Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 17 juli 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:20235Zaaknummer NL26.27852

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.27852
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Dublin Kroatië; artikel 17 van de Dublinverordening; ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser], v-nummer: [nummer], eiser
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.27852

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. B. Anik),

en

de minister van Asiel en Migratie.

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser is het niet eens met dit besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de aanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 11 april 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 18 mei 2026 niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

2.2.

De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.[_8b43c779-40a4-464c-81b7-1ed7b1785492]

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit

3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen.[_5ed2bc60-a68e-422a-8522-572e0f67aa47] Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.[_760a246d-79ec-4aa3-9eec-4499b73832cd] In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.

Had de minister artikel 17 van de Dublinverordening moeten toepassen?

4. Eiser voert aan dat de minister zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich had moeten trekken. Daartoe voert eiser aan dat hij tijdens het gehoor en in zijn zienswijze concrete, individuele omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat overdracht aan Kroatië voor hem tot een onevenredige hardheid leidt. Volgens eiser heeft de minister deze omstandigheden met een standaardmotivering afgedaan en onvoldoende gemotiveerd waarom daarin geen aanleiding is gezien om artikel 17 van de Dublinverordening toe te passen. Eiser voert aan dat het besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd.[_9c08f578-f7f9-4ad2-b500-0b28dde13b3a]

4.1.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Kroatië zou leiden tot onevenredige hardheid. Hier is eiser niet in geslaagd. Daarbij acht de rechtbank allereerst van belang dat de minister zich in het voornemen op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden. Dit is door eiser in de zienswijze niet betwist. Wel heeft eiser betoogd dat ten aanzien van Kroatië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Op dit betoog is de minister in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan. Deze motivering is door eiser in beroep niet betwist. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn betoog dat sprake is van een motiveringsgebrek. Daar komt bij de door eiser genoemde individuele omstandigheden door de minister zijn betrokken bij de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister hoeft dezelfde persoonlijke ervaringen in dat geval niet nogmaals te toetsen in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening, zoals dat luidde tot 12 juni 2026.[_43356499-5e46-4d23-bea9-f0dcf57f8e0b] Dit oordeel heeft de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State recent herhaald.[_c75603a7-7734-4a13-81b8-dd03fb28c0cb]De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.