Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 3 maart 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:14512Zaaknummer NL25.27788 NL25.60543

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
NL25.27788 NL25.60543
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorzieningen bij NL25.27786 en NL25.60542. Verzoeken afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 3 maart 2026.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
  2. Procesverloop
  3. Overwegingen
  4. Beslissing
  5. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.27788 en NL25.60543

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Sweerts).

Procesverloop

Bij het besluit van 27 mei 2025 (bestreden besluit I) heeft de minister het bezwaar van verzoeker dat ziet op de afwijzing van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘familieleven op grond van artikel 8 van het EVRM’, afgewezen als ongegrond.

Bij het besluit van 12 november 2025 (bestreden besluit II) heeft de minister het bezwaar van verzoeker dat ziet op de afwijzing van de aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER op grond van artikel 20 VwEU, afgewezen als ongegrond.

Verzoeker heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Hij heeft verder de

voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken, samen met de behandeling van NL25.27786 en NL25.60542, op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

1. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummers NL25.27786 en NL25.60542, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op de beroepen. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om die reden af.

2. Gelet op de uitkomst van de bodemzaak veroordeelt de voorzieningenrechter de minister wel in de door verzoeker gemaakte proceskosten. De rechtbank merkt de verzoeken om een voorlopige voorziening aan als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van de verzoekschriften met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1). Omdat verzoeker geen griffierecht heeft betaald, hoeft de minister geen griffierecht aan hem te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 3 maart 2026.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.