Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 17 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:19857Zaaknummer C/09/705666 / JE RK 26-896
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 17 juni 2026
- Publicatiedatum
- 3 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/09/705666 / JE RK 26-896
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 17 oktober 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.C. van den Dries, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026, in aanwezigheid van T.A.A. Hilhorst als griffier, en op schrift gesteld op 7 juli 2026
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/705666 / JE RK 26-896
Datum uitspraak: 17 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Leiden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Erkens uit Den Haag.
[de grootmoeder],
zijne de grootmoeder moederszijde,
hierna te noemen: de grootmoeder,
wonende in [woonplaats]
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 mei 2026;
- het verweerschrift van de moeder met producties van 12 juni 2026;
- de brief van de grootmoeder van 17 juni 2026, voorgelezen en overhandigd ter zitting.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de grootmoeder;
- [naam 1], namens de gecertificeerde instelling;
- de partner van de moeder, als toehoorder;
- de partner van de grootmoeder, als toehoorder.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. [minderjarige] heeft tijdens dat gesprek aangegeven welke zaken de kinderrechter ter zitting mocht delen. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter die punten samengevat. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
[minderjarige] is erkend door [naam 2].
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] verblijft bij de grootmoeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 april 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 17 oktober 2026. Bij dezelfde beschikking heeft de kinderrechter ook de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 20 juni 2026.
3 Het verzoek
De gecertificeerde instelling verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Sinds de terugkeer van de moeder vanuit Dubai naar Nederland wil zij graag dat haar kinderen weer bij haar komen wonen. [minderjarige] worstelt met de situatie. [minderjarige] zit in een loyaliteitsconflict tussen de moeder en de grootmoeder en zij heeft last van spanningsklachten. [minderjarige] lijkt zich de afgelopen tijd terug te trekken en er zijn zorgen over het lege gevoel dat zij aangeeft te hebben. [minderjarige] ervaart veel druk. [minderjarige] heeft aangegeven dat zij het contact met de moeder rustig wil opbouwen.
De moeder en [minderjarige] hebben wekelijks contact en stemmen zelf af wanneer zij elkaar willen zien. Deze afspraak werkt goed voor [minderjarige].
De moeder wil een concrete datum vastleggen voor de verhuizing van [minderjarige] naar haar gezin.
De onzekerheid die nu bestaat is niet wenselijk.
Daarom moet er op korte termijn een besluit worden genomen over het perspectief van [minderjarige]. Het is belangrijk dat [minderjarige] gehoord wordt, maar de keuze moet uiteindelijk niet door haar worden gemaakt. De komende maanden zijn nodig om duidelijkheid te krijgen over het perspectief. Dit zal in een multidisciplinair team binnen de gecertificeerde instelling besproken worden. Daarom vindt de gecertificeerde instelling een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing nodig.
4 De standpunten
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek. De moeder verzoekt om afwijzing.
De advocaat van de moeder betoogt dat de machtiging tot uithuisplaatsing in strijd is met de wettelijke vereisten. Een absolute noodzaak voor de maatregel ontbreekt. De opvoedsituatie bij de moeder is goed genoeg. Tijdens de contacten tussen de moeder en [minderjarige] ondernemen zij leuke dingen. De moeder zet [minderjarige] niet onder druk en zij uit geen verwachtingen richting [minderjarige]. Daar komt bij dat [minderjarige] bij de moeder aangeeft dat zij wel thuis wil wonen. [minderjarige] ondervindt schade van de maatregel. De verantwoordelijkheid voor de keuze of zij wel of niet terugkeert naar de moeder wordt door de gecertificeerde instelling – en de rechtbank – bij [minderjarige] neergelegd. [minderjarige] ervaart veel last van de situatie die hierdoor ontstaan is en de verantwoordelijkheid die door de gecertificeerde instelling – niet door de moeder – op haar schouders wordt gelegd. Dit blijkt onder andere uit het feit dat [minderjarige] een niveau gezakt is op school. Ook het lege gevoel dat zij noemt heeft hiermee te maken. Het in het belang van [minderjarige] om weer met haar broer herenigd te worden. De advocaat van de moeder wijst daarnaast op de tijdelijke aard van de maatregel tot ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. Er geldt een positieve verplichting voor de overheid tot terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Het perspectief is bij de moeder thuis en zou niet ter discussie moeten staan.
De advocaat merkt ook op dat de gecertificeerde instelling haar wettelijke taak niet naar behoren uitvoert. De gecertificeerde instelling zet geen hulpverlening in voor de moeder en reageert niet op haar voorstellen, zoals het inzetten van een kindercoach.
Daarom is de moeder aangewezen om zelfstandig hulpverlening in te schakelen, wat zij nu ook heeft gedaan in de vorm van mediation. Die is gespecialiseerd in problemen in de familiekring en gaat eerst beginnen met gesprekken apart en dan samen. Moeder is met haar partner en baby in 2025 naar Dubai afgereisd, maar van emigratie was geen sprake. Zij heeft haar woning in Nederland aangehouden. Het is voor de moeder geen probleem dat [minderjarige] contact wil blijven houden met de grootmoeder. De relatie van de moeder met haar moeder is slecht. Over contact met haar grootmoeder kunnen afspraken gemaakt worden, maar de moeder vindt het tijd dat de beschadiging van [minderjarige] stopt en dat zij nu bij haar thuis komt wonen.
De grootmoeder stemt in met het verzoek. De grootmoeder geeft aan dat [minderjarige] al meer dan de helft van haar leven bij haar en haar partner opgroeit, niet bij de moeder. Zij heeft vaak de zorg over [minderjarige] op zich moeten nemen; elke keer wanneer de moeder een andere invulling aan het moederschap gaf. Toen de moeder naar Dubai afreisde, verbrak zij alle banden met [minderjarige]. De moeder is gelukkig op dit besluit teruggekomen, maar dit heeft heel wat teweeggebracht bij [minderjarige], en ook bij de grootmoeder. Verder stelt de grootmoeder dat [minderjarige] niet gezakt is van niveau op school. Zij heeft na de brugklas de bewuste keuze gemaakt voor meer praktijkgericht onderwijs. [minderjarige] heeft behoefte aan geborgenheid en aan iemand die naar haar luistert. [minderjarige] is voor de moeder altijd een tweede keus geweest. Dat doet [minderjarige] pijn.
5 De beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.[_b98bc34f-1a81-4a18-96c5-408c986bee67]
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
[minderjarige] heeft vanaf haar geboorte wisselende opvoeders gehad en veel onduidelijkheid over haar opvoedsituatie gekend. [minderjarige] heeft in 2013 een jaar met de moeder in Suriname gewoond. Zij zijn in 2014 teruggekeerd, waarna zij met haar broer [broer 1] bij de grootmoeder is gaan wonen en de moeder weer vertrok naar Suriname. [minderjarige] heeft van 2014 tot juli 2018 bij de grootmoeder gewoond. [minderjarige] en [broer 1] zijn toen bij de grootmoeder opgehaald om bij de moeder, haar nieuwe partner en broertje [broer 2] te gaan wonen. Tot november 2023 verbleven [minderjarige] en haar broertjes bij de moeder, waarna zij weer bij de grootmoeder zijn gaan wonen. De moeder verbleef vanaf mei 2025 in Dubai. Tussen november 2023 en augustus 2025 was er weinig contact met de moeder. Medio december 2025 keerde de moeder terug naar haar woning in Nederland. Zij wil dat [minderjarige] (en [broer 1]) weer bij haar komen wonen.
[minderjarige] woont inmiddels al(weer) bijna drie jaar bij de grootmoeder. De aanvaardbare termijn waarin [minderjarige] in onzekerheid over haar verblijfplek heeft verkeerd is reeds overschreden.
Het gaat niet goed met [minderjarige]. [minderjarige] heeft de kinderrechter verteld een leeg gevoel te hebben en zij mist [broer 2] enorm. Momenteel krijgt [minderjarige] geen passende hulpverlening. Zij spreekt af en toe met de jeugdbeschermer af, maar de coach van school heeft zij al een tijdje niet gesproken. [minderjarige] geeft aan dat zij wel in goed contact is met haar mentor op school. Nog altijd is er sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging, die onvoldoende wordt weggenomen door de manier waarop de ondertoezichtstelling op dit moment wordt uitgevoerd.
Ter afwending van de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] dient de gecertificeerde instelling hulpverlening in te zetten gericht op het herstellen van vertrouwen, in ieder geval tussen de moeder en [minderjarige], maar mogelijk ook tussen de moeder en de grootmoeder, indien zij daartoe bereid zouden zijn in het belang van [minderjarige].
De jeugdbeschermer dient ook te beoordelen of de door de moeder zelf ingeschakelde mediation daartoe een geëigend instrument is, dan wel of er andere of meer hulpverlening ingezet moet worden. Ook dient er na het stellen van een diagnose door een deskundige omtrent de uiting van de mentale problemen van [minderjarige] zo nodig passende hulpverlening gestart te worden.
De kinderrechter acht het noodzakelijk dat aan [minderjarige] op korte termijn duidelijkheid wordt gegeven over haar perspectief.
Op dit moment is sprake van een loyaliteitsconflict, waarbij [minderjarige] klem zit.
Zoals op de zitting ook naar voren is gekomen hebben de moeder en de grootmoeder bovendien een ernstige verstoorde relatie, hetgeen het voor [minderjarige] nog moeilijker maakt.
Het perspectiefbesluit is niet aan [minderjarige] om te nemen.
Dit is de verantwoordelijkheid van de betrokken jeugdbeschermer en het multidisciplinaire team waar zij deel van uitmaakt, waaronder een gedragswetenschapper. Daarbij moet gebruik worden gemaakt van alle binnen dit team aanwezige deskundigheid en kennis.
Het perspectiefbesluit dient goed onderbouwd te worden en moet kenbaar worden gemaakt aan de betrokkenen. Het proces ten aanzien van het nemen van een perspectiefbesluit dient spoedig gestart te worden, opdat (indien mogelijk) al vóór 17 oktober 2026, te weten de datum waarop de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing eindigen, het besluit gedeeld is met alle betrokkenen. Bij het nemen van het perspectiefbesluit dient uiteraard aandacht geschonken te worden aan de mening van [minderjarige], de moeder en de grootmoeder, maar van de jeugdbeschermer wordt ook verwacht dat factoren zoals de mentale toestand van [minderjarige], de huidige gezinssituatie van de moeder, de gezinssituatie van de grootmoeder, het belaste verleden van [minderjarige] en andere relevante factoren worden betrokken.Het langer uitstellen van een perspectiefbesluit beschadigt alle partijen, maar vooral [minderjarige], zoals ook ter zitting door de moeder is gesteld. Weliswaar is namens de moeder gesteld dat een perspectiefbesluit in deze helemaal niet nodig is en dat er een positieve verplichting is om [minderjarige] bij de moeder terug te plaatsen, maar dit miskent de complexe situatie en de voorgeschiedenis. Ook deze dienen mee te wegen, waarbij voor de jeugdbeschermer het belang van [minderjarige] zelf leidend dient te zijn. Er dient een verantwoorde afweging gemaakt te worden door de gecertificeerde instelling die in een schriftelijk stuk gemotiveerd wordt en waarop de betrokkenen kunnen reageren en, indien door hen gewenst, tegen kunnen ageren in de procedure.
De kinderrechter vindt een thuisplaatsing van [minderjarige] in het gezin van de moeder op dit moment niet in [minderjarige] belang en verwacht dat een thuisplaatsing van [minderjarige] in dit stadium ook niet zal leiden tot het versterken van de band tussen [minderjarige] en de moeder, maar deze mogelijk juist kan beschadigen. Van belang de komende tijd is de start en het mogelijke resultaat van de mediation, zoals door de moeder aangekondigd. Uit dit initiatief van de moeder blijkt dat ook de moeder inziet dat gewerkt moet worden aan herstel van familiebanden. Hoe [minderjarige] tegenover de mediation staat en of dit het meest geëigende middel is, is de kinderrechter niet bekend, maar de jeugdbeschermer dient hier ook een actieve rol in te spelen.
Daarnaast dient er (extra) aandacht van de jeugdbeschermer te zijn voor de mentale gezondheid van [minderjarige] en zo nodig het inzetten van individuele hulpverlening voor haar. Deze stappen hebben de meeste kans op optimaal resultaat voor [minderjarige] vanuit de gezinssituatie, zoals deze momenteel al jaren bestaat, te weten thuis bij haar oma, welke situatie door [minderjarige] als rustig wordt ervaren.
De noodzaak van een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is ook gelegen in het feit dat op dit moment nog niet duidelijk is waar de gecertificeerde instelling meent dat het perspectief van [minderjarige] ligt, maar waar zij de komende maanden wel een besluit over gaat nemen.
Het is in het belang van [minderjarige] dat zij voorlopig bij de grootmoeder verblijft. Daar heeft zij het fijn en ervaart zij rust, zo heeft zij de kinderrechter laten weten. Ook kan zij contact onderhouden met haar moeder en met haar zo vaak als zij wil afspreken, hetgeen zij in de praktijk ook daadwerkelijk doet.
Vanuit deze situatie, die al vanaf eind 2023 bestaat, kan door de gecertificeerde instelling de komende maanden gedegen onderzoek worden gedaan naar het perspectief van [minderjarige].
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 17 oktober 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.C. van den Dries, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026, in aanwezigheid van T.A.A. Hilhorst als griffier, en op schrift gesteld op 7 juli 2026
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.