Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 18 juni 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:16474Zaaknummer NL26.32395

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
NL26.32395
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Mondelinge uitspraak – beroep ongegrond.

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Overwegingen

  • Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1976 en de Oezbeekse nationaliteit te hebben.
  • Verweerder heeft op 26 juni 2025 besloten tot de overdracht van eiser aan Duitsland onder de Dublinverordening. De overdrachtstermijn is nog niet verstreken. Verweerder heeft de aan eiser opgelegde maatregel van bewaring dan ook terecht gebaseerd op artikel 59a van de Vw.

3. De maatregel wordt voldoende gedragen door gronden die onderbouwen dat sprake is van een significant risico op onttrekking aan het toezicht. Verweerder stelt daartoe terecht dat eiser niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen in Nederland en zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken. In de maatregel is in dat verband terecht opgemerkt dat eiser zonder geldig reisdocument is ingereisd en dat hij in augustus 2025 is ondergedoken. Alleen al deze twee zware gronden zijn genoeg om de maatregel te dragen. De overige gronden hoeven niet te worden besproken aangezien ze niet kunnen leiden tot een gegrond beroep.

4. Verweerder heeft met de verwijzing naar de gronden voldoende gemotiveerd dat in dit geval een lichter middel niet volstaat om het bedoelde risico op onttrekking aan het toezicht te ondervangen. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de bewaring in het geval van eiser onevenredig bezwarend moet worden beschouwd.

5. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de maatregel onrechtmatig is.

6. Het beroep is dan ook ongegrond

7. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procesverloop
  2. Beslissing
  3. Overwegingen

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.32395

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).

Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw[_1ae11c76-70d4-4811-a46d-03413d8e98c6] opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Overwegingen

  • Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1976 en de Oezbeekse nationaliteit te hebben.
  • Verweerder heeft op 26 juni 2025 besloten tot de overdracht van eiser aan Duitsland onder de Dublinverordening. De overdrachtstermijn is nog niet verstreken. Verweerder heeft de aan eiser opgelegde maatregel van bewaring dan ook terecht gebaseerd op artikel 59a van de Vw.

3. De maatregel wordt voldoende gedragen door gronden die onderbouwen dat sprake is van een significant risico op onttrekking aan het toezicht. Verweerder stelt daartoe terecht dat eiser niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen in Nederland en zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken. In de maatregel is in dat verband terecht opgemerkt dat eiser zonder geldig reisdocument is ingereisd en dat hij in augustus 2025 is ondergedoken. Alleen al deze twee zware gronden zijn genoeg om de maatregel te dragen. De overige gronden hoeven niet te worden besproken aangezien ze niet kunnen leiden tot een gegrond beroep.

4. Verweerder heeft met de verwijzing naar de gronden voldoende gemotiveerd dat in dit geval een lichter middel niet volstaat om het bedoelde risico op onttrekking aan het toezicht te ondervangen. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de bewaring in het geval van eiser onevenredig bezwarend moet worden beschouwd.

5. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de maatregel onrechtmatig is.

6. Het beroep is dan ook ongegrond

7. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.