Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 25 juni 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:20896Zaaknummer C/09/703210 / FA RK 26-3643

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
17 augustus 2026
Zaaknummer
C/09/703210 / FA RK 26-3643
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorzieningen. Uitsluitend gebruik, toevertrouwing minderjarige, zorgregeling en kinderalimentatie. Doorverwijzing ouderschapsbemiddeling.

De rechtbank:

bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het [adres] te [plaats 1], en beveelt mitsdien dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats], aan de man zal worden toevertrouwd;

bepaalt dat de vrouw voorlopig gerechtigd is om [minderjarige] bij zich te hebben:

- iedere week op dinsdag van 16.00 uur tot 20.00 uur, vrijdag uit school tot 20.00 uur en zondag van 09.00 uur tot 18.00 uur;

- om de week op zaterdag van 09.00 uur tot 18.00 uur;

- waarbij geldt dat de vrouw [minderjarige] bij de man thuis (en op vrijdag uit school) ophaalt en terugbrengt;

stelt vast dat de ouders, te weten:

[de vrouw], (de vrouw)

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

en

[de man], (de man)

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;

beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van de kennisgeving van deze beschikking te zenden naar: Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg, en de Raad voor de Kinderbescherming;

bepaalt dat de ouders de rechtbank in de bodemprocedure met zaaknummer C/09/705049 / FA RK 26-4744 informeren over het verloop van voornoemd traject;

bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert in de bodemprocedure met zaaknummer C/09/705049 / FA RK 26-4744 over het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders;

bepaalt dat de griffier in de bodemprocedure met zaaknummer C/09/705049 / FA RK 26-4744 binnen één week na ontvangst van de rapportage van een niet positief afgerond traject een afschrift van deze beschikking, de rapportage en de relevante processtukken die na deze beschikking zijn ingekomen aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject na ontvangst van de brief van de rechtbank met de hiervoor genoemde stukken te bezien of een raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover in de bodemprocedure met zaaknummer C/09/705049 / FA RK 26-4744 binnen twee weken te informeren en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;

bepaalt dat de vrouw aan de man, met ingang van heden, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] (bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt)van € 96,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.M. Westerhuis-Evers, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 25 juni 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Voorlopige voorzieningen
  2. Procedure
  3. Feiten
  4. Verzoek en verweer
  5. Beoordeling
  6. Toevertrouwing [minderjarige] en voorlopige zorgregeling
  7. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 26-3643

Zaaknummer: C/09/703210

Datum beschikking: 25 juni 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 13 april 2026 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. E.J.W. Schuijlenburg te Leidschendam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. G.A. Nandoe Tewarie te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het F9-formulier van 4 juni 2026 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek.

Op 11 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en tolk P. Nuangtanom;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- [naam 1], namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2022 te Den Haag.

- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats], hierna: [minderjarige].

- [minderjarige] verblijft momenteel bij de man.

- Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige].

Verzoek en verweer

De vrouw heeft verzocht:

- te bepalen dat [minderjarige] voorlopig aan haar wordt toevertrouwd;

- te bepalen dat zij, met uitsluiting van de man, het voortgezet gebruik heeft van de woning gelegen te [plaats 1] aan het [adres], met inbegrip van de zich daarin bevindende inboedel, met de bepaling dat de man deze woning moet verlaten en niet meer mag betreden;

- de man te veroordelen om aan haar een voorlopige bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [minderjarige] te betalen van € 200,- per maand, maandelijks bij vooruitbetaling aan haar te voldoen,

een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

De man heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Bovendien heeft de man zelfstandig verzocht:

- te bepalen dat [minderjarige] voorlopig aan hem toevertrouwd wordt;

- te bepalen dat hij het exclusief gebruik van de huurwoning aan het

[adres] te [plaats 1] toegewezen krijgt;

- te bepalen dat de vrouw kinderalimentatie van € 77,- per maand voor de eerste van

de maand aan hem dient te voldoen;

- voorwaardelijk, indien de vrouw het kind en het exclusief gebruik van de woning

toegewezen krijgt, een zorgregeling voor de man en het kind te bepalen, waarbij er een 50/50 week-op-week-af-zorgregeling is;

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De vrouw heeft mondeling verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Toevertrouwing [minderjarige] en voorlopige zorgregeling

Standpunt vrouw

De vrouw heeft, verkort weergegeven, het volgende aangevoerd. De man heeft een ziekte waardoor hij zal komen te overlijden. De man heeft haar op 29 maart 2026 een overeenkomst voorgehouden en van haar geëist dat zij deze zou tekenen. Hierin was opgenomen dat [minderjarige] na het overlijden van de man bij de familie van de man zou worden ondergebracht, in het bijzonder bij zijn meerderjarige dochter [naam 2]. De vrouw heeft geweigerd deze overeenkomst te tekenen, waarna de man haar het huis heeft uitgezet en het contact met [minderjarige] heeft ontzegd. Dit is niet in het belang van [minderjarige]. Bovendien heeft zij sinds de geboorte van [minderjarige] voor hem heeft gezorgd. Sinds de vrouw werkt, heeft de man [minderjarige] naar school gebracht en hem van school gehaald. Nu partijen uit elkaar zijn, wil zij weer voor hem zorgen. De vrouw kan haar werktijden aanpassen, zodat zij [minderjarige] voortaan weer zelf naar school kan brengen en hem kan ophalen. Gezien het onvoorspelbare gedrag van de man is het van belang dat [minderjarige] veiligheid wordt geboden en dat hij aan de vrouw wordt toevertrouwd. Op de zitting heeft de vrouw aanvullend subsidiair verzocht – in het geval [minderjarige] niet aan haar wordt toevertrouwd en indien het uitsluitend gebruik van de woning aan de man wordt toegekend – een week-op-week-af-regeling tussen haar en [minderjarige] vast te stellen.

Standpunt man

De man heeft, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Er mag geen onbegeleid contact zijn tussen de vrouw en [minderjarige]. Hij wil dat het contact tussen hen onder begeleiding van de man of een derde plaatsvindt, omdat hij de vrees heeft dat de vrouw met [minderjarige] naar [land] zal vertrekken en niet meer zal terugkeren. Hij heeft de vrouw niet de woning uitgezet, de vrouw heeft de woning vrijwillig verlaten. Hij is altijd de hoofdverzorger van [minderjarige] geweest. De man ondergaat op dit moment wel medische behandelingen, maar hij kan desondanks goed functioneren als opvoeder van [minderjarige]. Op de zitting heeft hij aangegeven dat het perspectief met betrekking tot zijn gezondheid positief is. Ook heeft de man naar voren gebracht dat de vrouw nauwelijks Nederlands en geen Engels spreekt, waardoor zij moeilijk met school en andere instanties rondom [minderjarige] kan communiceren. Dit doet de man allemaal, al dan niet met behulp van zijn meerderjarige dochter [naam 2]. De vrouw is niet in staat dit soort taken uit te voeren. Verder zegt de vrouw dat zij haar werktijden kan combineren met de zorg voor [minderjarige], maar dit is niet gebleken.

Overwegingen rechtbank

De rechtbank overweegt ten aanzien van de toevertrouwing als volgt. Voor [minderjarige] is het van belang dat er de komende tijd, totdat er definitieve beslissingen zijn of worden genomen in het kader van de echtscheidingsprocedure, zoveel mogelijk continuïteit is in zijn leven. Het is in zijn belang dat er zo min mogelijk wijzigingen komen in zijn ritme wat betreft school en vrijetijdsbesteding. Vast staat dat de man de afgelopen jaren het halen en brengen van [minderjarige] naar en van school voor zijn rekening heeft genomen. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat deze al lang bestaande dagelijkse routine van [minderjarige], voorlopig, totdat er eventueel andere beslissingen volgen uit de echtscheidingsprocedure, wordt doorgezet. De man is, nu hij niet werkt, in staat dit voort te zetten. De vrouw heeft toegelicht dat zij het halen en brengen van [minderjarige] en de zorg voor hem met haar werktijden kan regelen, maar naar het oordeel van de rechtbank is dit niet gebleken en is dit dus een onzekere factor. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank [minderjarige] voorlopig aan de man toevertrouwen en het verzoek van de vrouw te dien aanzien afwijzen.

Dit laat onverlet dat het in het belang van [minderjarige] is om zijn moeder te zien. Gebleken is dat de vrouw na het verlaten van de echtelijke woning enige tijd geen contact heeft gehad met [minderjarige]. Op de zitting heeft de vrouw toegelicht dat zij vanaf medio mei 2026 elke dag telefonisch contact heeft met [minderjarige]. Het is voor de ontwikkeling van [minderjarige] belangrijk dat hij regelmatig contact heeft met zijn moeder en ook dat dit contact fysiek is. Hij had immers een goede band met zijn moeder, [minderjarige] is nog jong, dus het is belangrijk dat [minderjarige] en zijn moeder elkaar weer snel en regelmatig kunnen zien.

De rechtbank zal een zorgregeling bepalen waarbij er fysiek en onbegeleid contact is tussen [minderjarige] en zijn moeder. De rechtbank gaat daarmee voorbij aan het verweer van de man, dat de vrouw mogelijk met [minderjarige] naar het buitenland zal vertrekken. De rechtbank betrekt daarbij dat de vrouw ter zitting heeft verklaard op dit moment geen enkele intentie daartoe te hebben. Er zijn verder naar het oordeel van de rechtbank op dit moment ook geen andere concrete aanwijzingen dat de vrouw [minderjarige] zonder toestemming van de man zou willen meenemen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen reden is om het contact tussen de vrouw en [minderjarige] onder begeleiding te laten verlopen. De rechtbank heeft geen zorgen over de veiligheid van [minderjarige] als hij bij de vrouw is of over de opvoedvaardigheden van de vrouw.

Aangezien de vrouw nu niet over een zelfstandige woonruimte beschikt waar zij [minderjarige] zou kunnen ontvangen, acht de rechtbank een week-op-week-af-regeling op dit moment niet in het belang van [minderjarige]. Hij zou in dat geval in de week dat hij bij de vrouw verblijft op een onzekere plek bij derden moeten verblijven. Dit (subsidiaire) verzoek van de vrouw wordt dus afgewezen.

Op de zitting hebben partijen afspraken gemaakt over het contact tussen [minderjarige] en de vrouw vanaf de zitting tot de datum van deze beschikking. Zij zijn overeengekomen dat [minderjarige] in die periode op zaterdag van 09.00 uur tot 18.00 uur en op zondag van 09.00 uur tot 18.00 uur bij de vrouw verblijft, waarbij de vrouw [minderjarige] bij de man thuis ophaalt en terugbrengt. Dit leent zich niet voor opname in het dictum, maar de rechtbank gaat ervan uit dat beide partijen deze afspraken stipt zullen nakomen.

De rechtbank ziet aanleiding bij de beoordeling van de verzoeken over de zorgregeling, aan te sluiten bij deze voorlopige afspraak. Nu de vrouw niet beschikt over zelfstandige woonruimte, zal de rechtbank geen overnachtingen van [minderjarige] bij de vrouw vaststellen. De rechtbank houdt verder rekening met de werkdagen en -tijden van de vrouw. De rechtbank zal de volgende voorlopige (onbegeleide) zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] vaststellen. [minderjarige] zal voorlopig bij de vrouw verblijven:

- iedere week op dinsdag van 16.00 uur tot 20.00 uur, vrijdag uit school tot 20.00 uur en zondag van 09.00 uur tot 18.00 uur;

- om de week op zaterdag van 09.00 uur tot 18.00 uur;

- waarbij geldt dat de vrouw [minderjarige] bij de man thuis (en op vrijdag uit school) ophaalt en terugbrengt.

Uitsluitend gebruik echtelijke woning

De rechtbank begrijpt dat de vrouw met het verzoek ‘voortgezet gebruik van de woning’ en de man met het verzoek ‘exclusief gebruik van de huurwoning’ bedoelen het uitsluitend gebruik van de woning te verzoeken.

Standpunt vrouw

De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoek, verkort weergegeven, het volgende aangevoerd. Zij verblijft momenteel bij een kennis in [plaats 2] maar kan daar slechts tijdelijk blijven. Zij heeft geen familieleden in Nederland waar zij kan verblijven, in tegenstelling tot de man die wel elders, bijvoorbeeld bij zijn dochter [naam 2], kan verblijven.

Standpunt man

De man heeft zich verzet tegen het verzoek van de vrouw en heeft eveneens verzocht om het uitsluitend gebruik van de woning. De man heeft aangegeven dat hij niet bij zijn familieleden kan verblijven. Daarbij heeft hij rust nodig vanwege zijn medische behandelingen. De man heeft geprobeerd om een urgentieverklaring aan te vragen, maar dit is niet gelukt. Hij heeft daarom meer belang bij de woning dan de vrouw.

Overwegingen rechtbank

Bij de beoordeling van de vraag wie voorlopig in de woning mag blijven, moeten alle belangen worden betrokken. Vast staat dat beide partijen een belang hebben bij de woning, omdat voor beiden geldt dat zij geen zelfstandige vervangende woonruimte hebben en beiden afhankelijk zijn van verblijf bij familie of vrienden. Daarnaast is er nog het belang van [minderjarige], dat in de afweging moet worden betrokken. Zoals hiervoor al is overwogen, is het in het belang van [minderjarige] dat er voorlopig zo min mogelijk wijzigingen komen in zijn ritme wat betreft school en vrijetijdsbesteding en dat hij dit dus allemaal vanuit de hem vertrouwde woning kan blijven doen. Gelet hierop en nu [minderjarige] aan de man wordt toevertrouwd, is het in het belang van [minderjarige] dat het uitsluitend gebruik van de woning aan man toekomt. Op die manier kan [minderjarige] de komende tijd zoveel als mogelijk de dagelijkse gang van zaken laten doorlopen. De rechtbank overweegt daarbij dat zij een regeling van birdnesting, waarbij beide partijen afwisselend in de woning verblijven en voor [minderjarige] zorgen, in dit geval niet haalbaar en niet in het belang van [minderjarige] acht omdat daarvoor vereist is dat er tussen de ouders een voldoende werkbare verstandhouding bestaat, wat niet het geval is.

De rechtbank zal het verzoek van de man ten aanzien van het uitsluitend gebruik van de woning dan ook toewijzen en dat van de vrouw afwijzen.

Ouderschapsbemiddeling

Gebleken is dat er sinds het uiteengaan van partijen spanningen tussen hen zijn en dat zij sindsdien niet met elkaar communiceren. Zij verschillen van mening over wat er in het verleden is voorgevallen. Wat daar ook van zij, zij zijn de ouders van een jong kind. Voor [minderjarige] is nog een lange periode vereist dat de ouders het ouderschap gezamenlijk invullen. Gelet hierop hebben beide ouders op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling om hun onderlinge communicatie te verbeteren en het onderlinge vertrouwen te vergroten. De rechtbank acht dit positief, omdat dit immers in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal een kennisgeving van deze beschikking per post zenden aan het Kenniscentrum Kind en Scheiding.

De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank in de bodemprocedure met zaak- en rekestnummer C/09/705049 / FA RK 26-4744 tijdig te informeren over het verloop van voornoemd traject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank in de bodemprocedure met zaak- en rekestnummer C/09/705049 / FA RK 26-4744 tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.

Voorlopige kinderalimentatie

Beide partijen hebben verzocht een door de andere partij te betalen voorlopige kinderalimentatie vast te stellen. Zoals hiervoor overwogen zal [minderjarige] aan de man worden toevertrouwd. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat de financiering van de verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige] voortaan voor rekening van de man zal komen. De rechtbank zal daarom een door de vrouw aan de man te betalen voorlopige kinderalimentatie vaststellen.

Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.

Ingangsdatum

De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking, te weten 25 juni 2026.

Behoefte

Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige] in 2026 € 502,- per maand bedraagt, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan.

Draagkracht

De behoefte van [minderjarige] moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van de ouders dient conform de aanbevelingen uit het rapport in beginsel te worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.365)].

Draagkracht man

Partijen zijn het niet eens over het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Gebleken is dat de man momenteel een AOW-uitkering ontvangt. Op de zitting heeft de vrouw gesteld dat de man mogelijk ook een aanvullend pensioen zou ontvangen. Gelet op de betwisting van de man is de rechtbank van oordeel dat de vrouw haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank zal daarom uitgaan van een AOW-uitkering van € 20.929,- bruto per jaar, zoals door de man is opgenomen in zijn draagkrachtberekening (productie 7). Ook zal de rechtbank rekening houden met het vakantiegeld van € 106,- bruto per maand.

Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens op € 5.996,-.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting, de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 2.260,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.

Bij een NBI van € 2.180,- tot € 2.430,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Omdat het NBI tussen € 2.230,- en € 2.280,- valt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel (2026) een draagkracht van € 77,- per maand in aanmerking nemen.

Draagkracht vrouw

Voor de berekening van het NBI van de vrouw zal de rechtbank uitgaan van een inkomen van € 1.924,- bruto per vier weken en 8% vakantietoeslag, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde salarisspecificaties over de periodes 1 tot en met 5 van 2026. Uit deze salarisspecificaties is gebleken dat de vrouw in sommige periodes een (telkens wisselend) bedrag aan meeruren uitgekeerd heeft gekregen. In deze voorlopige voorzieningenprocedure zal de rechtbank hier geen rekening mee houden, mede omdat de man deze meeruren in zijn draagkrachtberekening voor de vrouw ook niet heeft meegenomen. Gelet hierop zal de rechtbank voor de door de vrouw te betalen premies uitgaan van periode 3 van 2026, nu op deze loonstrook geen meeruren zijn opgenomen. De rechtbank zal dan ook rekening houden met de pensioenpremies van € 85,- bruto per maand, de nabestaandenpensioenpremie van € 3,- bruto per maand, de arbeidsongeschiktheidspremies van € 17,- per maand en de inkomensverzekering van € 8,- bruto per maand.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 2.070,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.

Bij een NBI van € 1.950,- tot € 2.200,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Omdat het NBI tussen € 2.050,- en € 2.100,- valt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel (2026) een draagkracht van € 96,- per maand voor de vrouw in aanmerking nemen.

Gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 173,- per maand (€ 77,- + € 96,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 329,- per maand.

Gelet op de zorgregeling zal de rechtbank uitgaan van een zorgkorting van 25%. De zorgkorting bedraagt dan € 126,- per maand (25% van € 502,-).

Omdat sprake is van een tekort en dit tekort ten minste twee keer zo groot is als de zorgkorting, vervalt de zorgkorting van de vrouw. Partijen zullen daarom maximaal, naar hun draagkracht, moeten bijdragen in de behoefte van [minderjarige].

Het aandeel van de vrouw in de kosten van [minderjarige] is dus gelijk aan haar draagkracht.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is de vrouw voorlopig gehouden om met ingang van 25 juni 2026 een bedrag van € 96,- per maand aan de man te voldoen aan kinderalimentatie voor [minderjarige].

Beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het [adres] te [plaats 1], en beveelt mitsdien dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats], aan de man zal worden toevertrouwd;

bepaalt dat de vrouw voorlopig gerechtigd is om [minderjarige] bij zich te hebben:

- iedere week op dinsdag van 16.00 uur tot 20.00 uur, vrijdag uit school tot 20.00 uur en zondag van 09.00 uur tot 18.00 uur;

- om de week op zaterdag van 09.00 uur tot 18.00 uur;

- waarbij geldt dat de vrouw [minderjarige] bij de man thuis (en op vrijdag uit school) ophaalt en terugbrengt;

stelt vast dat de ouders, te weten:

[de vrouw], (de vrouw)

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

en

[de man], (de man)

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;

beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van de kennisgeving van deze beschikking te zenden naar: Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg, en de Raad voor de Kinderbescherming;

bepaalt dat de ouders de rechtbank in de bodemprocedure met zaaknummer C/09/705049 / FA RK 26-4744 informeren over het verloop van voornoemd traject;

bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert in de bodemprocedure met zaaknummer C/09/705049 / FA RK 26-4744 over het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders;

bepaalt dat de griffier in de bodemprocedure met zaaknummer C/09/705049 / FA RK 26-4744 binnen één week na ontvangst van de rapportage van een niet positief afgerond traject een afschrift van deze beschikking, de rapportage en de relevante processtukken die na deze beschikking zijn ingekomen aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject na ontvangst van de brief van de rechtbank met de hiervoor genoemde stukken te bezien of een raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover in de bodemprocedure met zaaknummer C/09/705049 / FA RK 26-4744 binnen twee weken te informeren en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;

bepaalt dat de vrouw aan de man, met ingang van heden, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] (bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt)van € 96,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.M. Westerhuis-Evers, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 25 juni 2026.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.