Uitspraak · Strafrecht

Rechtbank Den Haag, 1 juni 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:14966Zaaknummer 09/149664-21, ontneming

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
09/149664-21, ontneming
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Ontnemingsvordering afgewezen omdat de vordering is gegrond op ten laste gelegde feiten waarvan de verdachte is vrijgesproken.

De rechtbank:

wijst af de vordering van het openbaar ministerie ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P. Verbeek, voorzitter,

mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,

mr. S.E. Bandsma, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Walenkamp, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 juni 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het onderzoek op de terechtzitting
  2. 2 De inhoud van de vordering
  3. 3 De grondslag voor ontneming
  4. 4 De beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/149664-21, ontneming

Datum uitspraak: 1 juni 2026

Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht

De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de betrokkene:

[betrokkene],

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats],

adres: [adres].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 18 mei 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie

mr. N.Y. Rose op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de raadsvrouw van betrokkene mr. S.J.M. Laurier op de terechtzitting naar voren is gebracht.

2 De inhoud van de vordering

De vordering van de officier van justitie strekt ertoe dat de rechtbank het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van

€ 28.604,28 en aan de betrokkene de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.

3 De grondslag voor ontneming

De ontnemingsvordering is gegrond op het in de strafzaak aan de betrokkene onder de feiten

1, 2 en 3 tenlastegelegde, te weten het (mede)plegen van mensenhandel ten aanzien van [aangeefster 1], [aangeefster 2] en [aangeefster 3]. De betrokkene wordt bij vonnis van heden in de strafzaak echter vrijgesproken van die feiten 1, 2 en 3. Daarmee is er geen grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

4 De beslissing

De rechtbank:

wijst af de vordering van het openbaar ministerie ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P. Verbeek, voorzitter,

mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,

mr. S.E. Bandsma, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Walenkamp, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 juni 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.