Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 24 april 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:13422Zaaknummer C/09/696496 / HA RK 25-748

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
C/09/696496 / HA RK 25-748
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vaststelling staatloosheid. Relevant land: Palestijnse Gebieden

De rechtbank:

stelt vast dat verzoekster staatloos is.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. S. Sluijmer als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van 24 april 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Vaststelling van staatloosheid
  2. Procedure
  3. Feiten
  4. Verzoek en het advies van de Staat
  5. Beoordeling
  6. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: HA RK 25-748

Zaaknummer: C/09/696496

Datum beschikking: 24 april 2026

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 19 december 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster],

verzoekster,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. F. Engelbertink in Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de Staat,

zetelende in ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door: mr. Y. Verheugd.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het bericht van 26 maart 2026 van de Staat, met bijlagen;
  • het bericht van 31 maart 2026 van verzoekster.

Omdat het advies van de Staat overeenstemt met wat is verzocht, waarover hierna meer, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hier desgevraagd mee ingestemd.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt:

  • Verzoekster is geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats], Gaza.
  • Verzoekster stelt tot juli 2023 in Gaza te hebben gewoond en vervolgens via Egypte, Turkije, Griekenland, Italië en Luxemburg naar Nederland te zijn gereisd.
  • Verzoekster is op 18 februari 2024 in Nederland aangekomen en zij heeft op 20 februari 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel.
  • Bij beschikking van 7 november 2025 is aan verzoekster een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd verleend van 18 februari 2024 tot 18 februari 2029.
  • Verzoekster is in het bezit van een Palestijns paspoort. Dit paspoort is onderzocht en was echt, maar is vanwege het ontbreken van pagina 7 en 8 als vervalst aangemerkt.

Verzoek en het advies van de Staat

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van de staatloosheid van verzoekster.

De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.

Beoordeling

Wettelijk kader

Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid).

Op grond van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op grond van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.

Ontvankelijkheid

De rechtbank stelt vast dat verzoekster in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoekster onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat zij ontvankelijk is in haar verzoek.

Relevante landen

Gelet op de stukken, zal de rechtbank alleen de Palestijnse gebieden bij de beoordeling van het verzoek tot vaststelling van de staatloosheid van verzoekster betrekken. Vanwege de korte verblijfsduur van verzoekster in Egypte, Turkije, Griekenland, Italië en Luxemburg, zal de rechtbank deze landen niet bij de beoordeling betrekken. De rechtbank heeft verder geen aanwijzingen dat verzoekster nog een andere nationaliteit kan hebben verkregen.

Wordt verzoekster als onderdaan van de Palestijnse Gebieden beschouwd?

Zoals verzoekster en de Staat ook van mening zijn, is het naar het oordeel van de rechtbank gelet op de stukken aannemelijk dat verzoekster van Palestijnse afkomst is en de Palestijnse nationaliteit heeft.

Uit het Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden van april 2022 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Werkinstructie 2020/19 Palestijnen volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden die geen andere nationaliteit hebben daarom als staatloos.

Conclusie

De rechtbank stelt, gelet op al het voorgaande, de staatloosheid van verzoekster vast.

Beslissing

De rechtbank:

stelt vast dat verzoekster staatloos is.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. S. Sluijmer als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van 24 april 2026.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.