Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 22 mei 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:16812Zaaknummer C/09/695918 / HA RK 25-718

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
C/09/695918 / HA RK 25-718
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vaststelling staatloosheid. Relevante landen: Palestijnse Gebieden en Syrië

De rechtbank:

stelt vast dat verzoeker staatloos is.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Sluijmer als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van 22 mei 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Vaststelling van staatloosheid
  2. Procedure
  3. Feiten
  4. Verzoek en het advies van de Staat
  5. Beoordeling
  6. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: HA RK 25-718

Zaaknummer: C/09/695918

Datum beschikking: 22 mei 2026

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 9 december 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker],

verzoeker,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. T.T. van Wijchen in Eindhoven.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de Staat,

zetelende in ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door: mr. G. Wischhoff.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het bericht van 3 april 2026 van de Staat;
  • het bericht van 8 april 2026 van verzoeker.

Omdat het advies van de Staat overeenstemt met dat wat door verzoeker is verzocht, waarover hierna meer, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt.

  • Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats], [geboorteland].
  • Verzoeker is in 2012 uit Syrië naar Jordanië gevlucht.
  • Verzoeker is op 6 februari 2023 Nederland ingereisd en heeft op die datum een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd.
  • Verzoeker heeft een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd van 6 februari 2023 tot 6 februari 2028.
  • Verzoeker is in het bezit van de volgende documenten, die door Bureau Documenten van de IND op echtheid zijn onderzocht en positief zijn beoordeeld:
  • een identiteitskaart;
  • een individueel uittreksel met pasfoto;
  • een familieboekje;
  • een gezinsverklaring uit het register van de Arabische Palestijnen;
  • een geboorteverklaring;
  • een UNWRA-registratie;
  • een trouwakte;
  • een huwelijksverklaring.

- Daarnaast is verzoeker in het bezit van een kopie van een familie-uittreksel van de vader van verzoeker, een UNWRA familieregistratie overzicht en een paspoort.

Verzoek en het advies van de Staat

Verzoeker verzoekt zijn staatloosheid vast te stellen.

De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.

Beoordeling

Wettelijk kader

Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid.

Op grond van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op grond van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.

Ontvankelijkheid

De rechtbank stelt vast dat verzoeker in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoeker onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.

Relevante landen

Gelet op de overgelegde stukken en het advies van de Staat, ziet de rechtbank aanleiding om bij de beoordeling van de staatloosheid van verzoeker de Palestijnse Gebieden en Syrië te betrekken. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat verzoeker een andere nationaliteit kan hebben verkregen.

Wordt verzoeker als onderdaan van de Palestijnse Gebieden beschouwd?

Gelet op de overgelegde stukken is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat verzoeker van Palestijnse afkomst is en de Palestijnse nationaliteit heeft.

Voor zover verzoeker de Palestijnse nationaliteit heeft, geldt het volgende. Uit het Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden van april 2022 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Werkinstructie 2020/19 Palestijnen volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden die geen andere nationaliteit hebben daarom als staatloos.

Wordt verzoeker als onderdaan van Syrië beschouwd?

Verzoeker stelt als Palestijn in Syrië geboren te zijn en hij heeft (minimaal) drie originele en echt bevonden documenten uit de drie documentgroepen kunnen overleggen.

Op grond van de nationaliteitswetgeving van Syrië (decreet 276 uit 1969; bevestiging hiervan is te vinden in het Algemeen Ambtsbericht Syrië van mei 2022 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken) kan de Syrische nationaliteit onder andere worden verkregen door afstamming van een Syrische vader. Een moeder kan naar Syrisch nationaliteitsrecht haar nationaliteit alleen doorgeven in het geval het kind is geboren in Syrië en de vader het kind niet heeft erkend. Van deze situaties is in dit geval niet gebleken, zodat het niet aannemelijk is dat verzoeker de Syrische nationaliteit via zijn vader of moeder kan hebben verkregen. Ook kan verzoeker de Syrische nationaliteit niet hebben verkregen via het huwelijk met zijn vrouw. Uit de Werkinstructie 2020/19 Palestijnen volgt dat Palestijnen in Syrië in principe staatloos zijn en niet kunnen naturaliseren.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoeker de Syrische nationaliteit heeft.

Conclusie

Gelet op al het voorgaande stelt de rechtbank de staatloosheid van verzoeker vast.

Beslissing

De rechtbank:

stelt vast dat verzoeker staatloos is.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Sluijmer als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van 22 mei 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.