Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 12 juni 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:15918Zaaknummer NL26.30270

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
NL26.30270
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eerste beroep bewaring – artikel 59a, eerste lid, van de Vw – gronden niet betwist – verantwoordelijke lidstaat voldoende duidelijk – eiser maand voorafgaand aan inbewaringstelling al overgedragen en nu teruggekeerd – niet gebleken van een vertrekgesprek waarin een ander lidstaat is benoemd – beroep ongegrond.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procesverloop
  2. Overwegingen
  3. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.30270

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

v-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: mr. R. Deniz),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw[_8f4414cf-0b20-4e51-9e30-b12a6c6206ea] opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1994 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zal onderduiken. Verweerder heeft als zware gronden[_f6a14ab9-18ec-401a-880f-f9a57ff9e91d] vermeld dat eiser:

- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; - 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

en als lichte gronden[_338e3563-1f6b-42bb-b7ab-fe496adc5659] vermeld dat eiser:

- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;

- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; - 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;

3. Eiser voert aan dat uit het dossier niet eenduidig blijkt welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek. Volgens eiser wordt in het overdrachtsbesluit een andere lidstaat genoemd dan in een eerder vertrekgesprek. Hierdoor bestaat onduidelijkheid over de overdracht, hetgeen afbreuk doet aan de zorgvuldigheid van de besluitvorming en aan de voortvarendheid waarmee verweerder aan de overdracht werkt.

4. De rechtbank stelt vast dat eiser de aan de maatregel ten grondslag gelegde zware en lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen en zijn voldoende om een significant risico op onderduiken aan te nemen.

5. De rechtbank stelt vast dat eiser eerder op 20 mei 2026 is overgedragen aan de autoriteiten van Duitsland. Nadat eiser opnieuw naar Nederland was teruggekeerd, heeft verweerder op 29 mei 2026 een verzoek tot terugname van eiser aan de Duitse autoriteiten gestuurd. Duitsland heeft het verzoek op 2 juni 2026 aanvaard. Vervolgens heeft verweerder op 8 juni 2026 een overdrachtsbesluit genomen. Dat onduidelijkheid bestond over de verantwoordelijke lidstaat voor de inhoudelijke behandeling van eisers asielaanvraag is dan ook niet gebleken. Voor zover eiser heeft verwezen naar een vertrekgesprek waarin een andere lidstaat zou zijn genoemd, heeft eiser dit niet onderbouwd en is hiervan niet gebleken. Ook overigens blijkt uit de verrichte handelingen van verweerder niet dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.

6. Tot slot is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.

7. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting aangegeven te volstaan met de reeds aangevoerde beroepsgronden. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat het overdrachtsbesluit onrechtmatig is.

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 12 juni 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.