Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 19 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:19968Zaaknummer C/09/690971 / FA RK 25-6636
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 19 juni 2026
- Publicatiedatum
- 5 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/09/690971 / FA RK 25-6636
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verzoek gezamenlijk gezag door de vader. Raadsonderzoek gelast. Geen omgang met de dochter. Pro forma aangehouden.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-6636
Zaaknummer: C/09/690971
Datum beschikking: 19 juni 2026
Gezag
Beschikking op het op 2 september 2025 ingekomen verzoek van:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.I. Veenstra te Burgum.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen.
Op 22 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder;
- [naam 1] en [naam 2] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
De minderjarige [minderjarige 1] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek. Van [minderjarige 2] is een brief ontvangen.
Feiten
- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats].
- De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend.
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
- De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over de kinderen belast.
Verzoek en verweer
De vader verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om hem gezamenlijk met de moeder te belasten met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijke Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Het verzoek wordt op grond van artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien a) er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren zal raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
In het kindgesprek heeft [minderjarige 1] verteld dat zij al ongeveer een jaar geen contact heeft met haar vader. Zij wil nu geen contact. Recentelijk heeft zij wel geprobeerd haar vader te bellen. Zij weet zelf niet goed waarom. [minderjarige 1] heeft nare ervaringen met haar vader, waaronder situaties waarin hij en zijn partner boos werden, naar haar schreeuwden en haar opsloten in het donker. Om hiermee om te gaan volgt zij EMDR-therapie. [minderjarige 1] mist haar halfzusje en maakt zich zorgen over [minderjarige 2], die om het weekend bij de vader verblijft.
Tijdens de zitting is naar voren gekomen dat ook [minderjarige 2] momenteel hulpverlening ontvangt. Er zijn onderzoeken verricht naar de mogelijke aanwezigheid van ADHD en autisme, maar uit deze onderzoeken blijkt dat [minderjarige 2] op dit moment vooral belast is door de gebeurtenissen tussen zijn ouders, waardoor een dergelijke diagnose (nog) niet kan worden gesteld. [minderjarige 2] volgt speltherapie bij Family Supporters en is aangemeld voor een ‘buddy’ via Vitalis.
Uit gesprek met de ouders op de zitting blijkt het volgende. De ouders hebben twee jaar een ouderschapsbemiddelingstraject gevolgd. De communicatie tussen hen is beperkt en vindt voornamelijk plaats over het noodzakelijke over de kinderen. De moeder heeft aangegeven dat zij en de vader een turbulente relatie hebben gehad, waarin zij met geweld, psychische mishandeling en isolatie te maken heeft gehad. Zij ervaart het als een stap terugdoen als het gezag aan de vader zou worden toegekend, omdat ze dan opnieuw afhankelijk zou worden van de vader. De vader daarentegen heeft te kennen gegeven graag betrokken te willen worden bij de hulpverlening van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om beter op de hoogte te zijn van wat er speelt bij hen. Hij erkent dat hij handvatten nodig heeft om beter om te gaan met hun gedrag, maar betwist de beschuldigingen van de moeder. In Friesland ontvangt hij voor het gezin met zijn huidige partner begeleiding van Family Supporters. De vader zou van hen ook hulp willen krijgen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Hiervoor is volgens hem wel noodzakelijk dat hij het gezag krijgt. Op termijn zou hij ook willen dat het contact met [minderjarige 1] wordt hersteld, maar hij begrijpt dat dit nu nog te vroeg is voor [minderjarige 1].
De rechtbank onderkent dat het belangrijk is om het contact tussen vader en [minderjarige 1] op termijn te herstellen en het contact tussen vader en [minderjarige 2] positief te laten verlopen. Het is positief dat de vader openstaat voor ondersteuning hierbij. De rechtbank acht het wenselijk dat de vader de door hem gewenste begeleiding krijgt en meer wordt aangesloten bij de lopende hulpverlening. Tijdens de zitting heeft de moeder verklaard toestemming te hebben gegeven voor het delen van informatie vanuit de hulpverlening aan de vader. Deze informatie wordt echter nog niet daadwerkelijk aan hem verstrekt en hij is nog niet actief betrokken bij de hulpverlening.
Tegelijkertijd ziet de rechtbank dat de moeder de zorg voor de kinderen momenteel goed organiseert en dat de kinderen veel hulp nodig hebben. De verstoorde relatie tussen de ouders brengt het risico met zich mee dat de situatie voor de kinderen verder wordt gecompliceerd als de vader mede met het gezag wordt belast.
Gelet op het voorgaande en de complexiteit van de situatie, acht de rechtbank zich op dit moment onvoldoende geïnformeerd om een definitieve beslissing op de verzoeken te nemen. De rechtbank is daarom van oordeel dat een onderzoek door de Raad aangewezen is.
Dit onderzoek moet in ieder geval gericht zijn op de volgende vragen:
- Ziet de Raad mogelijkheden voor en/of belemmeringen bij de gezamenlijke uitvoering van het gezag door de ouders? Wat is er nodig om eventuele belemmeringen op te heffen? Is het dan volgens de Raad in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat beide ouders worden belast met het gezag?
- Is volgens de Raad (nadere) hulpverlening bij de opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en contactherstel met [minderjarige 1] voor de vader noodzakelijk? Zo ja, welke hulpverlening wordt geadviseerd? En wat is er mogelijk (in samenwerking) met Family Supporters in Friesland?
Op dit moment ligt er nog geen verzoek ten aanzien van de omgang met [minderjarige 1] voor. Ter zitting is namens de vader evenwel naar voren gebracht dat hij het belangrijk vindt dat het contact met [minderjarige 1] op termijn wordt hersteld. Hij heeft daarom verzocht om, indien een raadsonderzoek wordt gelast, de vraag of en zo ja, hoe herstel van dat contact kan plaatsvinden eveneens in het onderzoek te betrekken. De rechtbank verzoekt de Raad daarom tevens de volgende vragen te beantwoorden:
- Acht de Raad vaststelling van een omgangsregeling met de vader in het belang van [minderjarige 1] ? Zo ja, op welke manier kan het contact worden hersteld en welke omgangsregeling is in haar belang?
Gelet op het raadsonderzoek zal de rechtbank de zaak iedere beslissing pro forma aanhouden voor zes maanden tot 1 februari 2027.
BeslissingDe rechtbank:
*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met de hiervoor omschreven doelen en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
*
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
*
houdt de behandeling aan tot na te melden pro formadatum; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
*
bepaalt dat de behandeling van de zaak, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen wijze;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag aan tot 1 februari 2027 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. T.A.L. Ravenhorst als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 19 juni 2026.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.