Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 30 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:17994Zaaknummer NL25.54180
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 30 juni 2026
- Publicatiedatum
- 18 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL25.54180
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
De aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is afgewezen. De rechtbank verklaart het door eiser ingestelde beroep ongegrond. De minister had eiser niet hoeven horen in bezwaar.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54180
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
1. Eiser heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 23 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.[_6d1af21a-c483-4c67-8893-38823192c69e]
Overwegingen
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister eisers aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het bestreden besluit
3. Eiser heeft de Turkse nationaliteit. Eiser heeft op 12 juni 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon A]’. Eiser heeft in zijn aanvraag aangegeven dat hij de ongehuwde partner is van [persoon A].
De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft. Eiser voldoet ook niet aan de voorwaarden om van het vereiste om een mvv te bezitten te worden vrijgesteld. Eiser komt namelijk niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van het Turks associatierecht en het is ook niet gebleken dat in eisers geval sprake is van beschermwaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Verder heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die ertoe nopen om eisers aanvraag alsnog in te willigen (de hardheidsclausule).
Wat voert eiser in beroep aan?
4. Eiser voert aan dat de minister hem had moeten horen in bezwaar. Daarbij wijst eiser op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 juli 2022.[_c79a3280-b93e-44c2-b36a-bc21c79d7c09] Eiser betoogt dat hieruit het uitgangspunt volgt dat een vreemdeling in bezwaar moet worden gehoord en de minister terughoudend moet omgaan met uitzonderingen op zijn hoorplicht. Dit geldt des te meer in een zaak zoals deze, waarin de minister een individuele belangenafweging moet maken in het kader van artikel 8 van het EVRM. In dit verband licht eiser toe dat hij al geruime tijd in Nederland verblijft en een sociaal netwerk heeft opgebouwd. Door hem niet te horen heeft de minister volgens eiser een kans laten liggen om meer duidelijkheid te krijgen over de relatie. De minister heeft deze (essentiële) informatie niet verkregen en betrokken omdat hij eiser niet heeft gehoord. Het standpunt van de minister dat in eisers geval geen sprake is van beschermwaardig privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM is daarom niet houdbaar. Dit is uitsluitend gebaseerd op een formele en summiere beoordeling van de door eiser overgelegde stukken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat een vreemdeling moet worden gehoord in bezwaar. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb mag de minister wel van het horen in bezwaar afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan de(ze) maatstaf om van het horen af te zien. Daarbij is het volgende van belang.
De minister heeft zich in het besluit van 23 januari 2025 op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat hij een duurzame en exclusieve relatie heeft met [persoon A]. Daarom is er geen familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft er daarbij op gewezen dat eiser geen ingevulde en ondertekende relatieverklaring heeft meegestuurd waaruit blijkt dat eiser een relatie heeft met [persoon A]. Ook heeft eiser de vragen in de ‘Bijlage Vragenlijst voor verblijf bij partner’ niet beantwoord. De minister stelt dat hij de door eiser gestelde relatie daarom niet kan beoordelen. Verder heeft eiser 17 schermafbeeldingen van onvertaalde chats en 11 foto’s, waarvan zeker 10 van dezelfde gelegenheid, overgelegd. De minister heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat dit ruimschoots onvoldoende is om de gestelde relatie mee aan te tonen.
In bezwaar is hier niets aan veranderd. Eiser heeft de relatieverklaring en vragenlijst namelijk ook niet in bezwaar overgelegd. Eiser heeft in bezwaar naar voren gebracht dat hij op hetzelfde adres staat ingeschreven als [persoon A] en een aantal stukken overgelegd, zoals foto’s en whatsapp-gesprekken. De minister heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat eiser hiermee niet heeft aangetoond hoe- en wanneer de relatie is ontstaan en hoe deze zich ontwikkeld heeft.
De minister heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat eiser in bezwaar geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die aanleiding geven voor een ander standpunt dan in het primaire besluit. De rechtbank kan dit volgen. Eiser heeft dit standpunt van de minister ook verder niet betwist. De minister heeft daarom het bezwaar van eiser ongegrond kunnen verklaren, zonder hem eerst te horen. Wat eiser in beroep aanvoert doet daar niet aan af. De door eiser naar voren gebrachte belangen in beroep heeft hij niet naar voren gebracht in bezwaar. Nu eiser dit heeft nagelaten en de plicht om te horen in bezwaar afhankelijk is van wat een vreemdeling in bezwaar heeft aangevoerd, heeft minister het bezwaar kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.