Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 2 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:18161Zaaknummer NL26.34780
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 2 juli 2026
- Publicatiedatum
- 3 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL26.34780
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bewaring artikel 59 lid 1 onder a, gronden c en h betwist, onduidelijkheid aankomst detentiecentrum, ongegrond
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
M.A. van Garder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.34780
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
(gemachtigde: mr. H. Loth),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.[_e588a401-db27-4266-a937-de614e304a47]
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 22 juni 2026 heeft verweerder aan eiser een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, R. Dahman als tolk en de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft de behandeling van het beroep vervolgens geschorst in afwachting van duidelijkheid over de gang van zaken met betrekking tot de overdracht van eiser naar detentiecentrum [plaats]. Verweerder heeft na de zitting een bericht aan het dossier toegevoegd. De rechtbank heeft, met toestemming van partijen, het onderzoek diezelfde dag zonder nadere zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser is volgens verweerder geboren op [geboortedag 1] 2007 en heeft volgens verweerder de Algerijnse nationaliteit.
4. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.[_256c614a-2032-4dd9-85c2-ae55cbb79cd8] Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.[_76e20552-3b4c-4f90-862a-2afeff5cd138] Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.[_a340943b-32c0-4a5b-b47c-629c19f11977] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.[_dc6b8099-6014-4fd3-be43-3bee0c31f831]
Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;t. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
Verweerder heeft de grond onder t ter zitting laten vallen.
Eiser betwist de gronden onder c en h. Volgens eiser heeft hij in het vertrekgesprek van 26 juni 2026 aangegeven dat hij wil meewerken en terug wil keren naar Marokko. Ook heeft hij in dit vertrekgesprek aangegeven wat zijn juiste personalia zijn, namelijk [naam], geboren op [geboortedag 2] 2003 in Marokko.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de gronden onder c en h terecht zijn opgelegd. Eiser heeft in het gehoor voorafgaand aan de maatregel herhaaldelijk aangegeven niet terug te willen en niet te willen meewerken. In de maatregel is gemotiveerd uitgelegd dat eiser zich al eerder aan het toezicht heeft onttrokken en niet zelfstandig is vertrokken. Dat eiser nu aangeeft mee te willen werken, maakt dit niet anders. Uit het vertrekgesprek van 26 juni 2026 blijkt namelijk ook dat hij niet reageert op de vraag of hij documenten heeft of telefonisch contact wenst op te nemen met het consulaat.
Overigens heeft eiser de gronden onder a, b, p, r en s niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de niet betwiste gronden in onderlinge samenhang bezien, al voldoende zijn voor de conclusie dat verweerder zich op het standpunt mag stellen dat sprake is van een onderduikrisico. Namens eiser zijn verder geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan, in weerwil van de gronden van de maatregel, toch aannemelijk kan worden geacht dat eiser zich niet aan het toezicht zal onttrekken.
Ten slotte voert eiser aan dat het onduidelijk is wanneer eiser in het detentiecentrum [plaats] is aangekomen.
De rechtbank stelt vast dat in het dossier een e-mail zit waarin te lezen is dat op
22 juni 2026 om 14:15 uur een verzoek is gedaan voor uitplaatsing van eiser. In een ander stuk in het dossier is te lezen dat eiser op 22 juni 2026 om 19:39 uur is opgehaald en overgedragen aan DV&O. Verweerder heeft na de zitting nog nagevraagd wanneer eiser is aangekomen in Rotterdam. Hierop heeft de DT&V geantwoord dat dit op 22 juni 2026 om 20:20 uur is geweest. De rechtbank acht hiermee voldoende duidelijk dat eiser inderdaad op 22 juni 2026 is overgebracht naar het detentiecentrum [plaats] en daar op diezelfde dag is aangekomen. Eiser heeft dit op de zitting ook bevestigd. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.[_f4a04d15-089f-4b12-8dfc-7ba6aae65174]
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
M.A. van Garder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.