Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 12 mei 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:15783Zaaknummer C/09/684472 / FA RK 25-3248

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
C/09/684472 / FA RK 25-3248
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Gezag, omgangsregeling, wijziging kinderalimentatie. Omgang niet in het belang van het kind. Onvoldoende onderbouwd dat sprake is van duurzaam inkomensverlies.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procedure
  2. Feiten
  3. Verzoek en verweer
  4. Beoordeling
  5. BeslissingDe rechtbank:

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 25-3248

Zaaknummer: C/09/684472

Datum beschikking: 12 mei 2026

Gezag, omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en kinderalimentatie

Beschikking op het op 30 april 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de vader],

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. A.F. Mandos in Rijswijk.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. J.B. Peters in Zoetermeer.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het verweerschrift, met zelfstandig verzoek, ingekomen op 24 juni 2025, met bijlagen;
  • het bericht van 3 april 2026 van de moeder, met bijlagen;
  • het bericht van 4 april 2026 van de vader, met bijlagen.

Op 14 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • de vader (via een videoverbinding), bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

Ter zitting heeft de advocaat van de moeder bezwaar gemaakt tegen op 10 april 2026 door de vader overgelegde stukken. Zoals ook ter zitting is medegedeeld, laat de rechtbank deze stukken buiten beschouwing.

Van de zijde van de moeder is op de zitting een verslag van school maatschappelijk werk overgelegd.

De [minderjarige 1] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.

Feiten

  • De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad.
  • Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind: [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats 1].
  • De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] belast.
  • De vader is verder de ouder van de minderjarige [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2009 in [geboorteplaats 2].
  • Bij beschikking van 11 oktober 2017 van deze rechtbank – voor zover hier relevant – is de door de vader met ingang van 1 september 2016 te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige 2] bepaald op € 137,- per maand.
  • Bij beschikking van 17 januari 2018 van deze rechtbank – voor zover hier relevant – is:
  • het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling met [minderjarige 1] afgewezen;
  • de door de vader met ingang van 1 september 2016 te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige 1] bepaald op € 114,- per maand.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij voorlopige voorziening voor de duur van de procedure:

  • een nieuwe omgangsregeling vast te stellen die recht doet aan de belangen van alle partijen, met daarbij in het bijzonder aandacht voor de vakantieperioden, en daarbij een dwangsom op te leggen aan de moeder wanneer zij niet nakomt;
  • vast te stellen welk bedrag aan een bijdrage in de kosten levensonderhoud de vader aan de verweerders dient te voldoen met betrekking tot [minderjarige 1] en voor zover een verweer uitblijft ten aanzien van die verweerder te bepalen dat de bijdrage van een in goede justitia te bepalen datum € 40,- per maand zal bedragen.

De vader verzoekt in de bodemprocedure, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • de vader te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1];
  • een nieuwe omgangsregeling vast te stellen die recht doet aan de belangen van alle partijen, met daarbij in het bijzonder aandacht voor de vakantieperioden, en daarbij een dwangsom op te leggen aan de moeder wanneer zij niet nakomt;
  • vast te stellen welk bedrag aan een bijdrage in de kosten levensonderhoud de vader aan de verweerders dient te voldoen met betrekking tot [minderjarige 1] en voor zover een verweer uitblijft ten aanzien van die verweerder te bepalen dat de bijdrage van een in goede justitia te bepalen datum € 40,- per maand zal bedragen.

De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt zij in de bodemprocedure zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens:

- te bepalen dat de vader als bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [minderjarige 1] telkens bij vooruitbetaling en per maand zal hebben te voldoen € 300,- zulks met ingang van de datum van indiening van dit verzoek althans een zodanige bijdrage op te leggen met ingang van zodanige datum als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Voorlopige voorzieningenprocedure

Omdat de rechtbank zich in de bodemprocedure, zoals hierna wordt overwogen, zal buigen over de voorliggende verzoeken, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen bij gebrek aan belang.

Gezag

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:253c eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt een verzoek om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten indien de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt, slechts afgewezen, indien: a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Standpunten

De vader wil mede belast worden met het gezag over [minderjarige 1]. Hij wil meer betrokken zijn in het leven van [minderjarige 1] en volgens hem is geen sprake van de in de wet genoemde uitzonderingsgronden.

Volgens de moeder is er geen basis voor een behoorlijke gezamenlijke uitoefening van

het gezag met de vader. Gedurende de gehele opvoeding en ontwikkeling van [minderjarige 1] is de

vader afwezig geweest als het ging om belangrijke beslissingen en mede gelet op de

afwezigheid van alle communicatie en het volledige gebrek aan vertrouwen, vreest de

moeder dat de vader misbruik van zijn gezag zal maken. In ieder geval zullen zij niet in staat

zijn om gezamenlijke belangrijke beslissingen te nemen. Dat maakt dat het niet in het

belang is van [minderjarige 1] dat de vader gezag over hem krijgt.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen, omdat dit in het belang van het kind wordt geacht. Hiervoor is wel nodig dat de ouders over belangrijke zaken over hun kind kunnen overleggen en gezamenlijk beslissingen kunnen nemen en afspraken kunnen maken. Op zitting is gebleken dat de ouders dat niet kunnen. De ouders hebben allebei verklaard dat zij niet constructief, dus zonder dat het op ruzie of woordenwisselingen uitloopt, met elkaar kunnen communiceren en dat zij niet in staat zijn samen afspraken te maken. De rechtbank concludeert daarom dat bij toewijzing van het verzoek het onaanvaardbare risico bestaat dat [minderjarige 1] klem of verloren zal raken tussen de ouders, waarbij niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vader om hem mede met het gezag over [minderjarige 1] te belasten, afwijzen.

Omgang

Wettelijk kader

De rechtbank kan op verzoek van de ouders of van één van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind op grond van artikel 1:377e BW een beslissing inzake de omgang wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

Standpunten

De vader wil dat er een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige 1] wordt vastgesteld. Hij heeft zijn verzoek op de zitting nader geconcretiseerd. Hij wil – mede gelet op de reisafstand tussen zijn woning en de woning van de moeder – uitsluitend een regeling voor de vakanties. De vader wil dat [minderjarige 1] gedurende de volledige voorjaars- en herfstvakantie bij hem verblijft, en daarnaast in de kerst- en meivakantie de tweede week en in de zomervakantie de laatste week. Gelet op de geschiedenis van niet nakoming acht de vader een dwangmiddel aan de orde.

De moeder vindt dat de vader niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat hij niet

gesteld heeft dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. Daarnaast vindt zij

een vakantieregeling niet in het belang van [minderjarige 1]. Volgens haar is er veel gebeurd tussen de

vader en [minderjarige 1]. In november 2024 werd [minderjarige 1] zonder enige vooraankondiging

geconfronteerd met de nieuwe partner van de vader. Toen [minderjarige 1] daarvan overstuur werd, is

hij geslagen en is de politie ingeschakeld. [minderjarige 1] was daarvan zodanig overstuur dat hij

geen contact meer met zijn vader wilde. Dat gevoel bestaat nog steeds bij hem. Volgens de

moeder voelt [minderjarige 1] zich zich verraden, onveilig en emotioneel gekwetst. Hij krijgt hulp op

school via de maatschappelijk werker en spreekt zich daar uit over zijn boosheid en verdriet.

Ontvankelijkheid

Naar het oordeel van de rechtbank vormen het tijdsverloop en het feit dat er in 2024 omgang is geweest tussen [minderjarige 1] en de vader voldoende grond om te spreken van een wijziging van omstandigheden. De vader is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.

Oordeel van de rechtbank

Uitganspunt is dat contact tussen een kind en beide ouders in het belang is van een kind, omdat dat bijdraagt aan een evenwichtige identiteitsontwikkeling. Er kunnen echter ook omstandigheden bestaan die maken dat contact niet in het belang is van een kind. Dat is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak het geval. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking.

Uit de stukken en uit wat op de zitting is besproken is de rechtbank gebleken dat de vader onvoldoende oog heeft voor de beleving van [minderjarige 1]. Er hebben zich in het verleden meerdere incidenten voorgedaan en de vader heeft geen oog voor zijn eigen rol daarin en geen begrip voor hoe [minderjarige 1] die gebeurtenissen heeft beleefd. [minderjarige 1] voelt zich gekwetst door wat er tussen zijn vader en hem is voorgevallen en ervaart veel boosheid en verdriet en wil daarom op dit moment geen contact met zijn vader. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige 1] dat hij eerst beter leert omgaan met deze emoties, zo nodig met behulp van (verdere) hulpverlening, voordat het contact tussen hem en zijn vader wordt hersteld.

Daarnaast constateert de rechtbank dat er bij de moeder op dit moment onvoldoende draagvlak is om contactherstel te ondersteunen. De moeder heeft in het verleden meermaals contactherstel bewerkstelligd, maar door diverse incidenten zijn de contacten steeds weer beëindigd. Door deze negatieve ervaringen en de weerstand bij [minderjarige 1], wil de moeder op dit moment geen omgang meer faciliteren. De rechtbank oordeelt dat het, gelet op alles wat er na het door haar geïnitieerde contactherstel is voorgevallen, op dit moment ook niet van de moeder gevergd kan worden om omgang te faciliteren.

Gelet op al deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank het niet in het belang van [minderjarige 1] om een omgangsregeling vast te stellen. De rechtbank zal het verzoek van de vader over de omgangsregeling en de daaraan gekoppelde dwangsom daarom afwijzen.

Kinderalimentatie

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:401 BW kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

Standpunten

De vader verzoekt de kinderalimentatie te wijzigen en beroept zich daarbij op het eerste lid van artikel 1:401 BW. De vader stelt dat zijn inkomen aanzienlijk is gedaald en dat hij niet langer voldoende draagkracht heeft om het vastgestelde bedrag te betalen.

De moeder stelt dat de vader niet heeft aangetoond dat zijn inkomenspositie is verslechterd sinds de kinderalimentatie is vastgesteld. De moeder vermoedt dat het inkomen van de vader inmiddels is toegenomen, wat zou moeten leiden tot een hogere kinderalimentatie.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vader onvoldoende onderbouwd dat sprake is van duurzaam inkomensverlies aan zijn zijde, waardoor de vastgestelde kinderalimentatie niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De vader heeft een eigen onderneming. Het is niet ongebruikelijk dat perioden van hogere en lagere inkomsten elkaar afwisselen bij een onderneming. Daarom wordt er bij de vaststelling van alimentatie bij ondernemers gerekend met een gemiddeld inkomen over de laatste drie jaren. Ratio daarachter is dat in de jaren waarin het beter gaat, gelden gereserveerd kunnen worden voor de jaren waarin de onderneming minder winst genereert, om de schommelingen in inkomen op te kunnen vangen. De vader heeft weliswaar gesteld dat hij vanwege gezondheidsproblemen een moeilijke periode heeft doorgemaakt, ook zakelijk gezien, maar hij heeft ook verklaard dat hij zijn ondernemingsstructuur en de aard van de door de onderneming aangeboden diensten heeft aangepast en dat hij verwacht dat de onderneming weer beter zal gaan draaien.

De rechtbank overweegt voorts dat de vader niet heeft aangetoond dat er daadwerkelijk sprake is van inkomensverlies als gevolg waarvan hij onvoldoende draagkracht heeft om de opgelegde kinderalimentatie te betalen. De vader heeft jaarstukken overgelegd, maar daarin is expliciet vermeld dat deze zijn opgesteld op basis van door de vader zelf aangeleverde gegevens. De vader heeft nagelaten om aanslagen en aangiften te overleggen, zodat de informatie uit de jaarstukken niet geverifieerd kan worden.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de vader, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting van de moeder, onvoldoende heeft onderbouwd dat zijn inkomen duurzaam is gewijzigd en de vastgestelde kinderalimentatie niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven. De rechtbank zal de vader daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek.

Ten aanzien van het zelfstandige verzoek van de moeder overweegt de rechtbank dat dit verzoek is gebaseerd op de aanname dat de draagkracht van de vader is toegenomen. De moeder heeft deze aanname echter niet nader geconcretiseerd of onderbouwd. Daarmee is ook door de moeder onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor de eerder vastgestelde kinderalimentatie niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar zelfstandige verzoek.

Proceskosten

Omdat het een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

BeslissingDe rechtbank:

verklaart de ouders niet-ontvankelijk in hun verzoeken over de kinderalimentatie;

bepaalt dat iedere partij zijn eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Wien als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 12 mei 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.