Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 23 juni 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:20659Zaaknummer C/09/702511 / FA RK 26-3205

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
12 augustus 2026
Zaaknummer
C/09/702511 / FA RK 26-3205
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Voorlopige voorziening, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vovo uitsluitend gebruik, toevertrouwing, voorlopige zorgregeling, kali en pali

De rechtbank:

bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] aan de vrouw zal worden toevertrouwd;

bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres] en beveelt mitsdien dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;

bepaalt dat de man en [de minderjarige] voorlopig met elkaar zullen videobellen iedere woensdag, vrijdag en zondag om 19:00 uur;

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 5 juni 2026, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] van € 407,- per maand zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 5 juni 2026 voorlopig een partneralimentatie van € 609,- per maand zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

beveelt dat de vrouw aan de man de goederen strekkend tot zijn dagelijks gebruik beschikbaar zal stellen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Olthoff als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Voorlopige voorzieningen
  2. Procedure
  3. Feiten
  4. Verzoek en verweer
  5. Beoordeling
  6. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 26-3205

Zaaknummer: C/09/702511

Datum beschikking: 23 juni 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 1 april 2026 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. G. Alkilic te Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. R.N. Baldew te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift;
  • het aanvullend verzoekschrift;

- het verweerschrift tevens verzoekschrift;

- het bericht van 8 juni 2026, met bijlage, van de vrouw;

- het bericht van 8 juni 2026 van de man;

- het aanvullend verweerschrift.

Op 9 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

- de vrouw met haar advocaat;

- de advocaat van de man;

- [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

De man was niet op de zitting aanwezig.

Feiten

- Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2021 te [plaats].

- Zij zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats].

- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:

- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [adres], met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;

- [de minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd;

- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 596,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van 1 mei 2026, telkens te voldoen voor het eerste van de maand;

- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 3.000,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van 1 juni 2026, telkens te voldoen voor het eerste van iedere maand,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Tevens verzoekt de man zelfstandig:

primair

- een voorlopige zorgregeling vast te stellen, inhoudende dat:

- de man gerechtigd is tot omgang met [de minderjarige] iedere zondag van 13:00 uur tot 16:00 uur, waarbij [de minderjarige] bij de man verblijft en aldaar kan eten;

- de man daarnaast iedere woensdag en vrijdag om 19:00 uur beeldbelcontact met [de minderjarige] zal hebben gedurende enkele minuten, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen duur;

- te bepalen dat de vrouw haar medewerking verleent aan afgifte van de persoonlijke eigendommen van de man overeenkomstig de als productie 1 overgelegde lijst, op een vooraf via de advocaten af te stemmen moment en wijze;

subsidiair

- iedere verdere voorziening te treffen die de rechtbank in het belang van [de minderjarige] en ter voorkoming van escalatie tussen partijen juist acht,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

Beoordeling

Toevertrouwing [de minderjarige] en uitsluitend gebruik echtelijke woning

In maart 2026 heeft er in de echtelijke woning een incident tussen partijen plaatsgevonden, waarna de vrouw tegen de man aangifte van mishandeling heeft gedaan. Naar aanleiding van het incident is aan de man een huisverbod opgelegd, welk huisverbod vervolgens is verlengd. Na het verlopen van het huisverbod is de man niet meer naar de echtelijke woning teruggekeerd. Tegen deze achtergrond verzoekt de vrouw [de minderjarige] aan haar toe te vertrouwen en het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan haar toe te kennen. De man heeft tegen deze verzoeken geen verweer gevoerd. Derhalve zal de rechtbank deze verzoeken van de vrouw als onweersproken, op de wet gegrond en in het belang van [de minderjarige] toewijzen.

Voorlopige zorgregeling

Aan de rechtbank ligt voor het verzoek van de man, inhoudende dat hij gerechtigd is tot omgang met [de minderjarige] iedere zondag van 13:00 uur tot 16:00 uur en dat [de minderjarige] en de man daarnaast iedere woensdag en vrijdag om 19:00 uur met elkaar zullen videobellen.

Zoals hiervoor besproken heeft er in maart 2026 tussen partijen een incident plaatsgevonden. Hierbij was [de minderjarige] aanwezig. Sinds het incident heeft er geen omgang meer tussen de man en [de minderjarige] plaatsgevonden. Hoewel de vrouw niet onwelwillend tegenover contact tussen de man en [de minderjarige] staat, heeft zij op dit moment wel bezwaar tegen fysieke omgang. Hiertoe voert zij aan dat de man last heeft van woedeaanvallen. Hoewel de woede van de man zich niet richt op [de minderjarige], vreest zij dat de man gedurende een woedeaanval geen oog meer heeft voor (de veiligheid) van [de minderjarige]. De vrouw maakt zich daarom zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] bij de man.

De man betwist hetgeen de vrouw aanvoert. Volgens hem bestaat er geen reden om aan te nemen dat de veiligheid van [de minderjarige] bij hem niet kan worden gewaarborgd. De man acht het daarom en mede gelet op de jonge leeftijd van [de minderjarige] van belang dat er op korte termijn een duidelijke zorgregeling tot stand komt.

Op basis van de uiteenlopende stellingen van partijen, kan de rechtbank op dit moment onvoldoende beoordelen of zowel de veiligheid van [de minderjarige] bij de man als de veiligheid van de vrouw bij de overdrachtsmomenten gewaarborgd kan worden. Derhalve ziet de rechtbank aanleiding om de fysieke omgang tussen [de minderjarige] en de man onder begeleiding op te starten. De rechtbank kan partijen echter alleen doorverwijzen naar het traject omgangsbegeleiding als beide partijen bereid zijn deel te nemen aan voornoemd traject. Nu de man niet op de zitting is verschenen en hij zich hierover voorafgaand aan de zitting niet heeft uitgelaten, heeft de rechtbank geen zicht op de bereidheid van de man om deel te nemen aan het traject omgangsbegeleiding. De rechtbank kan partijen daarom niet doorverwijzen naar voornoemd traject.

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank op dit moment geen mogelijkheden ziet om een zorgregeling vast te stellen, waarbij [de minderjarige] en de man fysieke omgang met elkaar hebben. De rechtbank acht het echter wel van groot belang dat er een vorm van contact tussen [de minderjarige] en de man tot stand komt. Om deze reden zal de rechtbank voorlopig een videobelregeling vaststellen. Hierbij zal de rechtbank grotendeels het verzoek van de man volgen, in die zin dat zij zal bepalen dat [de minderjarige] en de man voorlopig iedere week op woensdag, vrijdag en zondag om 19:00 uur met elkaar zullen videobellen. De rechtbank benadrukt hierbij dat zij het van belang acht dat er op korte termijn ook fysiek contact tussen [de minderjarige] en de man zal gaan plaatsvinden. De rechtbank vertrouwt erop dat partijen zich zelf zullen wenden tot instanties die dit proces kunnen begeleiden. Hierbij kan gedacht worden aan BOR Humanitas of de hulpverlening die in het kader van het huisverbod betrokken is. Partijen kunnen zich zelf aanmelden bij BOR Humanitas of kunnen zich tot de huisarts wenden om een verwijzing te krijgen.

Voorlopige kinderalimentatie

Bij de berekening en vaststelling van de voorlopige kinderalimentatie neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro's. De rechtbank zal de gemaakte alimentatieberekeningen aan deze beschikking hechten.

Ingangsdatum

De rechtbank acht het redelijk in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure om de datum van indiening van het aanvullend verzoekschrift, te weten 5 juni 2026, te hanteren. Vanaf dit moment heeft de man immers rekening kunnen houden met een te betalen bijdrage.

Opmerking vooraf

De rechtbank zal bij de berekening van zowel de behoefte van [de minderjarige] als de draagkracht van partijen uitgaan van de inkomensgegevens van partijen in 2025. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat zij niet beschikt over inkomensgegevens over het jaar 2026 van de man. Daarnaast heeft de man geen verweer gevoerd tegen het door de vrouw gehanteerde uitgangspunt dat bij haar berekening wordt uitgegaan van haar jaarinkomen in 2025.

Behoefte

Bij het bepalen van de behoefte hanteert de rechtbank de uitgangspunten, als neergelegd in het rapport en de daarbij behorende ‘Tabel Eigen Aandeel Kosten Kinderen’. Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (hierna: NBGI) van de ouders ten tijde van de samenleving worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) van beide ouders samen, inclusief eventueel kindgebonden budget.

- NBI man

Bij de berekening van het NBI van de man zal de rechtbank allereerst uitgaan van een bruto jaarinkomen uit loondienst van € 49.381,-, zoals blijkt uit de aangifte inkomstenbelasting 2025. Verder blijkt uit de aangifte inkomstenbelasting 2025 een winst uit onderneming van € 41.677,-, zodat de rechtbank hier in ieder geval rekening mee zal houden. De rechtbank acht het daarnaast redelijk om – zoals door de vrouw aangevoerd – in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure bij de winst uit onderneming de onttrekking van de auto van de onderneming voor privégebruik op te tellen, te weten een bedrag van € 14.763,-,. Hiertoe overweegt de rechtbank dat het de eigen keuze van de man is een dure auto (Porsche Cayenne) te rijden. Dit mag echter naar het oordeel van de rechtbank niet ten koste gaan van de door de man te betalen alimentatie. Dit betekent dat de rechtbank bij de berekening van het NBI van de man naast het bruto jaarinkomen uit loondienst uit zal gaan van een winst uit onderneming van (41.677 + 14.413 =) € 56.090,- per jaar.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, de MKB winstvrijstelling en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de man op € 5.561,- per maand.

- NBI vrouw

Bij de berekening van het NBI van de vrouw zal de rechtbank uitgaan van een bruto jaarinkomen van € 74.704,- zoals blijkt uit de jaaropgave 2025.

Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 4.534,- per maand.

- NBGI en behoefte [de minderjarige]

Gelet op het voorgaande, bedraagt het NBGI van partijen (5.561 + 4.534 =) € 10.095,- per maand. Op basis van dit NBGI hebben partijen geen recht op kindgebonden budget. Op basis van de “Tabel Eigen Aandeel Kosten Kinderen” uit het rapport bedraagt de behoefte van [de minderjarige] € 985,- per maand.

Draagkracht

De behoefte van [de minderjarige] moet door partijen worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van partijen moet conform de aanbevelingen van het rapport in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% van [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)].

- draagkracht man

Zoals eerder overwogen, zal de rechtbank bij de bepaling van de draagkracht van de man uitgaan van dezelfde uitgangspunten als bij de berekening van het NBI van de man. Dit betekent dat de rechtbank opnieuw zal uitgaan van een bruto jaarinkomen uit loondienst van € 49.381,- en een winst uit onderneming van € 56.090,- in 2025.

Rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, de MKB winstvrijstelling en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de man opnieuw op € 5.561,- per maand.

De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 1.770,- per maand, te weten 70% van [5.561 – (0,3 x 5.561 + 1.365)].

- draagkracht vrouw

Zoals eerder overwogen, zal de rechtbank bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw uitgaan van dezelfde uitgangspunten als bij de berekening van het NBI van de vrouw. Dit betekent dat de rechtbank opnieuw zal uitgaan van een bruto jaarinkomen van € 74.704,- in 2025.

Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting, het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 4.749,- per maand.

De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 1.371,- per maand, te weten 70% van [4.749 – (0,3 x 4.749 + 1.365)].

Draagkrachtvergelijking

Gelet op de gezamenlijke draagkracht van partijen (1.770 + 1.371 =) € 3.141,- per maand, bedraagt het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] naar rato van zijn draagkracht (1.770 / 3.141 x 985 =) € 555,- per maand.

Zorgkorting

Voor wat betreft de zorgkorting volgt de rechtbank ook de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid zorg. Nu het de bedoeling van partijen is dat het contact tussen [de minderjarige] en de man wordt uitgebreid en de vrouw in haar berekening rekening houdt met een zorgkorting van 15%, acht de rechtbank het redelijk om eveneens uit te gaan van een zorgkorting van 15% van de behoefte, te weten € 148,- per maand.

Conclusie

Na aftrek van de zorgkorting bedraagt de door de man aan de vrouw te betalen voorlopige bijdrage € 407,- per maand. De rechtbank zal de voorlopige kinderalimentatie vaststellen op voormeld bedrag.

Voorlopige partneralimentatie

De rechtbank zal bij de berekening van de voorlopige partneralimentatie van dezelfde gegevens uitgaan als bij de berekening van de voorlopige kinderalimentatie.

Ingangsdatum

Als ingangsdatum voor de voorlopige partneralimentatie zal de rechtbank eveneens uitgaan van de datum van indiening van het aanvullend verzoekschrift, te weten 5 juni 2026.

Behoefte vrouw

De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen minus de kosten van de kinderen.

Voor het bepalen van de behoefte van de vrouw neemt de rechtbank het hiervoor bij de kinderalimentatie berekende NBGI van € 10.095,- per maand als uitgangspunt. Hierop moeten de kosten van [de minderjarige] van € 985,- per maand in mindering worden gebracht, zodat een bedrag van € 9.110,- per maand beschikbaar was voor het levensonderhoud van partijen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm (60% van 9.110 =) € 5.466,- netto per maand.

Aanvullende behoefte

Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 5.466,- per maand moet in mindering worden gebracht haar netto besteedbaar inkomen. Het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen, voor zover dit aandeel niet door het door de vrouw ontvangen

kindgebonden budget wordt gedekt, moet er vervolgens weer bij worden opgeteld. Dit leidt tot een aanvullende behoefte van € 1.147,- netto per maand. Dat is € 2.276,- bruto per maand.

Draagkracht man

Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)] toepassen.

Hieruit volgt een draagkracht van de man van € 1.517,- per maand, te weten 60% x [5.561 – (0,3 x 5.561 + 1.365)]. Hierop wordt het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] van € 555,- per maand in mindering gebracht. De man heeft dan nog een draagkracht beschikbaar van € 962,- per maand. Gebruteerd komt dit neer op € 1.540,- per maand.

Inkomensvergelijking en conclusie

Om te bepalen of de man door voldoening van partneralimentatie niet in een nadeliger financiële positie komt te verkeren dan de vrouw, heeft de rechtbank een inkomensvergelijking gemaakt. Uit de inkomensvergelijking volgt dat de man bij een bedrag van € 609,- bruto per maand aan partneralimentatie een gelijk te besteden vrije ruimte als de vrouw overhoudt. Aangezien dit bedrag lager ligt dan de draagkracht van de man, zal de rechtbank de inkomensvergelijking volgen en de voorlopige partneralimentatie vaststellen op een bedrag van € 609,- per maand.

Beschikbaar stellen goederen strekkend tot dagelijks gebruik

De man heeft – naar de rechtbank begrijpt – verzocht te bepalen dat de goederen strekkende tot zijn dagelijks gebruik aan hem ter beschikking worden gesteld. Hiertoe heeft de man een lijst met goederen die hij wenst te ontvangen als productie 1 overgelegd. Omdat de rechtbank niet kan verifiëren welke goederen op de lijst tot zijn dagelijks gebruik behoren en welke onderdeel zijn van de verdeling van de inboedel die in de echtscheidingsprocedure aan bod zal komen, zal de rechtbank het verzoek van de man conform de wettelijke formulering zoals vastgelegd in artikel 822 lid 1 sub b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toewijzen. De rechtbank zal aldus beslissen en het meer of anders verzochte afwijzen.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de vrouw op de zitting heeft aangegeven dat zij alle persoonlijke spullen van de man aan hem zal verstrekken. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw deze toezegging zal nakomen.

Proceskosten

Omdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] aan de vrouw zal worden toevertrouwd;

bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres] en beveelt mitsdien dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;

bepaalt dat de man en [de minderjarige] voorlopig met elkaar zullen videobellen iedere woensdag, vrijdag en zondag om 19:00 uur;

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 5 juni 2026, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] van € 407,- per maand zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 5 juni 2026 voorlopig een partneralimentatie van € 609,- per maand zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

beveelt dat de vrouw aan de man de goederen strekkend tot zijn dagelijks gebruik beschikbaar zal stellen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Olthoff als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.