Uitspraak · Omgevingsrecht
Rechtbank Den Haag, 3 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:20770Zaaknummer SGR 25/185
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 3 juli 2026
- Publicatiedatum
- 14 augustus 2026
- Zaaknummer
- SGR 25/185
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Omgevingsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Beroep tegen afwijzing aanvraag om een terrasvergunning voor een horeca-inrichting in Leiden; Verordening fysieke leefomgeving Leiden 2020; gevaar voor de bruikbaarheid van de weg en het openbaar water; gelijkheidsbeginsel; beroep ongegrond
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/185
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen
Pavarotti Leiden B.V., uit Leiden, eiseres
(gemachtigde: mr. M.R. Plug),
en
het college van burgemeester en wethouders van Leiden
(gemachtigde: mr. S. Ramsoekh).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Vereniging Het Waterambacht Leiden uit Leiden, derde-partij.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een terrasvergunning op grond van de Verordening fysieke leefomgeving Leiden 2020 voor haar horeca-inrichting aan de Nieuwe Rijn 45-48 te Leiden. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag mocht afwijzen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 22 november 2022 heeft eiseres een aanvraag om een terrasvergunning op grond van de Verordening fysieke leefomgeving Leiden 2020 (Vfl) ingediend voor haar horeca-inrichting aan de Nieuwe Rijn 45-48 te Leiden.
Het college heeft deze aanvraag, nadat de procedure met betrekking tot de omgevingsvergunning was afgerond, met het besluit van 15 mei 2024 (het primaire besluit) afgewezen.
Met het besluit van 22 januari 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft nadere stukken overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. Het beroep is tegelijk behandeld met het beroep met zaaknummer SGR 25/184. Eiseres is hier vertegenwoordigd door haar gemachtigde en door [naam 1] en [naam 2] van AA Planadvies. Het college heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam 3] van RoyalHaskoningDHV en [naam 4]. Namens de derde-partij zijn [naam 5] en [naam 6] verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en omstandigheden
3. Eiseres is voornemens een terrasboot af te meren voor haar horeca-inrichting aan de Nieuwe Rijn 45-48 te Leiden. Eiseres heeft daarvoor zowel een omgevingsvergunning als een terrasvergunning op grond van de Vfl nodig. Met het besluit van 7 mei 2024 heeft het college de van rechtswege verleende omgevingsvergunning bekendgemaakt. Daaropvolgend heeft het college met het primaire besluit de gevraagde terrasvergunning afgewezen. Het college heeft dit besluit gebaseerd op het doorvaarbaarheidsonderzoek van Royal HaskoningDHV van 11 september 2023 en het advies van de waterpolitie uit 2019. Met het bestreden besluit heeft het college het primaire besluit in stand gelaten. Het college heeft dit gemotiveerd door zich op het standpunt te stellen dat door het innemen van de beoogde plek door een particulier, er voor de overige gebruikers minder ruimte en mogelijkheid bestaat om uit te wijken. De verminderde bruikbaarheid resulteert in een nadelige situatie voor wat betreft de nautische veiligheid en de doorvaart. Volgens het college is daarom sprake van strijd met artikel 3.4.5.1, tweede lid onder b van de Vfl, waardoor de gevraagde terrasvergunning niet verleend kan worden.
Is sprake van strijd met de Verordening voor de fysieke leefomgeving Leiden 2020?
4. Eiseres betoogt het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat op grond van artikel 3.4.5.1, tweede lid, onder b, sprake is van gevaar voor de bruikbaarheid van de weg en het openbaar water, of voor het doelmatig beheer van de weg en het openbaar water. Eiseres voert hiertoe aan dat de bruikbaarheid van het openbaar water een ander criterium betreft dan de doorvaarbaarheid en dat het college daarom niet kan terugvallen op de argumenten die worden aangevoerd in de zaak over de omgevingsvergunning (SGR 25/184). Verder voert eiseres aan dat haar niet is gebleken dat het college in andere gevallen daadwerkelijk aan deze voorwaarde van artikel 3.4.5.1, tweede lid, onder b, uit de Vfl toetst. In zoverre wordt eiseres dus anders behandeld dan andere horeca-inrichtingen, die wel beschikken over een exploitatievergunning voor een terrasboot.
Het college stelt zich op het standpunt dat bij het innemen van openbare ruimte wordt beoordeeld of dit gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare ruimte, of in dit geval het openbaar water. De bruikbaarheid komt volgens het college in gevaar als de veiligheid in het geding komt of de doorstroming op het water wordt belemmerd. Daarvan is in het voorliggende geval volgens het college sprake.
In het verweerschrift heeft het college zich op het standpunt gesteld dat zich nog een weigeringsgrond voordoet. Op grond van artikel 3.4.5.1, tweede lid, onder g, van de Vfl wordt een terrasvergunning geweigerd als voor het terras ook andere vergunningen, ontheffingen, vrijstellingen en dergelijke zijn vereist, die krachtens de desbetreffende wettelijke bepalingen niet kunnen worden verleend. Ten tijde van het primaire besluit was de vereiste omgevingsvergunning van rechtswege verleend, zodat deze weigeringsgrond zich op dat moment niet voordeed. Ten tijde van het bestreden besluit was echter gebleken dat de van rechtswege verleende omgevingsvergunning niet in stand kon blijven. Nu artikel 3.4.5.1, tweede lid, onder g, van de Vfl dwingend voorschrijft dat een gevraagde terrasvergunning wordt geweigerd als voor het terras ook andere vergunningen, ontheffingen, vrijstellingen en dergelijke zijn vereist, die krachtens de desbetreffende wettelijke bepalingen niet kunnen worden verleend, kon het college niet anders dan de gevraagde terrasvergunning weigeren, aldus het college.
5. Blijkens artikel 3.4.5.1, eerste lid van de Vfl is het niet toegestaan om zonder vergunning van het college en daarnaast in afwijking van de regels als bedoeld in deze paragraaf, een terras in te richten, te exploiteren of in gebruik te geven op een openbare ruimte, op openbaar water of op een voor publiek toegankelijk terrein.
Blijkens artikel 3.4.5.1, tweede lid, onder b en onder g, van de Vfl wordt een vergunning als bedoeld in het eerste lid geweigerd als:
[…]
b. blijkt dat het terras gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg en het openbaar water, of voor het doelmatig beheer van de weg en het openbaar water;
g. voor het terras ook andere vergunningen, ontheffingen, vrijstellingen en dergelijke zijn vereist, die krachtens de desbetreffende wettelijke bepalingen niet kunnen worden verleend.
6. De rechtbank stelt vast dat bij het besluit op bezwaar van 22 januari 2025 in zaak SGR 25/184 de van rechtswege verleende omgevingsvergunning is ingetrokken en alsnog is geweigerd. Dat betekent dat ten tijde van het bestreden besluit in deze zaak, dat ook dateert van 22 januari 2025, de weigeringsgrond van artikel 3.4.5.1, tweede lid, onder g, van de Vfl van toepassing was, nu de voor het terras benodigde omgevingsvergunning niet kon worden verleend. Dat betekent dat het college reeds om die reden op grond van artikel 3.4.5.1, tweede lid, onder g, van de Vfl was gehouden de gevraagde terrasvergunning te weigeren. Bovendien is het beroep van eiseres tegen de weigering van de gevraagde omgevingsvergunning door de rechtbank bij uitspraak van 3 juli 2026 in zaak SGR 25/184 ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet in haar belangen wordt geschaad door het feit dat het college deze tweede weigeringsgrond pas aanvoert in het verweerschrift, omdat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het ook gehouden was om de gevraagde terrasvergunning op grond van artikel 3.4.5.1, tweede lid, onder b, van de Vfl te weigeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de bruikbaarheid van het openbaar water ook de nautische veiligheid omvat. Zoals overwogen in de uitspraak van 3 juli 2026 in zaak SGR 25/184, heeft het college zich, gelet op het doorvaarbaarheidsonderzoek van Royal HaskoningDHV van 11 september 2023, op het standpunt kunnen stellen dat het afmeren van een terrasboot voor de inrichting van eiseres een onevenredige belemmering van de doorvaart oplevert. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college dit ook van doorslaggevend belang kunnen achten bij de vraag of het terras gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg en het openbaar water. Zoals overwogen in de uitspraak van 3 juli 2026 in zaak SGR 25/184 onder 7.12 is het gevolg van het afmeren van een terrasboot voor de inrichting van eiseres dat er meer drukke en zeer drukke dagen zullen zijn, waarbij sprake is van een verhoogd risiconiveau op incidenten. Het college heeft daarom voldoende gemotiveerd dat het afmeren van de terrasboot voor de inrichting van eiseres een gevaar zal opleveren voor de nautische veiligheid en de bruikbaarheid van het openbaar water. Het college kon de gevraagde terrasvergunning daarom ook op grond van artikel 3.4.5.1, tweede lid, onder b, van de Vfl de gevraagde terrasvergunning weigeren. Het betoog slaagt niet.
Is sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel?
7. Eiseres betoogt dat het bestreden besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel is genomen, omdat het college zich bij de invulling van het criterium zoals geformuleerd in artikel 3.4.5.1, tweede lid, onder b, van de Vfl baseert op het doorvaarbaarheidsonderzoek van RoyalHaskoningDHV, terwijl het college in vergelijkbare gevallen bij andere terrasboten dit criterium invult zonder uitgebreid doorvaarbaarheidsonderzoek, bijvoorbeeld enkel aan de hand van adviezen van de Afdeling Ruimtelijke Ordening. Eiseres heeft onder meer verwezen naar de locaties Botermarkt 8/9, Botermarkt 12, Botermarkt 19, Nieuwe Rijn 21, Nieuwe Rijn 37A en de Nieuwe Rijn 41/42A.
Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel zijn er vereisten die voortvloeien uit vaste rechtspraak. Er dient sprake te zijn van een vergelijkbaar geval, dat ongelijk wordt behandeld, zonder dat er een objectieve rechtvaardiging bestaat voor het verschil in handelwijze.
Het college heeft zich in het verweerschrift en ter zitting op het standpunt gesteld dat de door eiseres genoemde gevallen geen vergelijkbare gevallen zijn, omdat het besluit met betrekking tot de omgevingsvergunning, weliswaar ten onrechte, is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure en dat daarom – in tegenstelling tot bij de door eiseres genoemde gevallen – in het geval van eiseres een uitgebreid doorvaarbaarheidsonderzoek van RoyalHaskoningDHV is uitgevoerd. Wat daar ook van zij, naar het oordeel van de rechtbank kan het enkele feit dat in het geval van eiseres een meer uitgebreid – en daarmee wellicht meer zorgvuldig – onderzoek ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit dan in de door eiseres genoemde gevallen, geen reden zijn om het bestreden besluit wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel te vernietigen. Het betoog slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.