Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 21 mei 2025

ECLI:NL:RBDHA:2025:8847Zaaknummer C/09/670905 / HA RK 24-466

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21 mei 2025
Publicatiedatum
19 september 2025
Zaaknummer
C/09/670905 / HA RK 24-466
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vaststellingsprocedure Staatloosheid. Verzoeker is inmiddels in de BRP geregistreerd als staatloos. Dit betekent dat verzoeker geen belang (meer) heeft bij het verzoek tot vaststelling van zijn staatloosheid en niet-ontvankelijk is in zijn verzoek. Proceskostenveroordeling van de Staat dan wel gemeente X afgewezen.

De rechtbank:

*

verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot vaststelling van zijn staatloosheid;

*

wijst af het verzoek de Staat dan wel de gemeente ’s-Hertogenbosch te veroordelen in de proceskosten.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.S.F. de Nijs, rechter, bijgestaan door mr. P. Hillebrand als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 mei 2025.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Vaststelling van staatloosheid
  2. Procedure
  3. Verzoek en het advies van de Staat
  4. Beoordeling
  5. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: HA RK 24-466

Zaaknummer: C/09/670905

Datum beschikking: 21 mei 2025

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 8 augustus 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker],

verzoeker,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. D. Brouwer te Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verder te noemen “de Staat”),

zetelende te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door: mr. R.S. Hogendoorn-Matthijsen.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift, met bijlagen;

- de brief van 4 december 2024, met bijlage, van verzoeker;

- de brief van 20 maart 2025 van de Staat;

- de brief van 10 april 2025 van verzoeker, mede houdende een aanvullend verzoek;

- de brief van 24 april 2025 van de Staat;

- het e-mailbericht van 28 april 2025 van verzoeker;

- het e-mailbericht van 28 april 2025 van de Staat.

De rechtbank heeft aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.

Verzoek en het advies van de Staat

Het verzoekschrift zoals dat nu luidt strekt tot vaststelling van staatloosheid van verzoeker, een en ander uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van de Staat dan wel de gemeente ’s-Hertogenbosch in de proceskosten.

De Staat adviseert verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek dan wel het verzoek af te wijzen.

Beoordeling

Juridisch kader

Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid).

Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.

Ontvankelijkheid

De rechtbank stelt vast dat verzoeker inmiddels in de basisregistratie personen (brp) is geregistreerd als staatloos. Dit betekent dat verzoeker geen belang (meer) heeft bij het verzoek tot vaststelling van zijn staatloosheid en niet-ontvankelijk is in zijn verzoek.

Proceskosten

Verzoeker vraagt de Staat dan wel de gemeente ’s-Hertogenbosch te veroordelen in de proceskosten. Dit omdat de gemeente ’s-Hertogenbosch aanvankelijk heeft geweigerd verzoeker in de brp te registeren als staatloos, waardoor verzoeker genoodzaakt was een procedure bij de rechtbank te starten. De rechtbank stelt voorop dat de gemeente

’s-Hertogenbosch geen procespartij is in de onderhavige procedure, zodat tegen deze gemeente geen proceskostenveroordeling kan worden toegewezen.

Hoewel de rechtbank begrijpt dat verzoeker van mening is dat de gemeente

’s-Hertogenbosch een onjuist standpunt heeft ingenomen (zeker nu verzoeker inmiddels in de brp is geregistreerd als staatloos) en hem daardoor tot een (nodeloze) procedure heeft gedwongen met alle kosten van dien, is de rechtbank van oordeel dat het feit dat de gemeente een standpunt inneemt waarmee verzoeker het niet eens is niet kan leiden tot een proceskostenveroordeling van de Staat. De afwijzing van het eerdere verzoek van verzoeker door de gemeente ’s-Hertogenbosch is de Staat namelijk niet aan te rekenen.

Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek om de Staat dan wel de gemeente ’s-Hertogenbosch in de proceskosten te veroordelen af.

Beslissing

De rechtbank:

*

verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot vaststelling van zijn staatloosheid;

*

wijst af het verzoek de Staat dan wel de gemeente ’s-Hertogenbosch te veroordelen in de proceskosten.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.S.F. de Nijs, rechter, bijgestaan door mr. P. Hillebrand als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 mei 2025.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.