Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 23 februari 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:18873Zaaknummer NL25.26059

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
NL25.26059
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eiser heeft een visum kort verblijf aangevraagd. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van het visum in stand kan blijven, omdat eiser onvoldoende sociale en economische binding met Marokko heeft. Wel heeft de minister de hoorplicht geschonden, maar de rechtbank passeert dit gebrek.

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr.B.J. van Rossum, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.26059

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. F. Jansen),

en

de minister van Buitenlandse Zaken,

(gemachtigde: mr. L.A.R. Schluter).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister eisers aanvraag voor een visum kort verblijf mocht afwijzen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de visumaanvraag in stand kan blijven. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 14 november 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 mei 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

4. De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.

5. De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. F. Hoppenbrouwer als waarnemer voor de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit

6. De minister heeft de visumaanvraag in het primaire besluit van 14 november 2024 om een aantal redenen afgewezen. Eiser heeft volgens de minister het doel en de omstandigheden van zijn beoogde verblijf in Nederland onvoldoende aangetoond. Ook heeft eiser niet aangetoond dat hij over voldoende middelen van bestaan beschikt voor de duur van zijn verblijf in Nederland en voor de terugreis naar Marokko. Verder bestaat er volgens de minister redelijke twijfel over het voornemen van eiser om Nederland vóór het verstrijken van het visum te verlaten.

7. In het bestreden besluit stelt de minister zich niet meer op het standpunt dat eiser het doel en de omstandigheden van zijn beoogde verblijf onvoldoende heeft aangetoond. Het visum wordt dus niet meer om deze reden afgewezen. Wel handhaaft de minister in het bestreden besluit de andere twee redenen voor de afwijzing. De minister twijfelt aan eisers voornemen om Nederland vóór het verstrijken van het visum te verlaten. Eiser heeft volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat hij voldoende sociale en economische binding met Marokko heeft waardoor hij op tijd zal terugkeren. Eiser heeft geen bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat hij daadwerkelijk salaris ontvangt uit loondienst. Bovendien blijkt uit de overgelegde documenten niet eenduidig hoeveel salaris eiser zou ontvangen. Zo wordt in de documenten die bij de aanvraag zijn overgelegd een bedrag van 3500 Marokkaanse Dirham genoemd, en wordt in de in bezwaar overgelegde documenten gesproken van 6000 Marokkaanse Dirham. Verder is het feit dat eisers familieleden waaronder zijn ouders, broers en zussen in Marokko wonen onvoldoende om te spreken van een sterke sociale binding met Marokko. De minister heeft eisers bezwaar kennelijk ongegrond verklaard en daarom is hij niet gehoord over zijn bezwaar.

Het standpunt van eiser

8. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat hij onvoldoende sociale en economische binding met Marokko heeft en dat er daarom twijfel bestaat over zijn voornemen om Nederland te verlaten voordat het visum is verstreken. Eiser heeft geen vrouw en kinderen, maar hij heeft zijn hele leven in Marokko gewoond en heeft daar een groot sociaal netwerk. Ook heeft eiser voldoende aangetoond dat hij in Marokko een baan heeft. Hij wijst onder meer op de overgelegde arbeidsovereenkomst. Eiser licht verder toe dat hij zijn salaris contant ontvangt en daarom geen bankafschriften kan overleggen waaruit blijkt dat hij daadwerkelijk inkomen genereert uit loondienst. Ook heeft eiser op de zitting naar voren gebracht dat hij een contract heeft van 37,5 uur, maar dat hij afhankelijk van het seizoen meer of minder inkomsten heeft. Dit omdat hij werkt als beveiliger in een pretpark voor kinderen. Verder voert eiser aan dat de minister hem ten onrechte niet heeft gehoord over zijn bezwaar.

Sociale en economische binding

9. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat twijfel bestaat over eisers voornemen om Nederland te verlaten vóór het verstrijken van het visum, omdat hij onvoldoende sociale en economische binding met Marokko heeft.

10. De rechtbank constateert dat niet in geschil is dat eiser niet gehuwd is en geen kinderen heeft. Eiser stelt weliswaar dat zijn ouders, broers en zussen in Marokko verblijven, maar op grond daarvan kan niet zonder meer een sterke sociale binding worden aangenomen. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat iemand in Marokko van hem afhankelijk is voor zorg. Evenmin is gebleken van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiser dwingen om op tijd terug te keren naar Marokko.

11. Ter onderbouwing van eisers economische binding heeft hij bij de aanvraag, in bezwaar en in beroep diverse documenten overgelegd waaronder een arbeidsovereenkomst, een werkgeversverklaring en salarisspecificaties. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat uit de overgelegde stukken wel kan worden opgemaakt dat eiser een baan heeft, maar dat daaruit niet blijkt dat of hoeveel inkomen hij daarmee daadwerkelijk genereert en in welke mate hij over dat inkomen kan beschikken. De stelling dat hij afhankelijk van het seizoen meer of minder inkomsten heeft, kan niet uit de overgelegde documenten worden opgemaakt. Voor zover eiser aanvoert dat hij zijn salaris contant ontvangt en daarom de ontvangst van het inkomen niet kan onderbouwen, is de rechtbank van oordeel dat dit onverlet laat dat het aan eiser is om zijn aanvraag te onderbouwen met de benodigde gegevens. Deze omstandigheid maakt naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet dat de minister zich op het standpunt had moeten stellen dat eiser wel voldoende economische binding met Marokko heeft.

Hoorplicht

12. De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt geldt dat de minister een bezwaarmaker in de gelegenheid stelt om zijn bezwaarschrift mondeling toe te lichten tijdens een hoorzitting.[_2dcdb7b1-c596-4a02-9416-3d0bb56992e3] De minister heeft eiser in dit geval niet gehoord, omdat hij zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat dit niet tot een andere uitkomst had kunnen leiden. Eiser heeft in bezwaar echter documenten overgelegd ter onderbouwing van zijn baan in Marokko. Deze documenten hebben bij de minister onduidelijkheid veroorzaakt over eisers inkomen. De minister heeft vervolgens in het bestreden besluit aan eiser tegengeworpen dat hij geen nadere toelichting heeft gegeven over het verschil in zijn inkomen bij de aanvraag en in bezwaar. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat het op de weg van eiser lag om dit verschil in inkomen zelf nader toe te lichten. De rechtbank kan dit standpunt van de minister niet volgen, omdat het gelet op bovenstaand uitgangspunt op de weg van de minister lag om eiser hierover te horen. Omdat de minister eiser niet heeft gehoord bevat het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek.

13. De rechtbank ziet daarentegen aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren. Eiser heeft in beroep en op de zitting een nadere toelichting kunnen geven over het verschil in inkomen bij de aanvraag en in bezwaar en over het feit dat hij contant zijn salaris ontvangt. De rechtbank heeft deze omstandigheden ook meegewogen bij haar oordeel. Eiser heeft verder in beroep of op de zitting niet naar voren gebracht dat er aanvullende informatie zal worden verstrekt. Eiser is dus niet in zijn belangen geschaad met het niet houden van een hoorzitting.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn visumaanvraag in stand kan blijven. De minister moet wel het griffierecht aan eiser vergoeden. Dit omdat de minister hem had moeten horen over zijn bezwaar en dat ten onrechte niet heeft gedaan. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr.B.J. van Rossum, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.