Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 25 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:20901Zaaknummer C/09/702409 / JE RK 26-526
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 25 juni 2026
- Publicatiedatum
- 14 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/09/702409 / JE RK 26-526
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Meervoudige kamer. Gesloten jeugdhulp op dit moment niet (meer) noodzakelijk en geschikt om de minderjarige te beschermen en te helpen; gevolgen van de gesloten uithuisplaatsing staan niet in redelijke verhouding tot het doel.
De rechtbank:
wijst het aangehouden deel van het oorspronkelijke verzoek af.
Deze beschikking is gegeven op 25 juni 2026 door mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, mr. J.E. Bierling en mr. K.A.M. van der Zon, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. S.T. Viezee als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/702409 / JE RK 26-526
Datum uitspraak: 25 juni 2026
Beschikking van de meervoudige kamer
Afwijzing aangehouden verzoek machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige],
advocaat: mr. R. Shahbazi uit Den Haag.
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats].
1 Het verdere verloop van de procedure
Bij beschikking van de meervoudige kamer van 9 april 2026 is de machtiging gesloten jeugdhulp verleend tot 30 juni 2026. De behandeling van het verzoek (dat strekte tot verlening van een machtiging voor zes maanden) is voor het overige aangehouden tot een zitting gelegen vóór genoemde datum.
Daarna heeft de rechtbank aanvullend kennisgenomen van:
- de briefrapportage van 29 mei 2026 van de gecertificeerde instelling met bijlagen;
- het bericht dat mr. M. de Bluts zich onttrekt als advocaat van de moeder;
- de instemmingsverklaring van 10 juni 2026 van [naam 1];
- een e-mail van de moeder van 10 juni 2026 met bijlagen (screenshots NOS);
- een e-mail van de moeder van 11 juni 2026 met bijlage (screenshot bericht).
Op 11 juni 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;
- [minderjarige] met haar advocaat;
- de moeder.
Voorafgaand aan de zitting heeft de voorzitter van de meervoudige kamer, in het bijzijn van de andere rechters, ook apart met [minderjarige] gesproken. De advocaat van [minderjarige] was bij dat gesprek aanwezig. Tijdens de zitting is, met goedvinden van [minderjarige], samengevat wat [minderjarige] tijdens het gesprek heeft verteld.
2 De feiten
[minderjarige] is erkend door [erkenner].
De moeder draagt het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] verblijft bij de gesloten accommodatie voor jeugdhulp [instelling].
Bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 13 februari 2026 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 19 februari 2027. Bij die beschikking zijn de verzoeken tot het verlenen van een (voorwaardelijke) machtiging gesloten jeugdhulp en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing afgewezen.
Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 3 april 2026 is het verzoek tot vervanging van de gecertificeerde instelling afgewezen, evenals een (mondeling) verzoek tot beëindiging van de ondertoezichtstelling.
3 Het verzoek
De gecertificeerde instelling handhaaft het aangehouden deel van het oorspronkelijke verzoek, dat strekt tot het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] voor de resterende duur van drie maanden.
4 De standpunten
[minderjarige] en de moeder zijn het niet eens met het verzoek. Zij vinden allebei dat [minderjarige] weer thuis (bij de moeder) zou moeten wonen.
5 De beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt. In de hiervoor genoemde beschikking van
9 april 2026 heeft de rechtbank vragen gesteld aan de gecertificeerde instelling om te kunnen beoordelen of er andere mogelijkheden zijn dan gesloten jeugdhulp. Kort vóór het verlenen van de huidige (spoed)machtiging heeft [minderjarige] namelijk al een periode bij [instelling] op een groep verbleven met gesloten en voorwaardelijke machtigingen. Zij heeft daar veel aan gehad en grote stappen gemaakt in haar ontwikkeling, maar door het ontbreken van perspectief kwam zij in een negatieve spiraal terecht. Daarom was de rechtbank destijds van oordeel dat voortzetting van de uithuisplaatsing schadelijk was voor [minderjarige] .[_d5103cb4-f8ae-47bd-bae7-562467aa3deb] Voorkomen moet worden dat zij nu opnieuw in dezelfde uitzichtloze situatie terechtkomt.
Volgens de gecertificeerde instelling is er op dit moment geen andere mogelijkheid voorhanden om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen dan voortzetting van de plaatsing op de huidige groep, voor welke plaatsing volgens het beleid van [instelling] een (voorwaardelijke) machtiging gesloten jeugdhulp nodig is. Het is niet gelukt om alternatieven te onderzoeken omdat de situatie van en rondom [minderjarige], onverwacht, opnieuw is veranderd. Op 13 mei jl. is de moeder gedwongen opgenomen in een GGZ-instelling en toen [minderjarige] daarvan hoorde, is zij weggelopen van de groep en twee weken vermist geweest. Die omstandigheden bevestigen voor de gecertificeerde instelling opnieuw de zorgen over de moeder en haar onvermogen om verantwoordelijkheid te dragen voor (de veiligheid van) [minderjarige]. De huidige groep bij [instelling] is, vanwege de veiligheidswaarborgen en het gebrek aan een passend alternatief, de beste plek voor [minderjarige]. Daarbij wordt meegenomen dat als gevolg van het landelijke beleid om het aantal gesloten plaatsingen af te bouwen, [instelling] geen nieuwe plaatsingen meer aanneemt. Als de machtiging niet wordt verlengd, raakt [minderjarige] haar plek op de groep kwijt. De gedragswetenschapper heeft met de gesloten plaatsing ingestemd.
De gecertificeerde instelling heeft verder naar voren gebracht dat er geen contact is geweest met de school waar [minderjarige] graag naar toe wil ( [school] ), ondanks pogingen daartoe. De coach van KansJongeren is volgens de gecertificeerde instelling praktisch gestopt sinds [minderjarige] bij [instelling] verblijft, terwijl die coaching een voorwaarde was om weer te kunnen starten op een school. De Brijder heeft te kennen gegeven niets (meer) voor [minderjarige] te kunnen betekenen omdat zij meerdere keren niet op afspraken is verschenen. Inzet van een coach is inderdaad aangewezen, maar het moet dan wel een coach zijn die 24/7 beschikbaar en bereikbaar is en een dergelijke coach is nog niet gevonden. Positief is dat de gemeente [gemeente] heeft toegezegd een maatwerktraject te zullen bekostigen en [instelling] voor een dergelijk traject ook openstaat, in tegenstelling tot wat eerder is gezegd, maar van concrete stappen is het door de gewijzigde situatie nog niet gekomen.
Desgevraagd heeft de moeder bevestigd dat een zorgmachtiging is verleend en dat zij opgenomen is geweest. Zij was het daarmee oneens en vindt die beslissing nog steeds onterecht, maar inmiddels is zij weer thuis. Zij heeft contact met het wijkteam, neemt medicatie en voelt zich goed. Wat de moeder betreft, kan [minderjarige] niet langer op een plek blijven die meer schade aanricht dan goed doet en [instelling] is zo’n plek. Zij heeft de rechtbank gewezen op de berichtgeving in de media over gesloten jeugdhulp.[_f5a17686-06f6-4e63-b032-17eb21a57ec3] [minderjarige] kan thuis wonen (met ondersteuning) en vanuit daar werken aan haar toekomstperspectief. [minderjarige] heeft een nieuwe omgeving nodig, te beginnen met school. De moeder stelt dat aan haar is bevestigd dat [minderjarige] kan starten op [school], maar dat de school wacht op een bericht van de jeugdbeschermer.
De rechtbank constateert dat de situatie niet ten positieve is veranderd en zich vrijwel op hetzelfde punt bevindt als in februari van dit jaar. Er is nog steeds geen duidelijk perspectief voor [minderjarige] en zij zit opnieuw op de plek waar het hoogst haalbare al was bereikt. Ook is gebleken dat er nog steeds geen samenwerking is tussen de jeugdbeschermer en de moeder, wat erg belemmerend is en niet in het belang van [minderjarige].
De rechtbank staat daarom opnieuw voor een moeilijke afweging, nu geen van de beschikbare opties (thuis bij de moeder en uit huis) zonder nadelen is. Enerzijds zijn er serieuze en, zo bleek, terechte zorgen over de veiligheid van [minderjarige] in de thuissituatie. Feit is dat het kort na de beslissing van 13 februari 2026 strekkende tot beëindiging van de uithuisplaatsing al is misgegaan en de moeder in haar rol onvoldoende verantwoordelijkheid heeft genomen. Anderzijds is er geen passend alternatief voorhanden waar [minderjarige] beter bij gebaat is. Ook is er nog steeds een onoverbrugbaar verschil in visie op het toekomstperspectief van [minderjarige]. Volgens de gecertificeerde instelling kan [minderjarige] niet thuis wonen, maar [minderjarige] wil niet naar een open groep. Ook wil zij niet begeleid wonen. Dat maakt dat de gesloten uithuisplaatsing, wat op zichzelf al ingrijpend genoeg is, vooralsnog geen ander doel dient dan ervoor te zorgen dat [minderjarige] niet thuis woont. Bovendien is gebleken dat de plaatsing in een gesloten setting geen garantie biedt op bescherming en veiligheid, aangezien [minderjarige] is weggelopen en twee weken is weggebleven. De verwachting is dat bij voortzetting van die plaatsing, zij haar vrijheid zal blijven zoeken.
De rechtbank weegt de stem van [minderjarige] zwaar mee. Het is haar realiteit waar de rechtbank een beslissing over moet nemen. [minderjarige] wil het liefste naar huis, naar haar moeder. Zij vindt niet alleen zelf dat zij is uitgeleerd bij [instelling], maar andere betrokkenen vinden dat ook. De rechtbank begrijpt dat het dan moeilijk is om te accepteren dat je moet blijven waar je bent geplaatst, in dit geval bij [instelling]. En [minderjarige] doet dat dan ook niet. Tegelijkertijd kan de rechtbank er niet omheen dat [minderjarige] keuzes maakt die niet goed voor haar zijn en zich gedraagt op een manier die niet goed is voor haar ontwikkeling en veiligheid. Zij heeft ook recht op bescherming en passende hulp daarbij.
Alles afwegende, komt de rechtbank tot de conclusie dat de gesloten machtiging op dit moment niet (meer) noodzakelijk en geschikt is om [minderjarige] te beschermen en te helpen bij de problemen die zij ondervindt. Er wordt dus niet meer voldaan aan de gronden voor het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp. De gevolgen van een gesloten uithuisplaatsing staan niet in redelijke verhouding tot het doel daarvan. De gesloten plaatsing heeft opnieuw een negatieve invloed op de ontwikkeling van [minderjarige], terwijl zij juist succeservaringen nodig heeft. De rechtbank weegt ook mee dat, anders dan ten tijde van de beschikking van 13 februari 2026, de moeder gedwongen zorg krijgt en het merkbaar beter met haar gaat. De rechtbank drukt de moeder op het hart om openheid te geven over het traject dat zij volgt omdat daarmee de kans van slagen voor [minderjarige] om thuis te kunnen (blijven) wonen groter is. Dan kan de gecertificeerde instelling ook de verantwoordelijkheid nemen in het kader van de ondertoezichtstelling en aan de toekomst van [minderjarige] werken in de situatie dat zij thuis woont.
De rechtbank zal het resterende deel van het verzoek van de gecertificeerde instelling daarom afwijzen. De rechtbank vindt dat een moeilijke beslissing. Evenals de moeder en de gecertificeerde instelling, wil de rechtbank [minderjarige] beschermen en risico’s voor haar veiligheid beperken. De rechtbank moet echter onderkennen dat die risico’s in beide gevallen (thuis bij de moeder en uit huis) groot zijn en blijven bestaan.
Dat betekent dat er nog een machtiging gesloten jeugdhulp ligt tot 30 juni 2026. De rechtbank heeft overwogen om de machtiging nog voor een korte duur te verlen(g)en, zodat er meer tijd is om de terugkeer naar huis te organiseren en te begeleiden, echter met de conclusie dat gesloten jeugdhulp niet meer noodzakelijk en geschikt is, is hiervoor naar het oordeel van de rechtbank geen rechtvaardiging meer te vinden.
De rechtbank constateert ten overvloede dat de betrokkenen het met elkaar over twee dingen wel eens zijn, namelijk dat [minderjarige] zo snel mogelijk weer naar school moet gaan en baat zal hebben bij de inzet van een vertrouwensfiguur (coach). Dat zijn op dit moment twee concrete en essentiële zaken om [minderjarige] op korte termijn perspectief en stabiliteit te bieden. De inschrijving op school moet vóór de aanstaande zomervakantie geregeld zijn om ervoor te zorgen dat [minderjarige] in september kan starten bij [school]. Een begeleider van [instelling] kan als coach worden ingezet met behulp van financiering via de gemeente [gemeente]. De rechtbank geeft de moeder mee haar onvrede over de jeugdbeschermer in het belang van [minderjarige] opzij te zetten en haar verantwoordelijkheid als gezaghebbende ouder te nemen, zodat school en een coach op zeer korte termijn, met de inzet van alle betrokkenen, geregeld kunnen worden. De rechtbank kan zich voorstellen dat de moeder en de gecertificeerde instelling daarna met elkaar in gesprek gaan over het herstellen van vertrouwen. De rechtbank heeft de indruk dat de verhouding tussen de huidige jeugdbeschermer en de moeder onherstelbaar is beschadigd en de situatie van [minderjarige] niet meer ten goede komt en de uitvoerbaarheid van de ondertoezichtstelling beïnvloedt.
6 De beslissing
De rechtbank:
wijst het aangehouden deel van het oorspronkelijke verzoek af.
Deze beschikking is gegeven op 25 juni 2026 door mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, mr. J.E. Bierling en mr. K.A.M. van der Zon, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. S.T. Viezee als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.