Uitspraak · Strafrecht

Rechtbank Den Haag, 2 juni 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:16297Zaaknummer 09/160102-21 (ontneming)

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
09/160102-21 (ontneming)
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkheid OM vanwege vrijspraak in de strafzaak. Geen grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank:

verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C. Kole, voorzitter,

mr. J. Herfkens, rechter,

mr. C. Hofman, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. Stevers, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juni 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het onderzoek op de terechtzitting
  2. 2 De inhoud van de vordering
  3. 3 De grondslag voor ontneming
  4. 7 De beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/160102-21 (ontneming)

Datum uitspraak: 2 juni 2026

Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht

De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het Openbaar Ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de betrokkene:

[betrokkene],

geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ( [land 1] ),

BRP-adres: [adres] ( [land 2] Duitsland).

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 12 mei 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie mr. F.A. Kuipers op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de betrokkene en haar raadsman mr. A. Kilinç op de terechtzitting naar voren is gebracht.

2 De inhoud van de vordering

De inleidende schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 75.065,00 en aan de betrokkene de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

3 De grondslag voor ontneming

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ligt in het eerste lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de grondslag niet kan liggen in het eerste lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, vanwege de bepleite vrijspraak van het strafbare feit waarop de ontnemingsvordering is gebaseerd.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

De betrokkene is in de strafzaak vrijgesproken. Daarmee is er geen grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank zal daarom de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

7 De beslissing

De rechtbank:

verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C. Kole, voorzitter,

mr. J. Herfkens, rechter,

mr. C. Hofman, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. Stevers, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juni 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.