Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 15 juni 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:19526Zaaknummer C/09/702143 / FA RK 26-2975

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
C/09/702143 / FA RK 26-2975
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorzieningen. De rechtbank acht een onbegeleide zorgregeling niet in het belang van de minderjarige. Omgangsbegeleiding acht de rechtbank niet passend gelet op huiselijk geweld en leeftijd en mening van de minderjarige.

De rechtbank:

wijst het verzoek van de man af;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 15 juni 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Voorlopige voorzieningen
  2. Procedure
  3. Feiten
  4. Verzoek en verweer
  5. Beoordeling
  6. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 26-2975

Zaaknummer: C/09/702143

Datum beschikking: 15 juni 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 25 maart 2026 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. I. Demir te Rotterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. Ö. Batur te Amsterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift;

- de e-mailberichten van de trajectbegeleider van Arosa van 28 mei 2026 en 29 mei

2026, met daarin een weergave van een gesprek dat zij met [de minderjarige] heeft gevoerd.

Op 1 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat en tolk A. Yasin;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en tolk M. Fayez;

- [naam], namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2007 te [plaats], [land].

- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:

- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats], [land] (hierna: [de minderjarige] ).

- Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige].

- Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 4 januari 2023 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang –:

- bepaald dat de voorlopige zorgregeling als volgt zal zijn: ieder van partijen zorgt om de week van zondag 16.00 uur tot zondag 16.00 uur in de echtelijke woning voor [de minderjarige];

- bepaald dat deze regeling zal ingaan op 8 januari 2023, waarbij de vrouw de eerste week in de woning zal verblijven met de minderjarige;

- het verzoek tot voorlopige toevertrouwing van de minderjarige afgewezen;

- de verzoeken tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning afgewezen.

- Het verzoekschrift in de echtscheidingsprocedure met zaak- en rekestnummer C/09/637955 / FA RK 22-7592 is op 27 juli 2023 ingetrokken.

Verzoek en verweer

De man heeft verzocht:

- een voorlopige zorgregeling vast te stellen tussen de man en [de minderjarige], inhoudende dat [de minderjarige] wekelijks van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de man verblijft;

- kosten rechtens;

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De vrouw heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De Nederlandse rechter komt te dezen rechtsmacht toe. De rechtbank past in deze voorlopige voorzieningenprocedure Nederlands recht toe.

Voorlopige zorgregeling

Standpunt man

De man heeft verzocht om een zorgregeling vast te stellen, waarbij [de minderjarige] wekelijks van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij hem verblijft. De man heeft betwist, zoals de vrouw heeft gesteld, dat tijdens het huwelijk sprake is geweest van huiselijk geweld. Wel heeft de man erkend dat er tussen hem en de vrouw al langere tijd spanningen zijn geweest. De man heeft aangevoerd dat de vrouw sinds juni 2025 de omgang tussen hem en [de minderjarige] belemmert. Hiermee handelt de vrouw in strijd met het belang van [de minderjarige]. De man wil dat het contact met [de minderjarige] zo spoedig mogelijk wordt hersteld.

Standpunt vrouw

De vrouw heeft zich verzet tegen de zorgregeling. Zij verzet zich niet tegen contact tussen de man en [de minderjarige], maar wel tegen de regeling die de man voorstaat. De vrouw heeft aangegeven dat [de minderjarige] zelf geen contact wil met de man en dat [de minderjarige] behoefte heeft aan rust. Ook heeft zij aangegeven dat [de minderjarige] getuige is geweest van het huiselijk geweld en een turbulente periode achter de rug heeft. De vrouw hoopt dat, door [de minderjarige] nu rust te geven, hij in de toekomst zelf contact met de man zal opnemen als hij daar aan toe is. De vrouw heeft gesteld dat zij op 30 juni 2025 samen met [de minderjarige] in een crisisopvang is geplaatst, waar zij momenteel nog steeds verblijven. Verder heeft de vrouw aangifte tegen de man gedaan van mishandeling. In de strafzaak tegen de man zou op 27 oktober 2025 een zitting hebben plaatsgevonden.

Overwegingen rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft [de minderjarige] sinds juni 2025 niet meer fysiek gezien. Op de zitting heeft de man aangegeven dat hij strafrechtelijk is veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur en hij deze inmiddels heeft uitgevoerd. De man heeft toegelicht dat hij de vrouw en [de minderjarige] de afgelopen periode de tijd heeft willen gunnen om tot rust te komen. De man acht de tijd nu rijp voor herstel van het contact met [de minderjarige]. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er rust voor [de minderjarige] moet komen. De rechtbank is gebleken dat er de afgelopen periode veel is gebeurd in het leven van [de minderjarige]. Hij verblijft nu inmiddels een jaar met de vrouw in een vrouwenopvang. Wel is positief te achten dat de vrouw en [de minderjarige] binnenkort zullen verhuizen naar een eigen woning. Op de zitting is de mogelijkheid van begeleide omgang besproken, niet omdat er zorgen zijn over de veiligheid van [de minderjarige], maar om het contactherstel in goed banen te leiden omdat [de minderjarige] en de man elkaar een lange periode niet gezien en gesproken hebben. De vrouw is niet in staat dit te begeleiden en de rechtbank vindt dat dit ook niet van de vrouw kan worden verlangd. Op de zitting is besproken of iemand uit het netwerk van een van de ouders de omgang tussen de man en [de minderjarige] zou kunnen begeleiden. Dit is evenwel geen optie gebleken.

De rechtbank acht omgang die wordt begeleid door een instantie in de gegeven omstandigheden niet passend, met name gelet op de voorgeschiedenis van huiselijk geweld waarvan [de minderjarige] getuige (en daarmee ook slachtoffer) is geweest, het feit dat [de minderjarige] al 16 jaar oud is en zelf schriftelijk heeft aangegeven niet verplicht naar zijn vader te willen gaan. Daarbij overweegt de rechtbank dat de man voor zichzelf geen behandeling heeft gezocht en hij heeft aangegeven dat begeleiding in het contact met [de minderjarige] niet nodig is. Ook is uit het verzoekschrift van de man niet gebleken dat hij enig inzicht heeft in de gebeurtenissen die in het verleden hebben plaatsgevonden, maar hij de schuld geheel bij de vrouw legt voor het feit dat hij nu geen contact heeft met [de minderjarige].

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank vaststelling van een zorgregeling tussen de man en [de minderjarige] niet in het belang van [de minderjarige]. Daarbij overweegt de rechtbank dat zij het van belang acht dat er de komende periode rust voor [de minderjarige] komt. Hij zal gaan verhuizen met zijn moeder naar een eigen woning, wat voor hem wederom een grote verandering zal zijn. Als [de minderjarige] zelf aangeeft contact met zijn vader te willen, gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw dat niet in de weg zal staan en dit zal stimuleren. Het is immers in het belang van [de minderjarige] dat hij – als daarvoor bij hem draagvlak en ruimte bestaat – op enige wijze contact houdt met zijn vader.

Verder merkt de rechtbank nog het volgende op. De rechtbank acht het van belang dat [de minderjarige] in de bodemprocedure ingaat op de uitnodiging om met de rechter in gesprek te gaan, om (meer) zicht te krijgen op hoe het met hem gaat, wat zijn wensen zijn in het contact met zijn vader en wat zijn visie is op het geheel. Op de zitting is besproken dat het wenselijk is dat de vrouwenopvang de komende periode zal gaan inventariseren of er draagvlak is bij [de minderjarige] om het contact met de man te herstellen. Het ligt op de weg van de vrouw om informatie daarover in de bodemprocedure in te dienen.

De rechtbank zal het verzoek van de man tot vaststelling van een voorlopige zorgregeling dan ook afwijzen.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek van de man af;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 15 juni 2026.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.