Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 8 juni 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:18793Zaaknummer C/09/705630 / JE RK 26-886

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
C/09/705630 / JE RK 26-886
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Aanhouding ondertoezichtstelling zodat komende periode gekeken kan worden of de situatie bij de moeder in het vrijwillig kader stabiel blijft met de ingezette hulpverlening..

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

houdt de behandeling van het verzoek aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen voor 8 oktober 2026, tegen welke zitting de Raad, de gecertificeerde instelling, de moeder en [minderjarige] voor een kindgesprek dienen te worden opgeroepen;

6.2.

gelast de Raad uiterlijk één week voorafgaand aan de nader te bepalen zitting aan de kinderrechter en de belanghebbenden een schriftelijke update toe te zenden ten aanzien van hetgeen hiervoor overwogen, waarin zij ook haar standpunt kenbaar maakt ten aanzien van het aangehouden verzoek.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026 door mr.drs. W.G. de Boer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. V.A.H. Schoorl als griffier, en op schrift gesteld op 11 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/09/705630 / JE RK 26-886

Datum uitspraak: 8 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming,

'sGravenhage,

hierna te noemen de Raad,

over

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats].

De kinderrechter merkt als informant aan:

de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden Haaglanden, hierna te noemen de gecertificeerde instelling.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 21 mei 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder;

- [naam 1] namens de Raad;

- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

[minderjarige] woont bij haar moeder.

3 Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De Raad heeft het verzoek als volgt toegelicht. [minderjarige] heeft veel meegemaakt in haar jonge leven. De moeder heeft meerdere psychoses gehad in verschillende periodes in haar leven. Zij is daarbij meerdere malen opgenomen geweest en [minderjarige] verblijft dan bij haar oma moederszijde. Tijdens een psychose is de moeder angstig en wantrouwend naar de mensen om haar heen. De moeder is dan onvoldoende emotioneel beschikbaar voor [minderjarige]. Zij wil vanuit haar angsten [minderjarige] beschermen door haar thuis te houden en af te schermen van anderen (zoals van school, hulpverlenende instanties, maar ook van oma moederszijde). [minderjarige] heeft de moeder in psychotische toestand meegemaakt en kan zich zorgen maken om de moeder. Ze heeft een vol hoofd, komt moeizaam tot leren op school, kan snel boos worden en is onzeker. Het lukt de moeder onvoldoende om de hulpverlening voor [minderjarige] in gang te zetten waardoor deze niet danwel moeizaam van de grond komt. De moeder is op dit moment stabieler en ingesteld op medicatie, maar er zijn ook zorgen voor een herhaling van het patroon waarbij de moeder ontregelt, onvoorspelbaar gedrag laat zien en zichzelf en [minderjarige] isoleert. Het is van belang dat gekeken wordt hoe de moeder ondersteund kan worden opdat de stabiliteit in de opvoedomgeving van [minderjarige] langdurig wordt gewaarborgd. Een jeugdbeschermer is nodig om passende hulpverlening in te zetten, de ontwikkeling van [minderjarige] in de gaten te houden en regie te voeren en beslissingen te nemen in het belang van [minderjarige], bijvoorbeeld wanneer [minderjarige] naar de oma gaat. Dergelijke beslissingen kunnen niet door de regievoering in het vrijwillig kader worden gedaan waardoor een ondertoezichtstelling noodzakelijk is.

4 De standpunten

4.1.

De moeder heeft verklaard dat ze thans stabiel is en contact heeft met de hulpverlening. De moeder is afgelopen februari opgenomen geweest en is nu goed ingesteld op medicatie. In het verleden heeft de moeder veel last gehad van bijwerkingen, maar nu lijkt de juiste medicatie instelling gevonden te zijn en de moeder neemt de medicatie in. Verder heeft de moeder één keer in de twee weken gesprekken met de GGZ en eind juli zal de moeder starten met EMDR therapie. [minderjarige] zal drie dagen per week naar de oma gaan zodat de moeder daar voldoende rust en ruimte voor heeft. De moeder heeft ook een signaleringsplan gemaakt met Parnassia. De school en de oma zijn betrokken en kunnen ook aan de bel trekken als het minder goed gaat. De moeder wil het liefst dat de hulpverlening in het vrijwillig kader wordt voortgezet en zij stelt dat zij dat kan. De moeder heeft gesprekken gehad met Parnassia en [hulpverlener] voor hulpverlening voor haarzelf en voor [minderjarige]. [hulpverlener] is gestart en er is jeugdbegeleiding voor [minderjarige] in de klas aangevraagd. [minderjarige] heeft ook al meerdere gesprekken gehad en het gaat beter met haar. Doordat er wat onduidelijkheid was tussen de moeder, [hulpverlener] en Parnassia en er meerdere malen van regiebehandelaar is gewisseld, heeft het wat langer geduurd voordat de hulpverlening is ingezet, maar de moeder staat wel achter de hulpverlening en beseft dat dit belangrijk is voor zichzelf en voor [minderjarige]. De moeder heeft verder al contact gehad met de regiebehandelaren van het jeugd- en gezinshulp team (JGH) van de gemeente Zoetermeer. Zij kunnen de moeder doorverwijzen naar [instelling] voor een gezinscoach in het vrijwillig kader als de ondertoezichtstelling wordt afgewezen.

4.2.

De gecertificeerde instelling heeft naar voren gebracht dat een ondertoezichtstelling op dit moment nog te vroeg is en dat eerst verder onderzocht moet worden of de zorgen kunnen worden weggenomen in het vrijwillig kader. De moeder is thans stabiel en bij de jeugdbeschermingstafel is ook aangegeven dat met JGH Zoetermeer gekeken moet worden naar een regievoerende partij in het vrijwillig kader die de hulpverlening beter op elkaar kan afstemmen en een veiligheidsplan kan maken met de moeder en haar netwerk. Als de ondertoezichtstelling wel wordt toegewezen zal er vanuit de gecertificeerde instelling een veiligheidsplan moeten worden gemaakt, maar er is nog geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar.

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter overweegt als volgt. Er zijn ernstige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] en de onrust die zij heeft meegemaakt in de thuissituatie, zoals door de Raad is benoemd. Als de moeder stabiel is dan is zij liefdevol en betrokken bij [minderjarige]. De moeder kampt echter met psychische problematiek en zij heeft meerdere psychoses gehad. Op de momenten dat de moeder minder stabiel is laat zij wantrouwend en onvoorspelbaar gedrag zien en is zij onvoldoende beschikbaar voor [minderjarige]. Daarbij houdt zij [minderjarige] thuis en schermt zij haar af van derden. [minderjarige] kan zich zorgen maken om de moeder en er wordt gezien dat ze een vol hoofd heeft en moeizaam tot leren komt op school.

5.2.

Op dit moment is de moeder stabiel. De moeder is ingesteld op medicatie, werkt mee aan de hulpverlening voor zichzelf en voor [minderjarige] en heeft met Parnassia een signaleringsplan gemaakt. Ook heeft de moeder contact gehad met JGH Zoetermeer voor het maken van een veiligheidsplan en het vinden van een regievoerende partij in het vrijwillig kader. De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat nog onvoldoende is onderzocht of de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] ook kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De kinderrechter zal het verzoek tot ondertoezichtstelling daarom aanhouden voor de duur van vier maanden opdat in die periode gekeken kan worden of de situatie bij de moeder in het vrijwillig kader stabiel blijft met de ingezette hulpverlening en de medicatie van de moeder en of de moeder goed in contact blijft en meewerkt met de hulpverlening. Ook zal met het JGH Zoetermeer gekeken moeten worden naar het opstellen van een veiligheidsplan en het vinden van een regievoerende partij opdat er binnen het vrijwillig kader een goed vangnet komt voor de momenten dat de moeder (onverhoopt) minder stabiel is.

5.3.

De kinderrechter houdt daarom het verzoek tot ondertoezichtstelling aan voor de duur van vier maanden, te weten tot 8 oktober 2026. De kinderrechter gelast de Raad om uiterlijk een week voor de nader te bepalen zitting een schriftelijke update te sturen naar alle belanghebbenden en daarin ook te vermelden of het verzoek door de Raad wordt gehandhaafd.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

houdt de behandeling van het verzoek aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen voor 8 oktober 2026, tegen welke zitting de Raad, de gecertificeerde instelling, de moeder en [minderjarige] voor een kindgesprek dienen te worden opgeroepen;

6.2.

gelast de Raad uiterlijk één week voorafgaand aan de nader te bepalen zitting aan de kinderrechter en de belanghebbenden een schriftelijke update toe te zenden ten aanzien van hetgeen hiervoor overwogen, waarin zij ook haar standpunt kenbaar maakt ten aanzien van het aangehouden verzoek.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026 door mr.drs. W.G. de Boer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. V.A.H. Schoorl als griffier, en op schrift gesteld op 11 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.