Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Den Haag, 21 mei 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:20731Zaaknummer SGR 25/2791
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 21 mei 2026
- Publicatiedatum
- 13 augustus 2026
- Zaaknummer
- SGR 25/2791
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Eiseres heeft een aanvraag om vergoeding van de invoerrechten voor haar auto naar Aruba ingediend en deze aanvraag is door verweerder afgewezen. Verweerder mocht deze aanvraag afwijzen. Geen sprake van hardheid. Het beroep is ongegrond.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Pieterse, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.T. van Bruggen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2791
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J. Boringa),
en
de Staatssecretaris van Defensie,
(gemachtigde: mr. M.I. Pronk).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag om vergoeding van de invoerrechten voor een personenauto van Nederland naar Aruba.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 15 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 28 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben met behulp van een beeldverbinding deelgenomen: eiseres en haar partner, de heer [naam 1]. Hieraan hebben fysiek deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, vergezeld door [naam 2], en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door [naam 3].
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Met het besluit van 2 oktober 2023 is eiseres met ingang van 1 februari 2024 een functie op Aruba toegewezen. In verband met de verhuizing van Nederland naar Aruba heeft eiseres haar auto naar Aruba verscheept. Hiervoor moest eiseres invoerrechten betalen, omdat zij haar auto nog geen zes maanden in bezit en in gebruik had in Nederland. Eiseres heeft een aanvraag om vergoeding van de invoerrechten ingediend en deze aanvraag is door verweerder afgewezen.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres stelt dat volgens het beleid van verweerder de invoerrechten gedeclareerd kunnen worden, wanneer de plaatsingsbeschikking na de datum van de tenaamstelling van het privévoertuig dateert. Eiseres verwijst hierbij naar de nieuwkomersmappen waarin dit staat beschreven. Omdat zij haar auto al in haar bezit had voordat zij wist dat zij op Aruba zou worden geplaatst, heeft zij recht op vergoeding. Daarnaast stelt eiseres dat het nog niet zeker was dat de buitenlandplaatsing daadwerkelijk doorgang zou vinden ten tijde van de aanschaf van het privévoertuig, omdat er nog een gesprek met Bedrijfsmaatschappelijk werk plaats moest vinden.
Ter zitting hebben eiseres en haar gemachtigde nader toegelicht dat er voorafgaand aan de plaatsingsbeschikking geen nadere informatie is vertrekt over de betaling van invoerrechten. Verweerder heeft met toepassing van de hardheidsclausule de invoerrechten altijd vergoed en zou op basis van het rechtzekerheidsbeginsel de hardheidsclausule nu ook moeten toepassen.
Wat zijn de regels?
4. Uit artikel 3, derde lid, van de Verplaatsingskostenregeling defensie (VKRD) volgt dat een defensieambtenaar bij een tegemoetkoming in de verhuiskosten naar of van een land buiten Europa, aanspraak heeft op het transport van een motorvoertuig. De eventuele invoerrechten van dit motorvoertuig komen ten laste van de defensieambtenaar.
In artikel 31 van het Verplaatsingskostenbesluit defensie (VKBD) staat de hardheidsclausule. Hieruit volgt dat verweerder kan afwijken van artikel 3, derde lid, van de VKRD, als de toepassing hiervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag om vergoeding van de invoerrechten voor een personenauto van eiseres mocht afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Hardheidsclausule
6. Op grond van artikel 3, derde lid, van de VKRD komen invoerrechten ten laste van de defensieambtenaar. In geschil is of verweerder op basis van de door eiseres aangevoerde feiten en omstandigheden aanleiding moest zien om de hardheidsclausule van artikel 31 van het VKBD toe te passen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de hardheidsclausule niet hoefde toe te passen.
Op grond van de hardheidsclausule kan in een bijzonder geval van de regeling worden afgeweken voor zover de toepassing van de regeling onbillijk zou zijn. Eiseres heeft niet onderbouwd dat haar aanvraag een bijzonder geval betreft. Eiseres is op 7 augustus 2023 op sollicitatiegesprek geweest voor een functie in Aruba. Zij heeft daarna op 21 augustus 2023 de personenauto aangeschaft. Ten tijde van het aanschaffen van de auto was eiseres zich daarom bewust van de mogelijkheid dat zij met ingang van 1 februari 2024 geplaatst zou worden op Aruba. Dat er mogelijk nog een gesprek met Bedrijfsmaatschappelijk werk plaats moest vinden voorafgaand aan de plaatsing doet hier niet aan af.
Eiseres heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de afwijzing van de aanvraag tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt. Het betalen van invoerrechten is op zich zelf, zonder nadere motivering, hiertoe onvoldoende.
Eiseres heeft in het kader van de toepassing van de hardheidsclausule een beroep gedaan op het rechtszekerheidsbeginsel. Het rechtszekerheidsbeginsel houdt in dat een bestuursorgaan op consistente wijze het recht toepast. Het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel slaagt niet. Niet is gebleken dat verweerder de hardheidsclausule inconsistent heeft toegepast. De omstandigheid dat verweerder de aanvragen die tot januari 2021 zijn ingediend heeft ingewilligd leidt niet tot een ander oordeel. Met ingang van januari 2021 heeft verweerder de uitvoeringspraktijk gewijzigd. Hij past artikel 3 VKRD en de hardheidsclausule stringenter toe. Niet is gebleken dat verweerder in gelijke gevallen na januari 2021 een aanvraag om vergoeding van de invoerrechten heeft toegewezen. Ter zitting heeft verweerder ook nogmaals benadrukt dat er na januari 2021 geen vergoeding van de invoerrechten in een gelijk geval is toegekend. Uit de door eiseres overgelegde informatie in beroep blijkt ook niet dat verweerder nog steeds een ruimer beleid voert. De nieuwkomersmappen waar eiseres naar verwijst dateren van het jaar 2020 en 2021 en zijn informatief van aard. De rechtbank begrijpt dat de informatie in de nieuwkomersmappen bij eiseres voor verwarring heeft gezorgd. Hoewel de rechtbank het slordig vindt dat verweerder de informatie in de nieuwkomersmappen niet heeft aangepast na het wijzigen van de uitvoeringspraktijk, had het gezien de datering van de nieuwkomersmappen en de hoogte van de te betalen invoerrechten op de weg van eiseres gelegen om hier extra navraag naar te doen.
Verweerder mocht zich daarom op het standpunt stellen dat de invoerrechten niet door Defensie hoeven te worden gedragen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Pieterse, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.T. van Bruggen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.