuw gewogen kunnen worden. Ter zitting is duidelijk geworden dat er een, in deze zaak niet benutte, mogelijkheid bestaat voor JGH om in het vrijwillig kader de gecertificeerde instelling in consultatie te roepen en advies van de gecertificeerde instelling te verkrijgen in het kader van het programma Beter Samenspel. Voorwaarde is dat de moeder de samenwerking met JGH aangaat en dat zij actief handelt naar de adviezen die haar worden gegeven. De moeder heeft ter zitting te kennen gegeven dit te zullen doen. De kinderrechter acht het, net als de gecertificeerde instelling, van belang dat er wordt onderzocht wat de onderliggende reden is dat [minderjarige 1] niet naar school wil gaan en dat hier passende hulpverlening voor wordt geregeld. De moeder zal voor [minderjarige 1] een verwijzing voor een persoonlijkheidsonderzoek bij de huisarts aanvragen. Als het gaat om [minderjarige 2], zijn er ook zorgen, maar de kinderrechter ziet ook dat de moeder haar best doet om de adviezen vanuit – onder meer – school op te volgen. Daarnaast heeft zij laten weten bij de GGZ te zullen starten met een behandeltraject om haar angsten te verminderen. De kinderrechter acht het van belang dat er de komende periode wordt onderzocht of hulpverlening in het vrijwillig kader toch tot voldoende positieve ontwikkelingen kan leiden.
Als de Raad na haar aanvullende onderzoek het verzoek wil handhaven, verzoekt de kinderrechter de Raad om uiterlijk twee weken voorafgaand aan de nog nader te bepalen zittingsdatum aan de rechtbank en de moeder een schriftelijke update te versturen met daarin een volledig verslag van hoe het de periode voorafgaand aan de zitting is verlopen. Daartoe behoort onder meer informatie van over de schoolgang van beide kinderen, het hulpverleningstraject voor [minderjarige 1], de hulpverlening van de moeder en de rol die de vader op dat moment in het gezin speelt. Als de Raad het verzoek niet handhaaft, verzoekt de kinderrechter de Raad om de rechtbank en de moeder hiervan tijdig op de hoogte te stellen.
6 De beslissing
De kinderrechter:
houdt de behandeling van het verzoek aan tot een nader te bepalen zitting bij mr. J.E. Bierling, gelegen vóór 26 december 2026;
gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:
- de Raad;
- de moeder en haar advocaat;
- de vader als informant;
- de gecertificeerde instelling als informant;
- [minderjarige 1], voor een kindgesprek;
verzoekt de Raad uiterlijk twee weken voorafgaand aan de voornoemde zitting een schriftelijke update zoals hierboven genoemd aan de rechtbank en de moeder te doen toekomen.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026 door mr. J.E. Bierling, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 6 juli 2026. |
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.