Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 19 juni 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:19965Zaaknummer C/09/701650 / FA RK 26-2702

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
10 augustus 2026
Zaaknummer
C/09/701650 / FA RK 26-2702
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek tot gezagsbeëindiging

De rechtbank:

6.1.

beëindigt het ouderlijk gezag van [de vader], geboren op [geboortedatum 2] 1967 in [geboorteplaats 2] ( [geboorteland] ), over [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats 1], waardoor voortaan alleen de moeder het ouderlijk gezag over deze minderjarige uitoefent;

6.2.

bepaalt dat de vader rekening en verantwoording moet afleggen over het door hem gevoerde bewind over het vermogen van genoemde minderjarige;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M.C. Limbeek, mr. J.E. Bierling en mr. H.M. Boone, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht

Zaaknummer: C/09/701650 / FA RK 26-2702

Datum uitspraak: 19 juni 2026 (bij vervroeging)

Beschikking van de meervoudige kamer over een verzoek tot gezagsbeëindiging

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,

hierna te noemen: de Raad,

over

[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats 1],

hierna te noemen: [minderjarige].

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats],

advocaat: mr. M.C.G. Voogt uit Breda,

Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 maart 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • [naam 1], namens de Raad;
  • [naam 2], namens de gecertificeerde instelling;
  • de moeder, via een videoverbinding;
  • de advocaat van de vader.

De vader is niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.

1.3.

De rechtbank heeft [minderjarige] naar zijn mening over het verzoek gevraagd. [minderjarige] heeft een brief gestuurd. Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat [minderjarige] heeft geschreven.

2 De feiten

2.1.

Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden.

2.2.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.3.

[minderjarige] woont bij zijn moeder.

2.4.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 maart 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 10 juli 2026.

3 Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt het gezag van de vader te beëindigen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [minderjarige] is opgegroeid in een omgeving waarin hij getuige is geweest van fors huiselijk geweld. De vader is door het Gerechtshof Den Bosch veroordeeld voor jarenlange mishandeling van de moeder, kindermishandeling en bedreiging met de dood of een ernstig misdrijf jegens één van de zussen van [minderjarige]. De afgelopen jaren heeft [minderjarige] geleefd met de angst dat er iets ernstigs zou kunnen gebeuren wanneer de vader hem of de moeder zou vinden. De hulpverlening heeft geprobeerd de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen door de inzet van het gedwongen kader. Het risico op onveiligheid voor [minderjarige] en de moeder is echter nog altijd groot. Deze ernstige veiligheidsrisico’s worden ook gezien door de politie. Vanuit het gedwongen kader is het niet mogelijk gebleken om het patroon achter de onveiligheid van [minderjarige] te doorbreken. Het gedrag van de vader zorgt er voor dat de dreiging aanwezig is en blijft. Het gevolg hiervan is dat [minderjarige] geen stabiele woonplek heeft (zijn moeder en hij hebben al heel vaak moeten verhuizen) en onvoldoende toe kan komen aan zijn ontwikkeltaken. [minderjarige] laat op school gedrag zien wat lijkt op tics en hyperalertheid. Hij heeft moeite met zijn gedrag en werkhouding, waarbij hij makkelijk afgeleid is en actief de afleiding opzoekt. [minderjarige] heeft het contact met de vader in augustus 2025 verbroken omdat de vader geen interesse in hem toonde maar vragen stelde om achter de verblijfplaats van [minderjarige] te komen. Er is bij de vader geen ruimte om in gesprek te gaan over de onveiligheid van de situatie. De vader toont geen zelfreflectie, heeft zich intimiderend geuit naar hulpverleners en legt schriftelijke aanwijzingen van de gecertificeerde instelling naast zich neer. Het beëindigen van het gezag zal het gedrag van de vader hoogstwaarschijnlijk niet veranderen, maar zal er wel voor zorgen dat het de vader moeilijker gemaakt zal worden om de verblijfplaats van [minderjarige] te achterhalen. Dit is van belang om het gevoel van onrust en onveiligheid bij zowel [minderjarige] als de moeder weg te halen en er voor te zorgen dat [minderjarige] zich weer leeftijdsadequaat kan ontwikkelen.

4 De standpunten

4.1.

De moeder heeft ingestemd met het verzochte. Zij vindt het belangrijk dat zij belast wordt met het eenhoofdig gezag, zodat [minderjarige] en zij weer meer vrijheid en veiligheid kunnen ervaren. De moeder is ervan overtuigd dat de vader niet zal stoppen met het zoeken naar haar, [minderjarige] en de dochter die ook bij haar woont. De vader zoekt hen ook via de andere kinderen van het gezin. Zo heeft de oudste dochter [naam 3] kort geleden nog geprobeerd om via de grootouders te achterhalen waar [minderjarige] verblijft, zodat zij hem mee zou kunnen nemen op vakantie naar Spanje.

4.2.

Namens de vader is verweer gevoerd tegen het verzochte. De vader vindt gezagsbeëindiging een te vergaande maatregel. Hij heeft nooit geweigerd zijn toestemming voor gezagsbeslissingen te geven. Hij werkt daarin altijd mee en stelt zich juist constructief op. De vader ziet niet in waar de veiligheidsrisico’s in gelegen zijn. De gestelde risico’s zijn ook niet onderbouwd. De vader zoekt [minderjarige] niet op en heeft op dit moment geen contact met hem. Voor de vader is het gezag nog de enige manier om enigszins betrokken te blijven in het leven van [minderjarige].

4.3.

De gecertificeerde instelling onderschrijft het verzoek van de Raad. Er is in het verleden tijdens de begeleide videobelmomenten tussen de vader en [minderjarige] meerdere keren gezien dat de vader [minderjarige] vragen stelde over zijn leefomgeving. Deze videobelmomenten zijn vervolgens stilgelegd om de vader aan te spreken op zijn gedrag. De omgangsbegeleiders van [instelling] zijn na slechts één omgangsmoment gestopt vanwege de intimiderende houding van de vader. De jeugdbeschermers hebben toen de videobelmomenten begeleid en ook zij constateerden dat de vader voornamelijk vragen stelt om te achterhalen waar [minderjarige] verblijft. Enkele jaren geleden is door het LEC-EGG een onderzoek gedaan waaruit blijkt dat sprake is van eergerelateerd geweld. Dit is bevestigd door de politie. De politie is ook nu nog nauw betrokken bij [minderjarige], zijn zus en de moeder en er zijn veiligheidsmaatregelen getroffen mocht de vader in de buurt van het gezin komen. Het doen van een nieuw onderzoek naar het eergerelateerd geweld niet opportuun is omdat voor dergelijk geweld kenmerkend is dat het blijft voortduren en het gedrag van de vader dus niet zal stoppen. De afgelopen jaren is het de vader ook niet gelukt om te reflecteren op zijn gedrag. De gecertificeerde instelling wil de ondertoezichtstelling afsluiten omdat er geen ernstige zorgen meer zijn over de ontwikkeling van [minderjarige] en de moeder in staat is de zorg- en opvoedtaken te dragen. Het zou fijn zijn als het gezin rust kan gaan ervaren en zich kan gaan richten op de toekomst.

5 De beoordeling

5.1.

De rechtbank is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van het gezag van de vader is voldaan. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

5.2.

Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouder daartoe niet in staat is. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouder en de minderjarige beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder.[_1e780550-8ffe-4f61-9d15-549d22defc62]

5.3.

Uit de stukken en wat op de zitting naar voren is gekomen, blijkt dat de vader al jarenlang zorgt voor ernstige onrust en veiligheidsrisico’s binnen het gezin. De vader is schuldig bevonden aan mishandeling van de moeder, kindermishandeling en bedreiging met de dood of een ernstig misdrijf jegens één van de zussen van [minderjarige]. Om de veiligheid van [minderjarige] en de moeder te waarborgen, zijn zij genoodzaakt op een geheime locatie te verblijven. De locaties waar zij verbleven, zijn echter meermaals door de vader – onder meer via [naam 3], één van de zussen van [minderjarige] – achterhaald, waardoor [minderjarige] in een periode van zeseneenhalf jaar zeven keer heeft moeten verhuizen. [minderjarige] heeft hierdoor steeds opnieuw zijn leven moeten opbouwen en dit vervolgens achter zich moeten laten uit angst voor de vader. Door het gedrag van de vader worden [minderjarige] en de moeder al zeer lange tijd blootgesteld aan ernstige veiligheidsrisico’s. Namens de vader is naar voren gebracht dat hij geen risico vormt voor de veiligheid van [minderjarige] en dat hij niet op zoek is naar hem. De rechtbank gaat hieraan voorbij. Uit wat de moeder op de zitting naar voren heeft gebracht, volgt dat de vader – via dochter [naam 3] – nog steeds probeert te achterhalen waar [minderjarige] momenteel verblijft. Dat de veiligheidsrisico’s nog actueel zijn, wordt bevestigd door verschillende derden, waaronder de politie, de gecertificeerde instelling en de Raad.

5.4.

De vader wil betrokken blijven in het leven van [minderjarige]. Juist die betrokkenheid heeft er in de afgelopen jaren voor gezorgd dat [minderjarige] niet veilig was. Ook blijkt dat de vader niet inziet welke negatieve consequenties zijn gedragingen hebben voor [minderjarige]. De vader is niet in staat om te reflecteren op zijn acties en hij blijft proberen te achterhalen waar [minderjarige] woont. Hierdoor handelt hij in strijd met het belang van [minderjarige]. Het begeleide contact met [minderjarige] is verbroken omdat de vader enkel contact met hem wilde onderhouden op zijn eigen voorwaarden. De vader hield geen rekening met de mening van [minderjarige] en de veiligheidsafspraken die waren opgesteld door de gecertificeerde instelling. Het is – ondanks de betrokkenheid van de gecertificeerde instelling – de afgelopen jaren niet gelukt om het patroon dat de vader laat zien te doorbreken en het is daarom onwaarschijnlijk dat hij zijn gedrag in de toekomst in positieve zin zal veranderen.

5.5.

Het beëindigen van het gezag van de vader bewerkstelligt onder meer dat de vader wordt belet in het achterhalen waar [minderjarige] verblijft. De rechtbank volgt de Raad in de inschatting dat de vader – met of zonder gezag – zijn gedrag niet zal veranderen en ook in de toekomst [minderjarige] zal blijven zoeken. Door zowel [minderjarige] in zijn kindbrief aan de rechtbank als door de moeder ter zitting is aangegeven dat zij meer veiligheid zullen ervaren als het gezag van de vader wordt beëindigd. De betrokkenheid van de vader in het leven van [minderjarige] zorgt voor een continuering van onrust en onveiligheid. Deze onrust en onveiligheid van de huidige situatie moet plaats maken voor stabiliteit en veiligheid voor [minderjarige].

5.6.

De rechtbank zal daarom het verzoek toewijzen en het ouderlijk gezag van de vader beëindigen.

5.7.

Door de beëindiging van het gezag van de vader heeft voortaan alleen de moeder het gezag over [minderjarige].

5.8.

De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.[_497cbe8c-8a2d-41b6-bdd1-952b5af6d735]

5.9.

De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

beëindigt het ouderlijk gezag van [de vader], geboren op [geboortedatum 2] 1967 in [geboorteplaats 2] ( [geboorteland] ), over [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats 1], waardoor voortaan alleen de moeder het ouderlijk gezag over deze minderjarige uitoefent;

6.2.

bepaalt dat de vader rekening en verantwoording moet afleggen over het door hem gevoerde bewind over het vermogen van genoemde minderjarige;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M.C. Limbeek, mr. J.E. Bierling en mr. H.M. Boone, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.