Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 4 juni 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:14940Zaaknummer NL26.29027

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
NL26.29027
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bewaring; vervolgberoep; artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw; ongegrond.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser], eiser
  2. Procesverloop
  3. Overwegingen
  4. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.29027

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A. Agayev),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 20 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft hierop gereageerd.

Verweerder heeft op 27 mei 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 1 juni 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2004 en de Gambiaanse nationaliteit te hebben.

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst.[_74e26edd-97a2-404d-8b50-4a3926b40be1] Uit de uitspraak van 6 mei 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 6 mei 2026, rechtmatig was. Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 6 mei 2026.

4. De rechtbank merkt allereerst ambtshalve het volgende op. Het beroepschrift is op 24 mei 2026 ingediend. Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw sluit de rechtbank het vooronderzoek binnen een week na ontvangst van het beroepschrift. Dit betekent dat de rechtbank in dit geval het vooronderzoek uiterlijk op 29 mei 2026 had moeten sluiten. Het vooronderzoek is echter op 1 juni 2026 gesloten. Gelet hierop is de termijn van artikel 96, eerste lid, van de Vw overschreden.

5. De overschrijding van de termijn van artikel 96, eerste lid, van de Vw is in dit geval geheel aan de rechtbank toe te rekenen. Niettemin is sprake van een voortvarende beslissing als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van het EVRM[_e9570a40-909d-4f76-aef4-77a76643ee98], omdat de uitspraaktermijn zoals bedoeld in artikel 96, tweede lid, van de Vw niet is overschreden. De rechtbank doet namelijk uitspraak op het vervolgberoep binnen een week nadat zij het vooronderzoek op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw had moeten sluiten. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het voortduren van de bewaring alleen vanwege het te laat sluiten van het vooronderzoek onrechtmatig te achten. Eiser is als gevolg van de termijnoverschrijding niet in zijn belangen is geschaad.

6. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Ook voert hij aan dat er geen zicht is op uitzetting binnen een afzienbare periode is.

7. De inbewaringstelling is op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw opgelegd. Zicht op uitzetting voor de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, Vw geen vereiste. Hieruit volgt dat verweerder bij een bewaring op de hiervoor aangehaalde grondslag in de regel niet gehouden is voortvarend handelingen te verrichten ter voorbereiding van de uitzetting.[_cc89361e-f73b-4a48-bf1d-a2d371e5ce01] De beroepsgronden van eiser over het voortvarend handelen slagen daarom niet.

8. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing[_e8fac531-e3ff-4b3d-9294-1609a2aef580] niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig was.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 4 juni 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.