Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 18 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:19900Zaaknummer C/09/682313 / FA RK 25-2170
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 18 juni 2026
- Publicatiedatum
- 3 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/09/682313 / FA RK 25-2170
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vaststelling partneralimentatie
De rechtbank:
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 2.490,- bruto per maand, jaarlijks conform de wettelijke voorschriften te indexeren, zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
wijst af het verzoek van de vrouw ten aanzien van het opnemen van de inhoud van het convenant in deze beschikking;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten en nakosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
| Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, bijgestaan door mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 18 juni 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-2170
Zaaknummer: C/09/682313
Datum beschikking: 18 juni 2026
Partneralimentatie
Beschikking op het op 7 februari 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.E. Kreber te Zoetermeer.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W. de Jongh te Veenendaal.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken;
- het F9-formulier van 11 mei 2026 van de zijde van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 12 mei 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen.
De man heeft op 20 mei 2026 nog aanvullende stukken ingediend. Omdat deze buiten de 10-dagentermijn zijn ingediend, heeft de rechtbank hier geen kennis van genomen.
Op 21 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.
Feiten
- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 1984 tot [datum 2] 2022.
- Hangende de echtscheidingsprocedure zijn er door deze rechtbank géén voorlopige voorzieningen getroffen.
- Bij beschikking van 21 maart 2024 van deze rechtbank is bepaald dat de tussen partijen gemaakte afspraken, neergelegd in de aan die beschikking gehechte vaststellingsovereenkomst, deel uitmaakt van die beschikking. Hierin zijn partijen – voor zover hier van belang – overeengekomen dat partijen op korte termijn (de intentie was in april 2024) met de deskundige de heer [naam] rond de tafel zouden gaan zitten om tot een finale afwikkeling te komen voor de aan de vrouw toekomende uittredingsvergoeding van de vof. Het was de bedoeling van partijen dat dan ook wordt gekomen tot een finale afwikkeling van het huwelijksvermogensregime en de partneralimentatie, waarbij partijen ook een afspraak zouden maken over hoe de vrouw de woning zou achterlaten bij haar vertrek.
Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt – na wijziging –:
- te bepalen dat de inhoud van het door de vrouw in de procedure te brengen convenant deel uitmaakt van deze beschikking;
- te bepalen dat de man aan de vrouw een bijdrage zal betalen in de kosten van haar levensonderhoud van € 7.044,- bruto per maand met ingang van 23 december 2019, althans een bijdrage en een ingangsdatum te bepalen zoals de rechtbank goed en juist acht;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de man zelfstandig verzocht:
- de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw op nihil vast te stellen;
- te vrouw te veroordelen in de proceskosten en nakosten, voor zover deze noodzakelijk zijn, met de wettelijke rente daarover vanaf de veertiende dag na dagtekening van de beschikking tot aan betaling;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling
Partneralimentatie
Ontvankelijkheid
De man stelt dat partijen met de vaststellingsovereenkomst akkoord zijn gegaan met intrekking van al hun voorliggende verzoeken, waaronder het verzoek ten aanzien van de partneralimentatie. Gelet hierop bestaat er geen mogelijkheid om alsnog tot vaststelling van de partneralimentatie te komen. De vrouw is dan ook niet-ontvankelijk in haar verzoek tot vaststelling van de partneralimentatie.
De vrouw voert verweer. Zij stelt dat de man geen enkele actie heeft ondernomen om tot een regeling met betrekking tot de partneralimentatie te komen. De vrouw heeft nog steeds behoefte aan en recht op partneralimentatie.
De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn bij vaststellingsovereenkomst van 21 maart 2024 overeengekomen dat zij met de deskundige de heer [naam] rond de tafel gaan zitten om – onder meer – tot een finale afwikkeling te komen van de partneralimentatie. De rechtbank stelt vast dat het partijen niet is gelukt om, al dan niet onder begeleiding van de heer [naam], tot een regeling met betrekking tot de partneralimentatie te komen. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het de vrouw vrij staat om opnieuw een verzoek tot vaststelling van de partneralimentatie in te dienen. Dat de vrouw eerder haar verzoek om partneralimentatie heeft ingetrokken in afwachting van de gesprekken bij de heer [naam], doet daar niet aan af. De rechtbank zal de vrouw dan ook ontvangen in haar verzoek en hierna overgaan tot de inhoudelijke beoordeling daarvan.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de vaststelling en berekening van de partneralimentatie neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
- ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De ingangsdatum is tussen partijen in geschil.
De vrouw stelt dat de ingangsdatum moet worden bepaald op 23 december 2019, te weten de datum dat de vrouw voor het eerst heeft verzocht om partneralimentatie in de echtscheidingsprocedure. Vanaf die datum heeft de man er immers rekening mee kunnen houden dat hij een bedrag aan partneralimentatie aan de vrouw moet betalen.
De man voert hiertegen verweer en stelt dat de ingangsdatum op de datum van deze beschikking moet worden bepaald. De man baseert zich daarbij op bijzondere omstandigheden, welke ervoor hebben gezorgd dat de partneralimentatie niet eerder is vastgesteld.
De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft in december 2019 voor het eerst verzocht om een bedrag aan partneralimentatie vast te stellen. Uiteindelijk hebben partijen op de zitting (bij de meervoudige kamer) van 7 maart 2024 afspraken met elkaar gemaakt over hoe zij de partneralimentatie zullen proberen onderling te bespreken en vast te leggen. Deze afspraken hebben zij vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. Daarin zijn partijen overeengekomen dat zij met de heer [naam] rond de tafel gaan zitten om tot een finale afwikkeling van de partneralimentatie te komen. Zoals hierboven besproken is het partijen niet gelukt om hier afspraken over te maken. Daarbij is het de rechtbank niet gebleken dat dit enkel aan de vrouw te wijten is. Voorgaande heeft ertoe geleid dat de vrouw opnieuw een procedure is gestart tot vaststelling van de partneralimentatie. De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor geschetste gang van zaken niet kan betekenen dat de vrouw jarenlang partneralimentatie is misgelopen, terwijl zij daar wel recht op heeft. Daarnaast neemt de rechtbank in overweging dat de man er al sinds december 2019 rekening mee heeft kunnen houden dat hij partneralimentatie aan de vrouw moet betalen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om de ingangsdatum te bepalen op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, te weten 18 februari 2022.
De rechtbank merkt hierbij op dat de partneralimentatie op grond van artikel 1:157 van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet eerder in kan gaan dan op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Voor de eerder verzochte ingangsdatum, zoals door de vrouw verzocht, bestaat dus geen rechtsgrond.
- huwelijksgerelateerde behoefte
De rechtbank zal – net als partijen – de behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde conform de richtlijn van de expertgroep vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van het uiteengaan van partijen minus de kosten van de kinderen.
De vrouw heeft op 23 december 2019 het verzoek tot echtscheiding ingediend. De rechtbank zal daarom de behoefte berekenen met de tarieven van 2019-Ⅱ.
Allereerst stelt de rechtbank vast dat partijen tijdens het huwelijk een agrarische onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma onder de naam ‘V.O.F. [bedrijfsnaam] ’ (hierna: de VOF) exploiteerde. Op 1 januari 2016 is [dochter], één van de meerderjarige dochters van partijen, toegetreden tot de VOF.
De behoefte is tussen partijen in geschil. De man gaat in zijn berekening uit van een gemiddeld bedrijfsresultaat van € 33.205,- per jaar. In dat kader verwijst hij naar de jaarrekeningen van 2017 tot en met 2019. De vrouw trekt de betrouwbaarheid van deze jaarrekeningen in twijfel. Zij suggereert dat de desbetreffende accountant de jaarrekeningen bewust ten voordele van de man, en ten nadele van de vrouw, heeft opgesteld. Zij heeft in haar berekening het bedrijfsresultaat dan ook geschat op € 50.000,- per jaar.
De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft haar stelling dat de jaarrekeningen van 2017 tot en met 2019 onbetrouwbaar zijn, onvoldoende onderbouwd. Daarbij heeft zij slechts een schatting gegeven van het bedrijfsresultaat, welke zij eveneens onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank zal dan ook voor de berekening van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) rekening houden met het gemiddelde bedrijfsresultaat, zoals volgt uit de jaarrekeningen van 2017 tot en met 2019. Het bedrijfsresultaat bedroeg in 2017 € 62.679,- per jaar, in 2018 € 21.416,- per jaar en in 2019 € 15.520,- per jaar. De rechtbank gaat daarom uit van een gemiddeld bedrijfsresultaat van € 33.205,- per jaar. De man heeft aangevoerd dat hier 10% van moet worden afgetrokken, zijnde de vergoeding voor de door hem in gebruik en genot ingebrachte goederen in de VOF. Ter zitting is namens de man toegelicht dat de accountant een vaste vergoeding rekende voor het gebruik van de landerijen die de man in eigendom had. Door de man is dit echter niet verder onderbouwd en daarom gaat de rechtbank hier aan voorbij. Omdat de VOF tijdens het huwelijk werd geëxploiteerd door drie vennoten, de man, de vrouw en [dochter], komt elk van de vennoten ⅓ van het gemiddelde bedrijfsresultaat toe, te weten € 11.068,- per jaar.
Voor de berekening van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man zal de rechtbank uitgaan van een gemiddeld bedrijfsresultaat van € 11.068,- per jaar. Daarnaast ontving de man tijdens het huwelijk al een AOW-uitkering van € 823,- bruto per maand. Rekening houdend met de MKB Winstvrijstelling, de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de ouderenkorting berekent de rechtbank het NBI van de man tijdens het huwelijk op € 1.613,- per maand. Omdat de man in 2019 al de leeftijd van 66 jaar had bereikt, zal de rechtbank geen rekening houden met de zelfstandigenaftrek.
Voor de berekening van het NBI van de vrouw zal de rechtbank eveneens uitgaan van een gemiddeld bedrijfsresultaat van 11.068,- per jaar. Rekening houdend met de MKB Winstvrijstelling, de zelfstandigenaftrek, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de vrouw tijdens het huwelijk op € 907,- per maand
Gelet op het voorgaande bedraagt het NBGI van partijen (1.613 + 907) € 2.520,- per maand. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw volgens de hofnorm bedraagt dan € 1.512,- netto per maand, te weten 60% van € 2.520,- per maand. Geïndexeerd naar 2022 bedraagt de huwelijksgerelateerde behoefte € 1.627,- netto per maand.
- aanvullende behoefte van de vrouw
De rechtbank zal beoordelen in hoeverre de vrouw redelijkerwijs zelf in haar behoefte kan voorzien.
De man stelt dat de vrouw in staat is om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Volgens de man werkt de vrouw als pakketberzorger of pakketverwerker in een magazijn. Hij schat dat de vrouw daarmee een inkomen van ongeveer € 1.600,- netto per maand genereert. Daarnaast is de man van mening dat de vrouw moet interen op haar eigen vermogen met het voorschot van € 500.000,- dat zij heeft gekregen met betrekking tot de uittredingsvergoeding van de VOF en de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime.
De vrouw voert hiertegen verweer. Zij stelt dat zij een korte tijd heeft gewerkt in een magazijn, maar dat zij dat op dit moment niet meer doet. Daarnaast is er volgens de vrouw niets meer over van voornoemd voorschot, doordat zij hoge woonlasten heeft, (achterstallige) advocaatkosten moet betalen en leningen moest terugbetalen.
De rechtbank is van oordeel dat niet van een vrouw van over de 60 jaar, die gedurende de decennia dat partijen getrouwd zijn geweest op de boerderij heeft gewerkt, kan worden verwacht dat zij nu in een magazijn gaat werken of pakketjes gaat bezorgen. Voor wat betreft het betoog van de man dat de vrouw moet interen op de € 500.000,- die zij heeft gekregen, is de rechtbank van oordeel dat het, nu dit bedrag een voorschot is geweest op haar uittredingsvergoeding en op haar aandeel in het huwelijksvermogen, niet redelijk is om van de vrouw te verwachten dat zij hiermee voorziet in haar behoefte. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de vrouw geen eigen inkomen heeft om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Gelet daarop heeft de vrouw een aanvullende behoefte, welke gelijk is aan de huwelijksgerelateerde behoefte, te weten € 1.627,- netto per maand in 2022. Dat is bruto € 2.490,- per maand.
- draagkracht van de man
Bij de vaststelling van de draagkracht van de man is tussen partijen in geschil of rekening moet worden gehouden met de pacht- en huurinkomsten van de man. De vrouw stelt dat deze inkomsten wel degelijk moeten worden meegenomen bij de berekening van de draagkracht van de man, terwijl de man zich op het standpunt stelt dat de landerijen inmiddels zijn verkocht en dat hij daaruit dus geen inkomsten meer verwerft.
De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens de zitting is de rechtbank gebleken dat de man nog een aantal hectare land heeft waar ‘hobby vee’ op wordt gehouden. De rechtbank gaat ervan uit dat een deel van die grond verpacht of verhuurd kan worden, zoals hij dat in de voorgaande jaren ook heeft gedaan. Gelet daarop houdt de rechtbank rekening met de pacht- en huurinkomsten van de man, zoals volgt uit de winst- en verliesrekening onder ‘overige bedrijfsopbrengsten’ van 2022, 2023 en 2024. De pacht- en huurinkomsten bedroegen in 2022 € 52.888,- per jaar, in 2023 € 58.159,- per jaar en in 2024 € 55.900,- per jaar. De rechtbank gaat daarom uit van een gemiddeld inkomen aan pacht- en huurinkomsten van € 55.649,- per jaar.
Daarnaast is tussen partijen in geschil of rekening moet worden gehouden met een arbeidsvergoeding die de man ontvangt vanuit de VOF. De vrouw stelt dat deze vergoeding wel degelijk moet worden meegenomen bij de berekening van de draagkracht van de man, terwijl de man zich op het standpunt stelt dat er sprake is van een negatief bedrijfsresultaat waardoor die arbeidsvergoeding niet wordt toegekend.
Zoals reeds toegelicht is de rechtbank gebleken dat de man nog enkele dieren op de boerderij heeft. De rechtbank gaat ervan uit dat deze dieren de afgelopen jaren hebben geleid tot een arbeidsvergoeding vanuit de VOF, zoals zichtbaar is op de kapitaalspecificatie onder ‘arbeidsvergoeding’ van 2022 en 2023. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden wat de arbeidsvergoeding in 2024 en 2025 betreft, omdat de man hiervan geen (duidelijke) stukken heeft overgelegd. De rechtbank gaat daarom uit van de arbeidsvergoeding van 2023, te weten € 17.500,- per jaar.
Verder zijn partijen het erover eens dat bij de berekening van de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden met de AOW-uitkering en de lijfrente van de man. De rechtbank zal dan ook uitgaan van een AOW-uitkering van € 20.192,- bruto per jaar, zoals volgt uit de jaaropgave AOW 2025 die de man heeft overgelegd. Daarnaast zal de rechtbank uitgaan van een lijfrente-uitkering van € 15.593,- per jaar, zoals volgt uit de jaaropgave lijfrente 2025 die de man heeft overgelegd.
Daarbij houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
- de MKB Winstvrijstelling;
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting;
- de ouderenkorting.
Gelet op het bovenstaande, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 5.769,- per maand.
De rechtbank zal, in lijn met het rapport de draagkracht vaststellen aan de hand van de formule 60% [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)]. De draagkracht van de man bedraagt daarmee € 2.734,- per maand. Gebruteerd komt dit bedrag neer op € 4.488,- per maand.
- conclusie
De rechtbank constateert dat de draagkracht van de man meer is dan de aanvullende behoefte van de vrouw. De rechtbank zal daarom het verzoek tot vaststelling van de partneralimentatie toewijzen tot een bedrag ter hoogte van haar aanvullende behoefte, te weten € 2.490,- bruto per maand in 2022. Het meer of anders verzochte zal de rechtbank afwijzen.
De rechtbank heeft beoordeeld of de man in eerdere jaren deze partneralimentatie kon betalen. De pachtinkomsten waren in eerdere jaren lager, maar de arbeidsvergoeding was in 2022 ruim hoger dan waar de rechtbank mee heeft gerekend. De rechtbank stelt vast dat er in voorgaande jaren per saldo niet zodanig minder inkomsten door de man werden gegenereerd, dat hij moet worden geacht de partneralimentatie – ook nog beduidend lager dan zijn draagkracht – toen niet te hebben kunnen betalen.
- wettelijke indexering
Omdat de rechtbank de ingangsdatum op 18 februari 2022 zal bepalen volgt hieronder een overzicht van de wettelijke indexering:
- van 18 februari 2022 tot en met 31 december 2022: € 2.490,- bruto per maand;
- van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023: € 2.575,- bruto per maand;
- van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024: € 2.734,- bruto per maand;
- van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025: € 2.912,- bruto per maand;
- vanaf 1 januari 2026: € 3.046,- bruto per maand.
- aanhechten berekeningen
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.
Inhoud convenant opnemen in de beschikking
De vrouw heeft verzocht de inhoud van het convenant deel uit te laten maken van deze beschikking. De rechtbank constateert dat het partijen niet is gelukt om een convenant op te stellen, zodat zij het verzoek van de vrouw zal afwijzen.
Proceskosten en nakosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de
rechtbank de proceskosten en de nakosten (voor zover die er zijn) compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 2.490,- bruto per maand, jaarlijks conform de wettelijke voorschriften te indexeren, zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
wijst af het verzoek van de vrouw ten aanzien van het opnemen van de inhoud van het convenant in deze beschikking;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten en nakosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
| Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, bijgestaan door mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 18 juni 2026. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.