Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 25 juni 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:20954Zaaknummer C/09/707088 / JE RK 26-1050

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
17 augustus 2026
Zaaknummer
C/09/707088 / JE RK 26-1050
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Machtiging tot uithuisplaatsing 1:256b, eerste lid, Burgelijk Wetboek.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 29 juni 2026 tot 25 september 2026;

6.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen vóór 25 september 2026 bij mr. O.F. Bouwman;

6.4.

gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:

  • de gecertificeerde instelling;
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader als informant;
6.5.

verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk twee weken voorafgaand aan de voornoemde zitting een schriftelijke update zoals hierboven genoemd aan de rechtbank en de moeder te doen toekomen.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026 door mr. O.F. Bouwman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 8 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht

Zaaknummer: C/09/707088 / JE RK 26-1050

Datum uitspraak: 25 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden, gevestigd te Den Haag,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

over

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

volgens het BRP ingeschreven te [plaats],

feitelijk zonder vaste woon- of verblijfplaats,

advocaat: mr. L.P. Lagerweij uit Delft.

De kinderrechter merkt als informant aan:

[de vader],

hierna te noemen: de vader.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 15 juni 2026;

De advocaat van de moeder heeft ter zitting een pleitnota overgelegd, die aan het dossier is toegevoegd.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder met haar advocaat;

- [naam], namens de gecertificeerde instelling.

De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 november 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 25 januari 2026.

2.4.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 juni 2026 een spoedmachtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 29 juni 2026.

3 Het verzoek

3.1.

De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd en ter zitting nader toegelicht. De moeder en [minderjarige] zijn op 16 maart 2026 verhuisd naar [instelling]. De samenwerking tussen de moeder en [instelling] verliep moeizaam. Terugkerende gesprekken over de vader en de inzet van jeugdbescherming stond de groei van de moeder in de weg. Vermoed wordt dat de moeder persoonlijkheidsproblematiek heeft en dat dit haar belemmert in haar communicatie, passend kunnen handelen en het deelnemen aan groepsactiviteiten. Gezien werd dat de moeder adviezen over de kinderstoel en de box niet opvolgt vanwege rugklachten en dat zij hierbij haar eigen behoeftes voor die van [minderjarige] stelt. Ook heeft zij niet direct aangegeven dat [minderjarige] van de commode is gevallen, bagatelliseert zij de zorgen en wil zij niet voor de zekerheid de dokter bellen. De moeder vond alles te zwaar en wilde zich niet voegen naar de afspraken en adviezen vanuit [instelling]. De moeder wil hulp van de vader in plaats van [instelling]. [instelling] zag weinig leerbaarheid, een geringe mate van mentaliserend vermogen en een gebrekkige emotieregulatie bij de moeder. Zij zit vast in haar eigen patronen en vertoonde dagelijks schadelijk ouder gedrag. Zij probeert er voor [minderjarige] te zijn, maar geeft geen passende betekenis aan zijn emoties en focust op haar eigen behoefte. Gezien werd dat de moeder een bron van angst en spanning voor [minderjarige] was en dat hij verward raakte door haar houding. Hij zocht weinig troost bij zijn moeder. De moeder voelde een afstand in het contact met [minderjarige]. Ondanks de ondersteuning vanuit [instelling] is er onvoldoende groei bij de moeder en zijn er zorgen over dat de moeder overvraagd wordt in de zorg van [minderjarige]. In het pleeggezin gaat het goed met [minderjarige]. Gedurende de machtiging tot uithuisplaatsing zal er met de moeder worden gewerkt aan een plan voor terugkeer naar de moeder. Gekeken zal worden welke hulpverlening passend en noodzakelijk is voor een terugkeer van [minderjarige] en of de moeder ondersteund kan worden bij het vinden van een woning. De gecertificeerde instelling denkt dat een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden daarvoor noodzakelijk is. In de tussentijd zal het onbegeleide contact tussen de moeder en [minderjarige] waar mogelijk uitgebreid worden en is het de bedoeling dat zij op een laagdrempelige manier met de pleegouders kan afspreken wanneer zij wat leuks met [minderjarige] kan gaan doen. De vader en [minderjarige] zien elkaar wekelijks op zondag.

4 De standpunten

4.1.

Door en namens de moeder is ingestemd met een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van drie maanden en verzocht om het verzoek voor het overige aan te houden. De advocaat heeft – samengevat weergegeven - het volgende naar voren gebracht. De moeder heeft haar draai in [instelling] niet kunnen vinden. De moeder voelde zich niet goed doordat de vader niet bereid was tot samenwerking, er conflicten waren met andere moeders in [instelling] en de moeder de begeleiding als nodeloos negatief ervaarde. De moeder weet dat zij steun nodig heeft om [minderjarige] op te kunnen voeden, maar ervaarde de begeleiding in [instelling] als dwingende bemoeizorg en zij voelde zich onveilig. Er werd op de moeder ingepraat en onder deze omstandigheden heeft de moeder op 15 juni 2026 ingestemd met een plaatsing bij een pleeggezin. De kwaliteit en bestendigheid van deze instemming is twijfelachtig. De moeder wil [minderjarige] opvoeden met behulp van een steunend netwerk nadat zij stabiliteit en huisvesting heeft gevonden. De moeder denkt daarbij aan steun vanuit een instantie, begeleid wonen of in samenwerking met een pleeggezin. De inspanningen van de gecertificeerde instelling dienen erop gericht te zijn dat er wordt gewerkt aan een terugplaatsing. Binnen drie maanden moet er, gelet op de aanvaardbare termijn, onderzoek worden gedaan naar alternatieven voor de uithuisplaatsing en dient het onbegeleide contact tussen de moeder en [minderjarige] zo snel mogelijk te worden opgebouwd. De moeder wil daarbij een goede samenwerking met de pleegmoeder aangaan. Op korte termijn dient ook onderzocht te worden of de moeder persoonlijkheidsproblematiek heeft, omdat dit van grote invloed kan zijn op haar ouderschap en de moeder behandeld kan worden. Daarnaast dienen de in het verzoekschrift en gezinsplan benoemde zorgen en observaties onderbouwd te worden met onderliggende bescheiden. De moeder heeft aangegeven dat het lastig en zwaar voor haar is dat zij er alleen voor staat. De moeder kon door de bemoeienis geen eigen draai meer geven aan haar moederschap. De moeder heeft hulp gevraagd rondom het bezoek, een grotere ruimte een rustigere oplossing. Ook mocht zij geen leuke activiteiten met [minderjarige] ondernemen, waardoor zij zich steeds eenzamer voelde. De moeder vraagt al maanden om hulp en die kreeg zij in [instelling] niet op een manier die goed voor haar voelde.

5 De beoordeling

5.1.

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.[_d14e6e2f-37ac-4cbc-9e6b-972c2528d4b4]

5.2.

De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. [minderjarige] heeft een moeizame start in het leven gehad en zijn ouders hebben een moeizame relatie gehad. Zichtbaar is dat de moeder erg betrokken is bij [minderjarige] en dat zij graag zelf weer voor [minderjarige] wil zorgen. Tegelijkertijd waren er ook grote zorgen toen de moeder en [minderjarige] in [instelling] verbleven. Vanuit [instelling] is er intensieve begeleiding geboden, maar de moeder kon hier haar draai niet vinden en de samenwerking ging moeizaam. Er waren onder meer zorgen over een val van de commode, de basale verzorging, de hechting tussen [minderjarige] en de moeder en het niet opvolgen van adviezen die in het belang van [minderjarige] zijn. Uiteindelijk heeft dit ertoe geleidt dat [minderjarige] in een pleeggezin verblijft en het is van belang dat hij hier de komende periode blijft zodat hij de verzorging krijgt die hij nodig heeft. Het is noodzakelijk dat de gecertificeerde instelling samen met de moeder gaat onderzoeken wat er nodig is voor thuisplaatsing van [minderjarige] en hiervoor de benodigde hulpverlening regelt. Verder is het wenselijk dat er een persoonlijkheidsonderzoek bij de moeder wordt verricht. Daarnaast dient er gekeken te worden hoe de bezoeken tussen de moeder en [minderjarige] kunnen worden vormgegeven en opgebouwd. De kinderrechter merkt hierbij op dat de gecertificeerde instelling ter zitting heeft bevestigd dat deze bezoeken onbegeleid kunnen plaatsvinden. Ook moet er meer zicht komen op de rol van de vader en dient er aandacht te blijven voor de omgang tussen hem en [minderjarige]. Waar mogelijk dient de moeder geholpen te worden met het vinden van een stabiele woonplek.

5.3.

Gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige], acht de kinderrechter het van belang dat zij op relatief korte termijn wordt geïnformeerd over de huidige stand van zaken. Zij zal daarom het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing toe wijzen voor de duur van drie maanden. Het verzoek zal voor het overige worden aangehouden.

5.4.

De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk twee weken voorafgaand aan de volgende zitting een schriftelijke update aan de rechtbank en de moeder te doen toekomen met daarin de huidige stand van zaken.

5.5.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 29 juni 2026 tot 25 september 2026;

6.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen vóór 25 september 2026 bij mr. O.F. Bouwman;

6.4.

gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:

  • de gecertificeerde instelling;
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader als informant;
6.5.

verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk twee weken voorafgaand aan de voornoemde zitting een schriftelijke update zoals hierboven genoemd aan de rechtbank en de moeder te doen toekomen.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026 door mr. O.F. Bouwman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 8 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.